Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/710102-12 Datum uitspraak: 25 juli 2013 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats], zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht, raadsvrouw mr. L.M. Verkuil (hierna: de verdediging) advocaat te Rotterdam. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 en 14 juni 2013 en op 11 juli 2013. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. EIS OPENBAAR MINISTERIE De officieren van justitie mrs. C.J.A. van der Maas en W.D. de Boer (hierna: de officier van justitie) hebben gerekwireerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde. MOTIVERING VRIJSPRAAK Standpunt openbaar ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Oordeel rechtbank Het dossier bevat een aantal omstandigheden dat zou kunnen duiden op de betrokkenheid van de verdachte bij het incident, dat op 28 januari 2010 op de Malledijk te Spijkenisse heeft plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer 1] zwaar letsel heeft opgelopen en waaraan zij enige dagen later is overleden. Een van die omstandigheden is het opgenomen gesprek van de medeverdachte [medeverdachte] met zijn zus [getuige 1], gevoerd in de penitentiaire inrichting op 20 december 2011. In dit gesprek zegt de medeverdachte, nadat is gesproken over de zaak Zargar, onder meer: “die klootzak als hij nou gaat lullen over die andere”. Vervolgens gaat het gesprek over de zaak Malledijk. Omdat de verdachte toen in de zaak Zargar al belastend over de medeverdachte had verklaard, gaat de rechtbank ervan uit dat met “die klootzak” de verdachte wordt bedoeld en met “die andere” de vervolgens besproken zaak, de zaak Malledijk. De passage in het gesprek die dan volgt, althans het deel dat daarvan is verstaan en uitgewerkt, bevat geen aanwijzing dat de verdachte een rol of aandeel heeft gehad in de zaak Malledijk. Over de verdachte wordt dan niet meer gesproken. Hooguit zou uit deze passage kunnen worden afgeleid dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de zaak Malledijk. De zus van de medeverdachte heeft daar anders over verklaard. Zij was daarbij stellig in haar overtuiging dat de medeverdachte haar in dit gesprek heeft verteld dat hij samen met de verdachte verantwoordelijk is voor hetgeen [slachtoffer 1] is overkomen. Naar aanleiding van haar verklaringen is het gesprek van 20 december 2011 diverse malen opnieuw uitgeluisterd en tegen het licht gehouden. De politie kan de door [getuige 1] gedane beweringen, daar waar het volgens haar over de rol van de verdachte zou zijn gegaan, echter niet terugvinden in de opnames van het afgeluisterde gesprek. Ook [getuige 1] had in haar verklaringen bij de politie moeite om aan te geven waar in het gesprek de bedoelde uitlatingen door haar broer zouden zijn gedaan en daarnaast heeft zij hierover niet steeds even consequent verklaard. Hetgeen [getuige 1] heeft verklaard over de rol van de verdachte kan derhalve niet worden geborgd in de bevindingen van de politie ten aanzien van dit gesprek; dit in tegenstelling tot hetgeen [getuige 1] heeft verklaard over de rol van haar broer in deze zaak. Dit klemt te meer nu het, ook voor de rechtbank, duidelijk is dat [getuige 1] een belang heeft bij het verklaren over de verdachte, zoals zij heeft gedaan. Uit opgenomen (telefoon)gesprekken maar ook uit haar eigen verklaring blijkt dat zij wil dat niet alleen haar broer zal opdraaien voor de aan hem ten laste gelegde feiten. Het geheel maakt dat de verklaringen van [getuige 1], waar het de rol van de verdachte betreft, met uiterste behoedzaamheid dienen te worden beoordeeld. Een andere omstandigheid die mogelijk in de richting van de verdachte zou kunnen wijzen, is het feit dat twee getuigen op 28 januari 2010 op de Malledijk een tweetal personen heeft zien lopen. Eén daarvan voldoet aan het signalement van de medeverdachte en van de andere persoon is een signalement gegeven dat zou kunnen passen bij dat van de verdachte. Gezien het feit dat diverse getuigen hebben verklaard dat de verdachte en de medeverdachte ook in die tijd veel met elkaar omgingen en regelmatig rondhingen in of rond het Mallebos, is het niet verwonderlijk dat gezien de combinatie van deze signalementen in de richting van de verdachte is gekeken. Echter, nu het door de getuigen opgegeven signalement heel gangbaar en weinig specifiek is - het past bij veel jongens van ongeveer dezelfde leeftijd - kan enkel op basis hiervan niet worden vastgesteld dat de verdachte op 28 januari 2010 op de Malledijk was. Hierin kan dan ook geen steun worden gevonden voor de verklaring van [getuige 1]. Tot slot zijn er enkele uitlatingen door de medeverdachte gedaan tegenover medegedetineerden. Wat er verder ook van deze uitlatingen zij, ze zijn in ieder geval onvoldoende specifiek om op grond daarvan aan te nemen dat de verdachte als mededader van de zaak Malledijk dient te worden aangemerkt. Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank, evenals de officier van justitie en de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Hij dient daarvan te worden vrijgesproken. VOORLOPIGE HECHTENIS Aangezien de rechtbank tot vrijspraak komt van het ten laste gelegde zal, zoals door de verdediging is verzocht, het op 19 september 2012 gegeven bevel tot voorlopige hechtenis met betrekking tot dit ten laste gelegde feit (zaakdossier Malledijk) worden opgeheven. De rechtbank merkt daarbij op dat de voorlopige hechtenis ten aanzien van de andere bij afzonderlijk vonnis van heden bewezenverklaarde feiten van rechtswege doorloopt. BESLISSING De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden. Dit vonnis is gewezen door: mr. W.L. van der Bijl-de Jong, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. C. Laukens, rechter, en mr. J.J.I. de Jong, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juli 2013. Bijlage bij vonnis van 25 juli 2013: TEKST TENLASTELEGGING Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat (zaak Malledijk) hij op of omstreeks 28 januari 2010 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en of zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.