ECLI:NL:RBROT:2013:4653
Rechtbank Rotterdam Team Haven en handel Zaak-/rolnummer: C / 10 / 342230 / HA ZA 09-3206 VONNIS van 26 juni 2013 in de zaak van:
Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk "ELG c.s.", "Riad c.s." en "Amasus c.s.".
1Het verdere verloop van het geding 1.1 Na het in deze zaak gewezen vonnis van 5 september 2012 heeft Amasus c.s. verzocht te bepalen dat hoger beroep tegen dat vonnis kan worden ingesteld. Nadat ELG c.s. en Riad c.s. daartegen bezwaar hadden gemaakt, heeft de rechtbank bij vonnis van 17 oktober 2012 het verzoek afgewezen.
1.2 De in het vonnis van 5 september 2012 bepaalde comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 4 december 2012. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. De door partijen tevoren toegezonden brieven en producties behoren tot de processtukken.
1.3 Vervolgens heeft ELG c.s. een akte na tussenvonnis genomen en Amasus c.s. een tweetal aktes, bij welke aktes telkens producties waren gevoegd.
1.4 Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling 2.1 In het vonnis van 5 september 2012 is onder meer het volgende vermeld.
2.2 Tussen partijen is in geschil wat de reikwijdte is van het door Nederland gemaakte voorbehoud genoemd in art. 18 lid 1 van het Beperkingsverdrag 1976 (Londen, 19.11.1976; Trb. 1980, 23; LLMC 1976) en welke kostenposten vallen onder de vorderingen als bedoeld in art. 8:752 lid 1 aanhef en onder d en e BW.
2.3 Voor een oordeel hierover is het navolgende van belang.
Elke authentieke taal van het verdrag heeft rechtskracht.
Art. 18 lid 1 van dit verdrag luidt in de Engelse authentieke tekst: "Any State may [..] reserve the right to exclude the application of Article 2, paragraph 1 ( d) and (e). No other reservations shall be admissable to the substantive provisions of this Convention."
Nederland heeft gebruik gemaakt van deze uitsluitingsmogelijkheid en heeft vervolgens de mogelijkheid van een apart wrakkenfonds in zijn wetgeving opgenomen.
In de MvT bij art. 740f, lid 1-3 K staat dat de aansprakelijkheid voor vorderingen terzake van wrakopruiming kan worden beperkt door de vorming van een wrakkenfonds en dat het hierbij gaat om alle vorderingen die zijn ontstaan terzake van het vlotbrengen etc. van een gezonken schip, alsmede alle vorderingen terzake van het verwijderen etc. van de lading. Uit de antwoorden van de ministers op vragen vanuit de vaste Commissie voor Justitie blijkt dat de beperking op grond van art. 740c, lid 1 onder d en e niet alleen ziet op vorderingen op grond van art. 10 Wrakkenwet maar op alle vorderingen terzake van wrakopruiming.
Het Beperkingsverdrag 1976 was de opvolger van dit eerdere verdrag en bouwde daarop voort.
2.4 De omschrijving van de vorderingen wegens opruimingskosten in de Engelse tekst van het Beperkingsverdrag 1976 "claims in respect of" geeft geen aanleiding tot een beperkte uitleg van de betreffende kosten en kan worden vertaald als "vorderingen met betrekking tot". Dit is in lijn met de ruime formulering van het eerdere Beperkingsverdrag 1957 "liability in respect of claims arising [..] from or in connection with".
De Franse tekst is neutraal en wijst niet in andere richting dan de Engelse tekst.
2.5 De kennelijke strekking van het voorbehoud voor opruimingskosten is dat (in elk geval) de aansprakelijkheid van een reder terzake van de kosten die door een vaarwegbeheerder worden gemaakt om een in de vaarweg gezonken schip en zijn lading op te ruimen niet door het stellen van een zakenfonds kan worden beperkt. Niet blijkt dat ten aanzien van die kosten een beperkte reikwijdte is beoogd. Een ruime uitleg door de wetgever van een land dat dit voorbehoud heeft gemaakt is niet in strijd met het doel van de verdragsregeling. Blijkbaar wordt in Duitsland een ruime uitleg gehuldigd.
2.6 De Nederlandse wetgever heeft kennelijk een ruime uitleg voor ogen gehad van de opruimingskosten waarvoor het voorbehoud werd gemaakt en waarvoor de aansprakelijkheid door het stellen van een wrakkenfonds kon worden beperkt: "vorderingen terzake van wrakopruiming in de meest algemene zin" en "alle vorderingen die zijn ontstaan terzake van ..". Deze ruime uitleg was, gezien het voorgaande, toelaatbaar.
