vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/416231101068 / HA ZA 12-2306 Vonnis van 3 juli 2013 in de zaak van
(11m)plus de breedte van de Douwent (11,21 m) is 22,21 m, hetgeen 7,21 m breder was dan toegestaan. In genoemd proces-verbaal van de waterpolitie staat dat het de verbalisanten ambtshalve bekend is dat er aan de Buitenkalkhaven een gedoogsituatie gehanteerd wordt in die zin dat zowel Rijkswaterstaat als de Havendienst Dordrecht schippers al jaren toestemming geven om drie schepen breed afgemeerd te liggen. De bekendmaking aan de scheepvaart zou gebaseerd zijn op een oude verkeerssituatie waarbij duwstellen onder het hefgedeelte van de Dordtse brug door voeren. Door gedaagde wordt dit gedoogbeleid op zichzelf niet betwist maar dat doet volgens haar geen afbreuk aan de geldigheid van het besluit. 4.4.
- Eisers bestrijden dat de BaS 1978-085 ten tijde van de aanvaring nog van kracht was. Voorts zijn door eisers foto’s overgelegd van het in dit besluit onder
- bedoelde bord dat volgens haar halverwege de kade is geplaatst. Hierop is te zien dat het bord in ernstig vervallen staat verkeert, terwijl het onderste bord (blauw met in wit het getal 15 en met een witte pijl naar rechts) en de verlichting van de borden ontbreken. Voorts staat volgens eisers op de kop van de Buitenkalkhaven het bord A7 (verboden te meren aan de zijde van de vaarweg waar het bord is geplaatst) als bedoeld in bijlage 7 bij het BPR, met daaronder een bord met de tekst: “m.u.v. reparatie schepen Dolderman”. Tot slot wijzen eisers op een verkeersbesluit d.d. 7 oktober 2003 van Rijkswaterstaat Zuid-Holland waarin is besloten dat op de Oude Maas tussen kmr. 977.800 en kmr. 977.650 aan de linkeroever het verkeersteken E.5.
- met als tekst “15” (maximale ligplaatsbreedte) met een richtingsaanduidingsbord F.2a met als tekst “150” (maximale ligplaatslengte) wordt geplaatst. Volgens eisers is echter geen uitvoering aan dit besluit gegeven want de desbetreffende borden zijn niet geplaatst. 4.4.
- Door gedaagde is ter comparitie bij gebrek aan wetenschap betwist dat de borden er staan zoals hiervoor weergegeven. Deze betwisting wordt door de rechtbank als ongemotiveerd gepasseerd, nu (a.) eisers deze feitelijke situatie uitgebreid hebben omschreven in de circa drie weken vóór de comparitie toegezonden conclusie van antwoord in reconventie en de advocaat van gedaagde volgens zijn zeggen daarna geen onderzoek naar de borden heeft gedaan en (b.) in het tussenvonnis door de rechtbank was gevraagd of ter plaatse een bord als bedoeld onder E.5.1 van bijlage 7 BPR was geplaatst. 4.4.
- Door eisers is ook nog onweersproken gesteld dat uit het door de gemeente Dordrecht krachtens de Havenverordening opgestelde ligplaatsenoverzicht blijkt dat de plaats waar de Linquenda lag een door het college van B&W aangewezen ligplaats was (dat geen melding van een beperking in de afmeerbreedte maakt). 4.4.
- Omdat gedaagde niet heeft bestreden dat de Linquenda aan de Buitenkalkhaven lag afgemeerd ter reparatie bij Dolderman, concludeert de rechtbank dat de Linquenda niet in strijd heeft gehandeld met één van de ter plaatse aangebrachte verkeerstekens. Zonder onderbord betekent het in de BaS 1978-085 (dat kennelijk is opgevolgd door het verkeersbesluit d.d. 7 oktober 2003) onder
- bedoelde bord immers: “toestemming ligplaats te nemen aan de zijde van de vaarweg waar het bord is geplaatst”. Aldus werd door de combinatie van beide borden voor de schipper van de Linquenda een eenduidig beeld geschetst dat afmeren aldaar voor hem was toegestaan, nog daargelaten dat volgens zijn verklaring ook de post hem daarvoor toestemming had gegeven en passerende boten van Rijkswaterstaat hem niet op zijn gekozen ligplaats aanspraken. 4.
