RECHTBANK ROTTERDAM Team Bestuursrecht 3 zaaknummer:ROT 12/4906 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2013 in de zaak tussen [eiseres], wonende te Rotterdam, eiseres, en Belastingdienst/Toeslagen, verweerder, gemachtigde: [gemachtigde] Procesverloop Bij besluit van 14 augustus 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de kinderopvangtoeslag 2009 definitief berekend en op nihil vastgesteld. Bij besluit van 4 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. De zaak is op 23 mei 2013 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld. Eiseres is ter zitting verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Overwegingen 1.
- Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres over het jaar 2009 geen recht heeft op kinderopvangtoeslag, omdat een ondertekende (kopie van de) overeenkomst tussen eiseres en het gastouderbureau Dadim (het gastouderbureau) ontbreekt en eiseres niet heeft aangetoond dat zij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt door een eigen bijdrage aan de gastouders te betalen. 1.
- Eiseres is van mening dat zij voldaan heeft aan alle aan vraagouders gestelde voorwaarden en daarom recht heeft op kinderopvangtoeslag over
- Volgens eiseres blijkt het recht op kinderopvangtoeslag uit de in beroep overgelegde overeenkomsten tussen het gastouderbureau en eiseres van 1 mei 2009 en 1 oktober
- Voorts betoogt eiseres dat de betaling van de opvangkosten blijkt uit de overgelegde maandoverzichten van
- 2.1 De rechtbank oordeelt als volgt. 2.
- In het dossier bevindt zich een schrijven van verweerder van 24 december
- Daarin staat dat eiseres geen recht heeft op kinderopvangtoeslag 2009 en dat eiseres het voorschot over 2009 moet terugbetalen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat deze brief van 24 december 2010 een vooraankondiging van een nihil beschikking betreft. 2.
- De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling. In dit schrijven staat nergens aangegeven dat het hier om een ‘voorgenomen besluit’ zou gaan. Rechts bovenaan op het stuk staat expliciet vermeld dat het om een ‘beschikking’ gaat. Daarnaast bevat dit schrijven een rechtsmiddelenclausule. In de brief staat vermeld dat indien eiseres het niet eens is met de beslissing, zij binnen zes weken na dagtekening, te weten 24 december 2010, bezwaar kan maken. 2.
- De rechtbank merkt dit schrijven dan ook aan als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met dit schrijven is definitief beslist op de aanvragen om kinderopvangtoeslag
- 2.
- De rechtbank constateert dat eiseres geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen dit besluit. Daarmee is dit besluit rechtens onaantastbaar geworden. 2.
- De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit identiek is aan het besluit van 24 december
- Laatstgenoemd besluit is niet gewijzigd of ingetrokken. Het primaire besluit roept dus geen rechtsgevolgen in het leven en is om die reden geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. 2.
- Uit artikel 8:1 gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb volgt dat alleen tegen besluiten bezwaar kan worden gemaakt. De vaststelling dat het primaire besluit ‘geen besluit is in de zin van de Awb’ brengt dus mee dat eiseres niet kan worden ontvangen in haar bezwaar gericht tegen het primaire besluit. Dit betekent dat verweerder, bij het bestreden besluit, eiseres ten onrechte in haar bezwaar heeft ontvangen. Gelet hierop komt het bestreden besluit in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met de wet. Het beroep is gegrond. 2.
- De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72 van de Awb, het geschil finaal te beslechten door te bepalen dat het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk wordt verklaard. 3.
- Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. 3.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42 aan eiseres te vergoeden. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.