2.7 Het buiten toepassing verklaren van het verdrag voor deze opruimingskosten gaf niet alleen de Nederlandse wetgever de mogelijkheid om ter beperking daarvan een wrakkenfonds in te stellen, maar betekende tevens dat ook andere bepalingen van nationaal recht op die betreffende vorderingen konden worden toegepast, zoals die ten aanzien van de kosten bedoeld in art. 6:96, lid 2 BW: redelijke kosten ter voorkoming of beperking van de schade, die ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en die ter verkrijging van voldoening buiten rechte.
2.8 De kosten die zijn verbonden aan het - in het kader van de opruiming van schip en lading - nemen van redelijke maatregelen ter voorkoming of vermindering van schade, zoals door uitstromende olie, moeten op één lijn worden gesteld met kosten van de opruiming van schip, zaken aan boord en lading en deze behoren derhalve tot de wrakopruimingskosten. De rechtbank acht dit niet in strijd met het Beperkingsverdrag 1976.
2.9 Zoals is vermeld in het proces-verbaal van de comparitie van partijen, zijn partijen het eens over de relevante data, in het kort:
13.10.2008 aanvaring en zinken Riad met lading, 14.10 plaatsing onder de Wrakkenwet, 16.10 deel lading overgeslagen in bak VOS10, 17.10 afmeren VOS10 bij Duivelseiland, Dordrecht, 19.10 lichten wrak en plaatsen op ponton Zeevang en overslag rest lading in VOS10, 20-23.10 diverse controles en opruimingswerk, 30.10 vervoer VOS10 naar Vulcaanhaven, Vlaardingen en aldaar wegen en lossen lading op terrein Vulcaanhaven, waarna opslag bij Vulcaanhaven met beroep Staat op retentierecht, 13.3.2009 zekerheidstelling door ELG, 16.3 afgeven lading aan ELG in opdracht Staat, wegen en overslag lading in binnenschip, gevolgd door vervoer lading naar Duisburg.
Verder heeft ELG c.s. beslagen doen leggen op de lading, op de Wisdom en op de Riad.
Er zijn twee kort gedingen gevoerd: tussen ELG c.s. en de Staat en tussen Amasus c.s. en ELG c.s. Op 7.4.2009 heeft de Staat betaling verkregen onder de garantie. De garantie is pas op 15.5.2009 door de Staat geretourneerd.
2.10 Ter toelichting is op de comparitie door haar advocate namens ELG c.s. nog meegedeeld:
De VOS10 met de lading heeft nog enige tijd op de tijdelijke locatie bij het Duivelseiland gelegen, naar ik begrijp omdat de Staat zocht naar een geschikte locatie om de lading op te slaan. Op het moment van de berging was de opslaglocatie bij Vulcaanhaven nog niet geregeld. Waarschijnlijk speelde een rol dat men niet wist in welke staat de lading verkeerde en of deze beschadigd was. Dat moest eerst nog worden bekeken door experts. Daar was tijd mee gemoeid. Na lossing van de lading is de VOS10 teruggebracht naar waar deze vandaan kwam en schoongemaakt. Het wrak van de Riad is op 10 november 2008 verkocht en afgeleverd, nadat op 6 november een bod was uitgebracht.
De juistheid van deze mededelingen van de advocate is niet betwist, zodat daarvan kan worden uitgegaan.
2.11 Wat betreft de kosten van [X] die voor een bedrag van € 22.825,69 zijn opgenomen in de kostenopgave van de Staat, heeft ELG c.s. een verklaring overgelegd van [Z], coördinator operationeel beheer bij Rijkswaterstaat en een verklaring van [Q], manager bij [X] (prods. 29 en 30). In onderling verband bezien, blijkt daaruit - samengevat - het volgende: de wrakopruiming van de Riad en haar lading was een omvangrijke en complexe operatie, waarbij vele partijen betrokken waren en die te groot was om alleen met begeleiding van Rijkswaterstaat te doen plaatsvinden. Rijkswaterstaat heeft zelf niet de specialistische kennis in huis voor een dergelijke wrakopruiming, zodat deze specialistische kennis moest worden ingehuurd. Rijkswaterstaat heeft [X] verzocht deze wrakopruiming te begeleiden, nu deze beschikte over de vereiste kennis op de relevante gebieden. Deze experts hebben overlegd met het bergingsbedrijf GPS en andere betrokken partijen over de meest efficiënte en veilige werkwijze en hebben Rijkswaterstaat geadviseerd over de werkwijze en de te nemen maatregelen. Tevens hebben zij Rijkswaterstaat geadviseerd over de opslag van de lading op een beveiligde locatie met voldoende capaciteit. De conclusie is dat het inschakelen van [X] noodzakelijk was om de wrakopruiming verantwoord, veilig en efficiënt te laten verlopen en om kosten te besparen. Als productie 9 bij repliek zijn stukken betreffende deze opdracht overgelegd en als productie 24 ter comparitie stukken betreffende de ter uitvoering daarvan verrichte werkzaamheden.