- Gedaagde voert verder nog aan dat de Linquenda niet voldeed aan artikel 7.01 BPR waarin staat dat een schip zodanig ligplaats dient te nemen, dat de scheepvaart niet wordt belemmerd. Ter onderbouwing van deze stelling beroept gedaagde zich op het overgelegde advies van ing.[Q]. In het advies staat dat het is gebaseerd op het proces-verbaal van de waterpolitie en de BaS 1978-085 maar enige concrete onderbouwing van zijn bevinding, “doordat de Linquenda daar zo afgemeerd is, is de beoogde veilige passage door het beweegbare brugdeel onveilig geworden” ontbreekt. 4.5.
- Daarentegen hebben eisers een van een uitgebreide toelichting voorzien rapport van de nautisch expert [W] overgelegd, die ook de aanvaringssituatie heeft bezocht. [W] maakt aan de hand van een foto en tekeningen duidelijk dat een opvarend schip als de Öhringen, dat er voor kiest om met gestrekte koers midden onder de rechter doorvaartopening te varen, 31,50 m vrij blijft van de Buitenkalkhaven en zonder problemen twee breed afgemeerd liggende schepen kan passeren. De rechtbank acht deze rapportage – die door gedaagde ter comparitie ook niet gemotiveerd is betwist – overtuigender dan het advies van [Q]. 4.5.
- Bij dagvaarding hebben eisers gesteld dat de Linquenda reglementair verlicht was. Blijkens de in een voetnoot vermelde tekst bedoelen zij daarmee dat aan de zijde van het vaarwater op de voor- en achtermast de zogenaamde ankerverlichting brandde; verder brandde op het achterschip verlichting voor het achterdek en lag de Linquenda aan een verlichte kade en werd zij verlicht door de lichten van de spoorbrug. Bij conclusie van antwoord zijn deze stellingen door gedaagde niet weersproken. Eerst ter comparitie heeft de raadsman van gedaagde, in navolging van de verklaring van schipper [X], betwist dat er licht brandde op de Linquenda. [eiser 3] heeft op de comparitie herhaald dat de Linquenda reglementair verlicht was alsmede dat aan de achterzijde van de woning ook nog twee tl-buizen brandden. Voor zover op grond van deze - in een laat stadium gedane - betwisting nader bewijs van de verlichting van de Linquenda nog kan worden verlangd, oordeelt de rechtbank dat in dit geval niet nodig. Als onbetwist staat immers vast dat de Linquenda in de buurt van een verlichte kade lag en werd verlicht door de lichten van de spoorbrug. Het is zeer de vraag of reglementaire verlichting aan boord van de Linquenda haar zichtbaarheid verder zou hebben vergroot. Stuurman [Y] heeft hierover namelijk bij de waterpolitie verklaard dat hij de meerlichten nooit heeft waargenomen omdat de lichten vanaf de brug te fel waren. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de Linquenda niet op een onveilige plaats lag afgemeerd en dat er geen sprake was van belemmering van de scheepvaart in de zin van artikel 7.01 BPR. 4.
- De slotsom is dat de Linquenda geen schuld heeft aan de aanvaring en dat deze volledig te wijten is aan het onzeemanschappelijk varen van de Öhringen. De daardoor ontstane schade zal door gedaagde in conventie moeten worden vergoed. De reconventionele vordering zal worden afgewezen. 4.
- Tijdens de comparitie van partijen is nader over de schadecijfers gesproken. Eisers hebben hun vordering verminderd en na toelichting door [eiser 3] en zijn raadsman, heeft de advocaat van gedaagde zich gerefereerd. Ook de gestelde subrogaties en last tot invordering worden niet langer betwist. De vordering in conventie zal worden toegewezen. 4.
- Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eisers worden in conventie begroot op: dagvaarding € 92,17 griffierecht 3.621,00 getuigenkosten 0,00 deskundigen 0,00 overige kosten 0,00 salaris advocaat 4.000,00 (2 punten × tarief € 2.000,00) Totaal € 7.713,17 De kosten aan de zijde van verweersters in reconventie worden begroot op: - salaris advocaat € 579,00 (1 punt x tarief € 579,00) 5De beslissing in conventie 5.1 veroordeelt gedaagde om aan eiseres sub 1 te betalen een bedrag van € 199.316,00 (honderdennegenennegentigduizend driehonderdenzestien euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 22 oktober 2011 tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt gedaagde om aan eiseres sub 1 te betalen een bedrag van € 40.342,47 (veertigduizend driehonderdentweeënveertig euro en zevenenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 28 november 2011 tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt gedaagde om aan eiseres sub 1 te betalen een bedrag van € 16.500,00 (zestienduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 1 oktober 2012 tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt gedaagde om aan eiseres sub 1 te betalen een bedrag van € 1.600,00 (zestienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 22 oktober 2011 tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt gedaagde om aan eisers sub 2, 3 en 4 te betalen, in die zin dat betaling aan de één bevrijdend zal zijn ten aanzien van de anderen, een bedrag van € 3.579,00 (drieduizend vijfhonderdennegenenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 22 oktober 2011 tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt gedaagde om aan eisers sub 2, 3 en 4 te betalen, in die zin dat betaling aan de één bevrijdend zal zijn ten aanzien van de anderen, een bedrag van € 13.447,49 (dertienduizend vierhonderdenzevenenveertig euro en negenenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 28 november 2011 tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op € 7.713,17, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; in reconventie: 5.
- wijst de vordering af: 5.
- veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van verweersters tot op heden begroot op € 579,
- Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2013. 32/1928FORMULIER DATUMBEPALING Lokale instructie aan concipiënt, bijv: Instructies aan de concipiënt: print dit formulier uit en lever het samen met het griffiedossier en de uitspraak in bij de griffiemedewerker die met de datumbepaling is belast. Na het uitprinten mag je dit formulier verwijderen uit dit bestand. Het moet in ieder geval zijn verwijderd in de definitieve versie van de uitspraak, die wordt opgeslagen in de map met uitgesproken vonnissen. Standaardtekst waarbij via de wizard gegevens uit de beslissing worden ingevuld (zaaknummer hoeft niet omdat dat al in de koptekst staat): LET OP: het bestand "formulier datumbepaling 2" is nodig omdat daarin andere velden worden gebruikt. Uitspraak: 6 maart 2013 Rechter zitting: mr. * ** Plaats zitting: gerechtsgebouw Als de hierna vermelde documentvariabelen uit dit formulier worden verwijderd, moeten ze ook uit het variabelenoverzicht worden verwijderd om te voorkomen dat ze later als niet ingevulde variabelen problemen opleveren (knop Invoegen documentvariabelen op de werkbalk Justword Beheer, klik op huidige document, klik op te overbodige variabelen en dan op Verwijderen) Standaardtekst te gebruiken door rechtbanken die het verhinderdagensysteem hanteren: Roldatum opgave verhinderdata: [datum_rol_1] Verhinderdata van [zitting1_eerste_maand] tot [zitting1_laatste_maand] Zitting op: [zitting1_dag] Duur zitting: [zitting1_duur] Standaardtekst te gebruiken door rechtbanken die systeem direct datumbepaling hanteren (te verwijderen als dit formulier dan juist is bedoeld voor instructies van de concipiënt aan een andere medewerker die de datum moet vaststellen): Datum zitting: [zitting1_datum] van [zitting1_begintijd] tot [zitting1_eindtijd] Hier lokale instructies opnemen t.b.v. de ontvanger van dit formulier. Let op dat dit formulier voor alle soorten zittingen wordt gebruikt. Bijvoorbeeld: Zittingzaal: groot / klein Bijstand parketpolitie: ja / nee Dienstwagen reserveren: ja / nee Wensen ivm griffier: Wensen ivm termijn waarop zitting gepland wordt: Wensen ivm duur zitting: Overige wensen / instructies: