← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2013:5881

Rechtbank[woonplaats] Team familie 1 Datum uitspraak : 10 juli 2013 Zaak- / Rekestnummer: C/10/408893 / F1 RK 12-3218 Beschikking in de zaak van: [verzoeker] , hierna te noemen: de man, wonende te[woonplaats], advocaat mr. N. Schuerman, - t e g e n - [verweerster] , hierna te noemen: de moeder, wonende te[woonplaats], advocaat mr. A.H. van Haga. In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden: mr. K.M. van Wijngaarden, advocaat te[woonplaats], hierna te noemen: de bijzondere curator. Het verloop van de procedure Op 11 september 2012 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift met bijlagen van de man tot: - het verlenen van vervangende toestemming voor de erkenning door de man van de de minderjarige [X] (hierna: de minderjarige); - het bepalen dat de man gezamenlijk met de moeder belast zijn met het ouderlijk gezag over de minderjarige; - het vaststellen van een contactregeling – indien de minderjarige in Nederland zijn hoofdverblijf heeft – van een weekend per veertien dagen van vrijdag van 16.00 uur tot zondag 18.00 uur, en voor zover en voor de duur dat de minderjarige in het buitenland woonachtig is een contactregeling vaststellen waarbij de minderjarige eenmaal per jaar 5 weken bij de man verblijft; - het vaststellen van een informatieregeling waarbij de moeder de man maandelijks informeert over de minderjarige. Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 5 december 2012 is mr. K.M. van Wijngaarden benoemd tot bijzondere curator over de hiervoor genoemde minderjarige. De bijzondere curator heeft een verslag van bevindingen ingediend. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot inwilliging van het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming. Van de zijde van de man is een brief ingekomen, gedateerd 16 april

  1. De moeder heeft een verweerschrift ingediend, tot afwijzing van het verzoek ten aanzien van de vervangende toestemming en tot onbevoegdverklaring ten aanzien van de verzoeken tot de ouderlijke verantwoordelijkheid. De zaak is behandeld op 12 juni
  2. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de bijzondere curator. Aangezien de man en de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel respectievelijk de Engelse en de Chinese taal, heeft het verhoor plaatsgevonden met bijstand van de mevrouw Rueler, beëdigd tolk in de Engelse taal en de heer Lu, beëdigd tolk in de Chinese taal. De man heeft ter zitting zijn verzoek ten aanzien van het gezamenlijk ouderlijk gezag ingetrokken, zodat dit verzoek geen beoordeling en beslissing meer behoeft. De vaststaande feiten De minderjarige is op[geboortedatum] te[woonplaats] uit de moeder geboren. De minderjarige verblijft sinds 17 december 2010 bij zijn grootouders (moederszijde) in [verblijfplaats] De beoordeling Rechtsmacht Alvorens overgegaan kan worden tot een inhoudelijke behandeling van de verzoeken dient te worden beoordeeld of de rechtbank bevoegd is tot kennisname van onderhavige verzoeken. Artikel 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) stelt buiten twijfel dat verdragen en EG-verordeningen bij de bepaling van de rechtsmacht voorrang hebben boven de bepalingen van Rv. De bepalingen van Rv gelden dus slechts voor zover noch verdragen noch verordeningen van de EG van toepassing zijn. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat zij haar rechtsmacht niet op grond van de nationale wetgeving dient vast te stellen, maar hiervoor aansluiting dient te zoeken bij de supranationale wetgeving, te weten: de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, Brussel II-bis en het verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, ’s-Gravenhage, 19 oktober 1996,‘Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996’. Brussel II-bis Op grond van artikel 1, derde lid onder a, alsmede lid 2 onder a is Brussel II bis niet van toepassing op zaken die betrekking hebben op de vaststelling en de ontkenning van familierechtelijke betrekkingen. De rechtbank stelt voorts vast dat de in artikel 12, derde lid gemaakte uitzondering zich niet voordoet, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat niet is gebleken (en er ook niet van kan worden uitgegaan) dat door partijen op het tijdstip waarop deze zaak bij deze rechtbank aanhangig is gemaakt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat haar op grond van de bepalingen in Brussel II-bis geen rechtsmacht toekomt om van de verzoeken van de man kennis te nemen. Het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Blijkens artikel 1 (onder a) van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 heeft het verdrag tot doel de Staat aan te wijzen welke autoriteiten bevoegd zijn maatregelen te nemen ter bescherming van de persoon of het vermogen van het kind. Ingevolge artikel 4 is het verdrag niet van toepassing op de vaststelling of de ontkenning van familierechterlijke betrekkingen, aldus ten aanzien van het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning. Het verdrag is op grond van artikel 3 (de toekenning, de uitoefening, de beëindiging of de beperking van ouderlijke verantwoordelijkheid) wel van toepassing op de overige verzoeken. Artikel 5 van het verdrag bepaalt dat de rechterlijke en administratieve autoriteiten van de Verdragsluitende Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft bevoegd zijn maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van zijn persoon of zijn vermogen, en thans vaststaat dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in China is gelegen, is de rechtbank van oordeel dat haar op basis van voormelde bepalingen geen rechtsmacht toekomt ten aanzien van de overige verzoeken van de man. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) Met betrekking tot het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning heeft volgens artikel 5 Rv de Nederlandse rechter in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid geen rechtsmacht indien het kind zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, tenzij hij zich in een uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. Gelet op het voorgaande en nu niet is gebleken dat de zaak een dusdanige verbondenheid heeft met de rechtssfeer van Nederland, is de rechtbank onbevoegd. Voor toepassing van de uitzonderingsregel, waarbij de Nederlandse rechter kan afwijken van de hoofdregel en zich toch bevoegd kan verklaren, bestaat geen aanleiding, nu de daarvoor vereiste zodanige aanknopingspunten met de rechtssfeer van Nederland dat het belang van het kind, dat zijn gewone verblijfplaats buiten Nederland heeft, ertoe noopt dat de Nederlandse rechter zich bevoegd verklaart, ontbreken. Resumerend Nu de rechtbank onbevoegd is van de verzoeken van de man kennis te nemen, komt zij derhalve niet meer toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze verzoeken. Beslissing De rechtbank, verklaart zich onbevoegd om van verzoeken van de man kennis te nemen. Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Dort, rechter, in bijzijn van C. Naujoks, griffier en uitgesproken ter openbare zitting. Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.