RECHTBANK ROTTERDAM Team straf 3 parketnummer: 10/681162-13 [Promis] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 juli 2013 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Egypte) op [geboortedatum] 1965, wonende te [adres en woonplaats], thans gedetineerd in de PI Dordrecht, hierna: verdachte. Raadsvrouw mr. M. Sari-Shaaban, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 juli 2013, waarbij de officier van justitie mr. S.M. Scheer, de verdachte en zijn raadsvrouw hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij. Het slachtoffer heeft gebruik gemaakt van het spreekrecht. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is ter terechtzitting van 16 juli 2013 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1, primair: op 2 april 2013 te Dordrecht, heeft geprobeerd - al dan niet met voorbedachten rade - [benadeelde partij 1] te doden; feit 1, subsidiair en meer subsidiair: op 2 april 2013 te Dordrecht, door het steken en/of snijden met een mes, al dan niet met voorbedachten rade [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, althans dat hij heeft geprobeerd toen en daar al dan niet met voorbedachten rade [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen; feit 2: op 2 april 2013 te Dordrecht, [benadeelde partij 1] heeft bedreigd; feit 3: op 2 april 2013 te Dordrecht, [benadeelde partij 2] heeft bedreigd; feit 4: op 4 april 2013 te Dordrecht, een voorwerp, dat door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een pistool, en derhalve een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad. 3De voorvragen De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen. De ontvankelijkheid van de officier van justitie. Het standpunt van de verdediging Door en namens verdachte is betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in haar vervolging. Verdachte en zijn raadsvrouw hebben daartoe verwezen naar het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 april 2013, en betoogd dat de antwoorden niet aansluiten op de vraagstelling en er mitsdien – naar de rechtbank begrijpt – sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft betoogd dat de raadsvrouw en verdachte geen omstandigheden naar voren hebben gebracht waardoor de conclusie gerechtvaardigd zou zijn dat het dossier niet in orde is. Van enig vormverzuim kan derhalve geen sprake zijn. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie als een in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is vereist dat het vormverzuim eruit bestaat dat de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekort gedaan (het Zwolsman-criterium). De rechtbank zal aldus allereerst moeten beoordelen of er sprake is van een vormverzuim. Verdachte is in het voorbereidend onderzoek door de politie drie keer uitgebreid verhoord (2, 3 en 12 april 2013) en is de Nederlandse taal machtig. De rechtbank constateert dat verdachte het desbetreffende proces-verbaal van verhoor d.d. 3 april 2013 heeft ondertekend en elke bladzijde van dat proces-verbaal heeft geparafeerd. Eerst ter terechtzitting heeft verdachte betoogd dat een aantal antwoorden in dat proces-verbaal niet aansluiten op de vragen die zijn gesteld. Verdachte heeft ter onderbouwing gewezen op een tweetal passages uit het verhoor en gesteld dat hij niet denkt dat de politie zelf iets heeft verzonnen maar dat zij de verkeerde antwoorden bij de verkeerde vragen hebben opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben verdachte en zijn raadsvrouw geen omstandigheden gesteld waaruit het gegronde vermoeden zou kunnen voortvloeien dat de verhoren van de verdachte in het voorbereidend onderzoek niet op zorgvuldige en deskundige wijze zijn afgenomen en in het proces-verbaal ervan zijn weergegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet gebleken van enig vormverzuim zodat de rechtbank het verweer reeds om die reden verwerpt en de officier van justitie ontvankelijk acht in haar vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht feit 1, in de (impliciet) primaire vorm, alsmede de feiten 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3 heeft zij zich daarbij gebaseerd op de aangiften van [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1]) en [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2]) en de getuigenverklaringen van die [benadeelde partij 2], [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], betreffende het verloop van het gesprek op 2 april 2013 en het daarop volgende, door verdachte gepleegde, geweld richting de aanwezigen. De officier van justitie baseert zich voorts op de verklaringen van de verbalisanten (die als eersten ter plaatse kwamen) en de FARR-arts betreffende de verwonding van [benadeelde partij 1] alsmede op de verklaringen van verdachte zelf. Tenslotte baseert zij zich op de diverse getuigenverklaringen betreffende het door verdachte gebruikte mes, de in de woning van verdachte aangetroffen verpakking van een mes en de getuigenverklaring van de [getuige 4]. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de opgesomde bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 volgt dat verdachte door het steken/snijden met het mes, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daarmee vitale delen zouden worden geraakt en het slachtoffer dientengevolge zou overlijden zodat het handelen naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een poging is om iemand opzettelijk van het leven te beroven. Daarnaast was er volgens de officier van justitie ook sprake van voorbedachten rade, hetgeen onder meer volgt uit de omstandigheid dat verdachte het mes een aantal weken voor het gesprek heeft gekocht, dat verdachte vooraf allerlei fantasieën had over het verwonden/doden van medewerkers van [instelling] en [benadeelde partij 1] in het bijzonder, dat [benadeelde partij 1] het doelwit was terwijl hij zich in het gesprek min of meer op de achtergrond hield en het geweld richting [benadeelde partij 1] ontstond op een moment waarop het gesprek rustig verliep. Uit de bewijsmiddelen kan naar de mening van de officier van justitie eveneens worden afgeleid dat verdachte [benadeelde partij 1] woordelijk heeft bedreigd en dat hij [benadeelde partij 2], met een mes in zijn handen, woordelijk heeft bedreigd. Wat feit 4 betreft baseert de officier van justitie zich op het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming en een proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat er in de woning van verdachte een neppistool is aangetroffen, vallend onder de categorie I, lid 7 van de Wet wapens en munitie. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw daartoe betoogd dat geen sprake was van voorbedachten rade. Het geheel is in een flits gebeurd en niemand zag het aankomen. De omstandigheid dat verdachte met een mes naar het gesprek is gekomen is geen aanleiding om tot een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachten rade te komen omdat verdachte sinds 2000 met een mes op zak loopt vanwege zijn eigen bescherming, aldus de raadsvrouw. Verder acht de raadsvrouw de verklaringen van de in de kamer aanwezige personen ([getuige 1] en [benadeelde partij 2]) onbetrouwbaar zodat deze niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Zo noemt getuige [getuige 1] in haar tweede verklaring details omtrent de geuite bedreigingen en het mes die zij in haar eerdere verklaring niet heeft genoemd en verklaart [benadeelde partij 2] over stekende bewegingen terwijl hij eerder heeft verklaard dat hij dat niet heeft gezien. Ten aanzien van dit feit heeft de raadsvrouw ten slotte betoogd dat de opzet op de dood van het slachtoffer niet bewezen kan worden. Verdachte heeft geen stekende bewegingen gemaakt, maar heeft uitsluitend met het mes gezwaaid in de richting van de in de ruimte ook aanwezige plant. Het zwaaien met het mes heeft niet tot doel gehad om het slachtoffer van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het is aannemelijk dat het letsel van het slachtoffer is ontstaan doordat hij – toen hij het mes zag – trappende bewegingen in de richting van verdachte heeft gemaakt en zijn knie door het mes is geraakt, terwijl voorts niet valt uit te sluiten dat de verwonding zoals getoond en beschreven in het dossier, veroorzaakt is door het nadien uitgevoerde chirurgisch ingrijpen. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsvrouw betoogd dat de woorden die verdachte tegen [benadeelde partij 1] heeft gebezigd, niet bedoeld waren als bedreiging maar als waarschuwing omtrent de wijze waarop met de belangen van zijn zoon werd omgesprongen. Gelet op de onbewogen reactie van [benadeelde partij 1] hebben de gekozen woorden kennelijk niet de vrees veroorzaakt die nodig is voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, aldus de raadsvrouw. Ten aanzien van de bedreiging van [benadeelde partij 2] ontbreekt naar de stelling van de raadsvrouw voorts het wettig en overtuigend bewijs, nu verdachte slechts tegen [benadeelde partij 2] heeft gezegd dat hij zijn werk moest doen. Daarbij had hij het mes vanwege het eerdere incident in zijn handen. Hij had het mes niet op [benadeelde partij 2] gericht. Tenslotte heeft de raadsvrouw ten aanzien van feit 4 betoogd dat verdachte betwist dat de in zijn woning aangetroffen aansteker zodanig op een wapen lijkt, dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt zou zijn. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Motivering bewezenverklaarde Bij dit vonnis is als bijlage II een overzicht gevoegd van de bewijsmiddelen inhoudende de redengevende feiten en omstandigheden die tot het bewijs van de hierna weergegeven bewezenverklaring hebben bijgedragen. De rechtbank overweegt ten aanzien van de ten laste gelegde feiten en de ter zake gevoerde bewijsverweren het navolgende. Feit 1 De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 2 april 2013 heeft schuldig gemaakt aan de poging tot moord op [benadeelde partij 1] en overweegt daartoe het volgende. Uit de bewijsmiddelen volgt dat er op 2 april 2013 een gesprek heeft plaatsgevonden in het kader van de schoolkeuze van de zoon van verdachte. Bij dit gesprek waren naast verdachte en [benadeelde partij 1], tevens [benadeelde partij 2] en [getuige 1] aanwezig. Tijdens dit gesprek, dat plaats vond in een krappe ruimte, zaten verdachte, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] aan de ene kant van de tafel – waarbij [benadeelde partij 1] tussen verdachte en [benadeelde partij 2] zat – en [getuige 1] aan de andere kant. [benadeelde partij 2] leidde het gesprek, waarbij [benadeelde partij 1] zich zoveel mogelijk afzijdig hield. heeft verklaard dat het gesprek op zijn einde liep toen verdachte opeens vanachter zijn rug een groot mes tevoorschijn haalde en daarmee – schuin van boven naar beneden – en slaande/stekende beweging in de richting van zijn borst maakte. [benadeelde partij 1] ging in een reflex naar achteren en viel met zijn stoel achterover, waarbij hij met het mes aan zijn been geraakt werd. Verdachte is daarna – terwijl [benadeelde partij 1] op de grond lag – meerdere keren op hem af gekomen en heeft stekende bewegingen gemaakt in zijn richting, die [benadeelde partij 1] heeft afgeweerd door te schoppen. [benadeelde partij 1] heeft een schoen overgelegd met daarin een snee aan de boven- en onderzijde. [benadeelde partij 1] heeft het verloop van de gebeurtenissen zoals hiervoor weergegeven niet alleen in zijn aangifte geschetst maar, blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die als eerste ter plaatse waren, ook gelijk na het incident op de plaats delict. [getuige 1] heeft in haar verklaring het verloop van het gesprek bevestigd en tevens dat verdachte op een totaal onverwacht moment van achter zijn rug een groot mes pakte, zich naar [benadeelde partij 1] richtte en het mes omhoog hief. [getuige 1] is op dat moment hulp gaan halen buiten de gespreksruimte. [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat hij [getuige 1]) zag opspringen en de ruimte uit zag rennen. Toen hij naar [benadeelde partij 1] keek zag hij dat deze op de grond lag en toen al gewond was aan zijn knie. Verdachte stond met het mes naar [benadeelde partij 1] te dreigen. Verdachte heeft de ruimte verlaten toen de toegesnelde collega’s van [getuige 1] de spreekruimte binnenkwamen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verklaringen van de getuigen [benadeelde partij 2] en [getuige 1] innerlijk tegenstrijdig zouden zijn of anderszins onbetrouwbaar. De rechtbank verwerpt het verweer. De rechtbank stelt vast dat verdachte wisselend heeft verklaard over het steken en het moment waarop [benadeelde partij 1] op de grond viel. In het verhoor van 3 april 2013 heeft verdachte verklaard dat hij het mes van achter zijn rug uit het foudraal haalde, dat hij ‘drie keer met het mes heeft gedaan’ en dat [benadeelde partij 1] op de grond kwam omdat hij hem met het mes had geraakt. Ook heeft hij verklaard dat hij [benadeelde partij 2] eigenlijk ook moest hebben maar dat de man die binnenkwam het verstoorde. Als de man niet was binnengekomen waren ze allebei dood geweest. Later in het verhoor verklaart verdachte dat hij [benadeelde partij 1] bewust probeerde te raken op zijn armen en benen, nadat [benadeelde partij 1] – door de dreiging met het mes – achterover was gevallen. Verdachte zegt dat hij zich eerder heeft ingebeeld hoe hij het mes bij [benadeelde partij 1] volop in zijn borst zou zetten en het dan zou draaien. Verdachte had gezien dat het mes scherp was en bij [benadeelde partij 1] zijn werk had gedaan omdat er een diepe wond zat. Tenslotte heeft verdachte in dat verhoor verklaard dat hij [benadeelde partij 2] eerder had gewaarschuwd dat hij, verdachte, [benadeelde partij 1] met een mes zou snijden als hij zou doorgaan. In het verhoor van 12 april 2013 heeft verdachte verklaard dat [benadeelde partij 1] al gevallen was op het moment dat verdachte het mes uit zijn broeksband pakte, dat hij daarna een zwaaiende beweging heeft gemaakt met het mes en twee of drie keer heeft gestoken (en [benadeelde partij 1] één keer heeft geraakt). Ter terechtzitting heeft verdachte nogmaals herhaald dat [benadeelde partij 1] al op de grond lag terwijl hij het mes uit het foudraal haalde en dat hij, verdachte, met het mes zwaaiende bewegingen in de richting van de plant heeft gemaakt. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [benadeelde partij 1], [getuige 1] en [benadeelde partij 2] op elkaar aansluiten en elkaar bevestigen. [benadeelde partij 1] heeft immers verklaard dat hij nog zat terwijl verdachte het mes omhoog hield en dit wordt bevestigd door [getuige 1]. [benadeelde partij 2] verklaart dat [benadeelde partij 1] al gewond was aan zijn been toen hij achterover was gevallen.Dit strookt niet met de verklaring van verdachte dat [benadeelde partij 1] al gevallen was terwijl hij het mes uit zijn broeksband haalde. Gelet op het vorenstaande en mede gelet op de ter terechtzitting getoonde 3D-visualisatie acht de rechtbank de lezing van [benadeelde partij 1] aannemelijk en gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte het mes heeft gepakt, dit boven zijn schouder heeft geheven en daarmee een zwaaiende/stekende (Z) beweging in de richting van het bovenlichaam van [benadeelde partij 1] heeft gemaakt. De rechtbank acht het aannemelijk dat [benadeelde partij 1] gedurende die beweging achteruit is gedeinsd en gevallen en – doordat zijn knieën door de val met de stoel omhoog kwamen terwijl zijn lichaam achterover viel – de verwonding aan de knie is ontstaan. De rechtbank acht het voorts aannemelijk dat verdachte nadien – toen [benadeelde partij 1] inmiddels op de grond lag – enkele malen een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van [benadeelde partij 1], die deze heeft afgeweerd met zijn voet. Dat verdachte de stekende bewegingen niet in de richting van het slachtoffer zou hebben gemaakt maar in de richting van de plant – zoals door de verdediging gesteld – acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [benadeelde partij 1] door het steken een forse wond aan zijn linkerknie heeft opgelopen waarbij een deel van de knieschijf en van het kniekapsel is afgesneden en een slagaderlijke bloeding is veroorzaakt. Volgens de FARR-verklaring past het letsel bij een snijwond met een zeer scherp voorwerp. De stelling van de verdediging dat de wond zou zijn veroorzaakt door chirurgisch ingrijpen ontbeert enige vorm van onderbouwing en behoeft reeds daarom geen verdere bespreking. Overigens vindt de stelling geen steun in de genoemde FARR-verklaring en in het bij de vordering benadeelde partij overgelegde operatieverslag. In de woning van verdachte is een verpakkingsdoos van een mes, merk Fosco Industries aangetroffen. [getuige 4] heeft de doos herkend aan de prijssticker en heeft voorts verklaard dat hij een dergelijk mes kort voor 2 april heeft verkocht aan een man. Als hem een foto van verdachte wordt getoond verklaart de verkoper dat hij zeker in de winkel is geweest, dat het geen vaste klant van hem is en dat hij niet met zekerheid durft te zeggen dat het de man op de foto is geweest die dat mes kocht. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zeker weet dat hij één keer in [getuige 4] is geweest en voorts dat hij toen het mes heeft gekocht waarvan de doos in zijn woning is aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat dat 6 – 8 maanden of nog langer geleden was. De rechtbank acht het op grond van het vorenstaande aannemelijk dat verdachte bij het steekincident op 2 april 2013 gebruik heeft gemaakt van het mes dat hij kort daarvoor bij de dumpshop in Dordrecht heeft gekocht. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat het onaannemelijk is dat de winkeleigenaar verdachte van een foto zou herkennen als zijn eenmalige bezoek aan die winkel zo lang geleden zou hebben plaatsgevonden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het gaat om een mes met een totale lengte van 37 cm, een lemmet van 23 cm en een breedte van 4,2 cm, met daarop een stootplaat. Een beschrijving die overigens overeenstemt met hetgeen [benadeelde partij 1] en de getuigen daarover hebben verklaard. Uit het voorgaande – in samenhang bezien - volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht waren op de dood van het slachtoffer, dat de verdachte opzettelijk moet hebben gehandeld. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte niet alleen opzet heeft gehad op de dood van [benadeelde partij 1] maar dat er ook sprake was van voorbedachten rade. Immers uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het gesprek zich in een afrondende fase bevond en de spanning die eerder was ontstaan inmiddels was weggeëbd. Op dat moment heeft verdachte zijn mes gepakt en ingestoken op [benadeelde partij 1] terwijl deze nu juist geen leidende rol in het gesprek innam, maar zich – gelet op eerdere ervaringen met verdachte – min of meer stil hield. Daarnaast heeft de rechtbank hierboven vastgesteld dat verdachte het mes waarmee hij [benadeelde partij 1] heeft aangevallen, kort daarvoor heeft gekocht. Ten slotte kan uit de diverse verhoren van verdachte worden opgemaakt dat hij een langdurig meningsverschil met [instelling] had en redelijk concrete fantasieën had over mogelijke wraakacties richting medewerkers van [instelling]. Zo heeft verdachte onder meer verklaard dat hij op het punt heeft gestaan een receptioniste te gijzelen, het gebouw van [instelling] op te blazen, etc… Deze wraakfantasieën hebben zich ook specifiek op [benadeelde partij 1] gericht. Verdachte heeft verklaard dat hij vooraf had bedacht hoe hij [benadeelde partij 1] zou steken en voorts heeft hij [benadeelde partij 2] bij een huisbezoek gewaarschuwd dat hij [benadeelde partij 1] zou steken. De voornoemde omstandigheden strekken zich in meer en mindere mate uit over een geruime periode. Gedurende deze hele periode heeft verdachte de tijd gehad om zich te beraden op het besluit om [benadeelde partij 1] te steken en heeft hij de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en heeft hij de mogelijkheid gehad zich daar rekenschap van te geven. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat het handelen van verdachte het resultaat is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging. Naar het oordeel van de rechtbank kan het voorgaande niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Dat een en ander in een flits is gebeurd en niemand het zag aankomen – zoals gesteld door de verdediging - doet aan het vorenstaande niet af. Deze omstandigheid is naar het oordeel van de rechtbank – zoals hiervoor reeds genoemd – immers juist een aanwijzing dat er sprake was van een – relatief – ontspannen sfeer en er bij verdachte geen sprake was van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. Feit 2 De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde partij 1] – in een eerdere fase van het gesprek - heeft bedreigd met de dood. Zowel uit de verklaring van [benadeelde partij 1] als van verdachte volgt, dat verdachte, tijdens het gesprek over de schoolgang van de zoon van verdachte, tegen die [benadeelde partij 1] heeft gezegd: “Ik snij van jou nog eens jouw kop eraf”. Dat de woorden niet bedoeld waren als bedreiging doet, wat daar overigens van zij, aan het voorgaande niet af. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gekozen bewoordingen, onder de omstandigheden waarin deze zijn geuit van dien aard dat deze bij [benadeelde partij 1] de redelijke vrees hebben doen ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. De conclusie van de raadsvrouw dat de bedreigingen bij het slachtoffer geen vrees hebben veroorzaakt omdat hij rustig bleef is naar het oordeel van de rechtbank een onjuiste conclusie. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. Feit 3 De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. Uit de verklaringen van [benadeelde partij 2] en verdachte volgt, dat verdachte tegen [benadeelde partij 2] heeft gezegd: “Jij doet je werk in het vervolg goed” En/of “U blijft ook van mijn zoon af”. Uit de verklaringen volgt voorts dat verdachte – terwijl hij dit zei – een mes van ongeveer 30 cm in de richting van die [benadeelde partij 2] hield èn dat hij enkele ogenblikken daarvoor met dat zelfde mes, een andere persoon in de spreekruimte ernstig had verwond. Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een situatie waarin bij [benadeelde partij 2] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. Feit 4 De rechtbank acht ten slotte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 4 april 2013 in zijn woning een wapen van de categorie I, onder 7 voorhanden heeft gehad. De rechtbank verwerpt de stelling van de raadsvrouw dat het in de woning van verdachte aangetroffen voorwerp niet zodanig op een wapen lijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt zou zijn, nu uit het ambtsedig proces-verbaal van 9 april 2013, bijlage 3.AH.1, dossierpagina 173 (zoals opgenomen in de bijlage bewijsmiddelen) van het tegendeel blijkt. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.