2.12 De rechtbank acht deze verklaringen, waartegen geen concrete bezwaren zijn ingebracht, overtuigend en de in rekening gebrachte bedragen voldoende aannemelijk, zodat de kosten van [X] kunnen worden beschouwd als redelijke en in redelijkheid gemaakte opruimingskosten.
2.13 Uit de feitelijke gegevens volgt dat de geborgen lading eerst, in twee etappes, is gedeponeerd en opgeslagen in een daartoe gehuurde bak VOS10, die enige tijd bij het Duivelseiland bij Dordrecht heeft gelegen en dat - toen een geschikte locatie was gevonden - de beladen bak is vervoerd naar Vulcaanhaven B.V. in Vlaardingen, waar de lading uit de bak is gelost en gewogen en aldaar is opgeslagen, zulks naar valt aan te nemen in opdracht van de Staat (zie prod. 11 bij repliek).
2.14 De Staat heeft zich jegens ELG c.s. beroepen op haar retentierecht en haar bevoegdheid om de geborgen lading te verkopen om zich daarop voor de opruimingskosten te verhalen, overeenkomstig de bepalingen van de Wrakkenwet (vgl. artt. 5-7). De Staat verlangde zekerheid voor alle bergingskosten. ELG c.s. wilde aanvankelijk alleen zekerheid stellen voor de kosten van het bergen van de lading. Daarover is een kort geding gevoerd, waarin is geoordeeld dat de Staat zekerheid kon vragen voor de totale bergingskosten. Die zekerheid is vervolgens verschaft. De periode van opslag heeft geduurd van 31 oktober 2008 t/m 16 maart 2009, op welke datum door ELG c.s. de verlangde garantie was afgegeven en de lading aan ELG c.s. werd vrijgegeven. De kosten van deze opslag zijn door de Staat ook onder de garantie geïncasseerd.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen ook deze kosten van Vulcaanhaven B.V. van in totaal € 7.237,08 nog worden gerekend tot de opruimingskosten in de zin van het verdrag en de Nederlandse regeling volgens de hiervoor beschreven ruime uitleg.
2.15 Op het voetspoor van het vonnis van 5 september 2012 onder 6.17 - 6.21 betekent dit dat de door ELG c.s. voldane kosten van de Staat van € 560.790,72 volledig kunnen worden aangemerkt als opruimingskosten waarvoor het wrakkenfonds is gesteld.
2.16 Vervolgens komen de overige door ELG c.s. opgevoerde kosten aan de orde.
2.17 Terzake van expertisekosten van Interlloyd Averij B.V. en [W] zijn bedragen opgevoerd van in totaal € 19.724,25 (zie facturen prod. 12 bij repliek van ELG c.s.). ELG c.s. heeft deze kosten toegelicht ter comparitie en in haar akte na tussenvonnis (onder 36-45). Dat komt erop neer dat ladingbelanghebbenden na de aanvaring Interlloyd hebben ingeschakeld, die zich als ladingexpert ten tijde van de wrakopruiming heeft bezig gehouden met de conditie van de lading en heeft geadviseerd over de eigenschappen daarvan en hoe met de lading om te gaan bij de berging; op 16 en 17 oktober 2008 werd de wrakopruiming bijgewoond. Inclusief kosten van het reizen en van gemaakte foto's, is daarvoor € 1.844,25 in rekening gebracht. Daarnaast heeft Interlloyd tot 20 mei 2009 contacten onderhouden met ladingbelanghebbenden, alle andere partijen en autoriteiten betreffende (de toedracht van) de aanvaring en de wrakopruiming, waarvoor € 9.750,- in rekening is gebracht. Zelf op dat gebied niet deskundig zijnde, heeft Interlloyd tevens [W] ingeschakeld als casco-deskundige, die de wrakopruiming op een aantal dagen heeft bijgewoond en die heeft geadviseerd over de omstandigheden en oorzaak van de aanvaring, over de wijze van wrakopruiming en over de wrakopruimingskosten, de toestand van de Riad en haar inboedel, de reparatiekosten en de waarde van het wrak. Daarvoor is € 7.180,- in rekening gebracht.
Dat de experts de genoemde activiteiten hebben verricht, is niet bestreden.
2.18 De rechtbank acht het redelijk dat ladingbelanghebbenden eigen experts hebben ingeschakeld voor het adviseren over en het bijwonen van de opruiming van wrak en lading. Aannemelijk is dat bij deze werkzaamheden het opruimingsaspect overheersend was, zodat de kosten daarvan behoren te worden gerekend tot de opruimingskosten. De daarvoor in rekening gebrachte kosten van € 1.844,25 en € 7.180,-, samen € 9.024,25 komen redelijk voor.
Ten aanzien van de overige door Interlloyd in rekening gebrachte kosten - "75,00 office hours" - is onvoldoende toegelicht op welke werkzaamheden deze betrekking hadden en waarom daarbij het opruimingsaspect overheersend was, zodat niet aannemelijk is geworden dat deze redelijkerwijs zijn gemaakt in verband met de wrakopruiming. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de opruiming van de lading op 16 maart 2009 ten einde was, op welke dag de lading aan ELG c.s. werd afgegeven, terwijl de bemoeienissen van Interlloyd nog doorliepen tot 20 mei 2008. Dit deel van de kosten kan derhalve niet in het wrakkenfonds worden ingediend.
2.19 De bemoeienis van de Staat met het opruimen van het wrak en de lading ferrochroom eindigde met het afgeven van de geborgen lading aan ELG c.s. op 16 maart 2009. De opruiming van de lading was toen ten einde, ook al was deze lading nog niet op haar eindbestemming. Anders dan ELG c.s. en Riad c.s. menen, behoren de kosten van de garantie, de overslag door Vulcaanhaven van de lading ferrochroom in het ms. Tamara, de supervisie door RC Inspection bij de overslag en het transport van de lading met de Tamara naar Duisburg door Global Bulk Logistic niet meer tot de kosten van het opruimen van de gezonken lading. Deze kosten horen daarom niet thuis in het wrakkenfonds.
2.20 Ten aanzien van de advocaatkosten van € 84.094,42 zijn twee declaraties overgelegd die geen enkele specificatie bevatten (bijlage 8 van prod. 3 bij eis tot verificatie).
De toelichting daarop van de zijde van ELG c.s. is zeer summier, ook nadat ELG c.s. daartoe opnieuw in de gelegenheid was gesteld. Zie de brief vóór de comparitie d.d. 6 november 2012. Ter comparitie is nog meegedeeld dat de advocaten niet aanwezig zijn geweest bij de berging zelf, maar wel volop hebben gediscussieerd met Amasus c.s. en de Staat. Niet blijkt dat - en eventueel: welk deel van - de advocaatkosten betrekking hebben op de opruiming van wrak en lading.
2.21 Voor zover de advocaatkosten betrekking hebben op het dispuut met de Staat over de afgifte van de geborgen lading en de daarvoor te stellen zekerheid, inclusief het leggen van een beslag tot afgifte en het voeren van een kort geding, kunnen deze kosten naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als kosten met betrekking tot de opruiming van wrak en lading. Dat geldt in nog sterkere mate voor activiteiten in verband met het aansprakelijk stellen van Amasus c.s. en Riad c.s. voor de aanvaring en de schadelijke gevolgen daarvan en het terzake verkrijgen van zekerheid. Werkzaamheden in het kader van het stellen van een wrakkenfonds, de beperkingsprocedure en de onderhavige renvooiprocedure zijn geen opruimingskosten die kunnen worden ingediend in het wrakkenfonds.
De advocaatkosten dienen daarom in hun geheel buiten het wrakkenfonds te blijven.
2.22 De slotsom is dat ELG c.s. als schuldeiser in het wrakkenfonds moet worden toegelaten tot een bedrag van in totaal € 569.814,97 (560.790,72 + 9.024,25).
Amasus c.s. zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van ELG c.s., tot op deze uitspraak begroot op € 12.900,- (5 pnt. à € 2.580,-) aan advocaatkosten, alsmede in de kosten van Riad c.s., tot op deze uitspraak begroot op € 5.160 (2 pnt. à € 2.580,-) aan advocaatkosten.
3De beslissing De rechtbank, bepaalt dat ELG c.s. als schuldeiser in het wrakkenfonds moet worden toegelaten tot een bedrag van € 569.814,97; veroordeelt Amasus c.s. in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van ELG c.s begroot op € 12.900,-; wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr Van Zelm van Eldik en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2013.
10/32