Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/730059-13 Datum uitspraak: 21 november 2013 Tegenspraak Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: (…), geboren te … op …, ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres (…), thans gedetineerd in Detentiecentrum Alphen aan de Rijn, raadsman J.L.A.M. le Cocq d’Armandville, advocaat te Rotterdam. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 november 2013. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. EIS OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie, mr. J.M. Bonnes, heeft gerekwireerd tot: - bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten; - veroordeling van de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van voorarrest. AANLEIDING ONDERZOEK Op vrijdag 8 februari 2013, omstreeks 08:45 uur, worden politiemedewerkers door de regionale meldkamer Rotterdam, gestuurd naar de (…) te Rotterdam. Aldaar zou een vrouw bedreigd zijn door haar ex-man met een mes. De vrouw zou inmiddels naar buiten zijn gevlucht. Ter plaatse gekomen wordt de deur van de woning van de vrouw door personeel van de politie geopend. Zij zien dat er veel bloed in de woning ligt, en de woning wordt in het kader van de hulpverlening betreden. Vervolgens wordt in de keuken een man aangetroffen. Deze man ligt op de grond in een flinke plas bloed. De man wordt naar de woonkamer verplaatst teneinde hulp aan hem te verlenen, maar desondanks overlijdt de man ter plaatse. Van deze man blijkt later dat hij in leven was genaamd (…). DE VASTSTAANDE FEITEN De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten, nu deze feiten door de officier van justitie, noch door de verdediging zijn weersproken. De verdachte heeft een relatie gehad met X, maar deze relatie is verbroken. De verdachte komt op 25 januari 2013 vrij uit detentie. Kort daarna spreekt hij de dochter van genoemde X aan in de Mc Donalds aan de Schiedamseweg te Rotterdam en omhelst haar. Daarna heeft de verdachte zich tot en met 8 februari 2013 verschillende keren overdag en ’s nachts nabij de woning van X aan de (…) te Rotterdam opgehouden, haar aangesproken op straat en bij haar aangebeld. Zo bevindt hij zich op 1 februari 2013 omstreeks 03:50 uur ’s nachts nabij de woning van X en belt hij die nacht ook bij haar aan. Op donderdag 7 februari 2013 bevindt de verdachte zich wederom in de (…) waar hij X aanspreekt. X loopt verder, waarna de verdachte haar probeert tegen te houden. Op vrijdagochtend 8 februari 2013 is de verdachte wederom in haar straat en wacht hij tot zij de kinderen naar school heeft gebracht. Hij ziet kans haar portiek binnen te gaan en wacht daar onder de trap X op, nadat hij haar met de kinderen de portiek heeft horen verlaten. De verdachte is, blijkens de verklaring van getuige Y, de portiek binnen gekomen doordat de zoon van Y, bij zijn woning op nummer 162 heeft aangebeld en zijn moeder heeft gevraagd de deur te openen. De verdachte spreekt X aan en zij laat hem binnen in haar woning, welke op de eerste verdieping gelegen is. Vervolgens verlaat X de woning weer. Het latere slachtoffer (…) is in de woning aanwezig en er ontstaat een worsteling tussen hem en de verdachte. De worsteling verplaatst zich door de woning en eindigt uiteindelijk in de keuken. De verdachte heeft op enig moment een mes in zijn handen en verwondt daarmee het slachtoffer aan zijn armen. Nadat het slachtoffer de keukenvloer terecht is gekomen, verlaat verdachte de woning door van het balkon naar beneden te springen. Om 8:44:54 uur meldt X bij de politiemeldkamer dat de verdachte bij haar in de woning is. De politie komt ter plaatse en treft, zoals hiervoor is weergegeven, het slachtoffer aan in de woning op de keukenvloer in een plas bloed. In de plas bloed naast het slachtoffer ligt het lemmet van een mes en in de keuken wordt een ingedeukte koekenpan aangetroffen. Bij het pathologisch onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut zijn op het lichaam van het slachtoffer 49, bij leven opgelopen snij- en steekletsels waargenomen, welke zijn ontstaan door steken en snijden met een of meer scherprandige voorwerpen en passen bij steken of met één of meer messen. De letsels waren overwegend in het hoofdhalsgebied en aan beide onderarmen gelokaliseerd. In de halsletsels waren de linkerhalsader en de linkerhalsslagader meermalen geraakt. Links in de hals reikte een steekletsel tot in de luchtpijp. Het overlijden wordt zonder meer verklaard door het massale bloedverlies. In de woning wordt op de vloer in de keuken een grote hoeveelheid bloed aangetroffen. Daarnaast worden er verschillende bloedsporen aangetroffen in de keuken, gang, woonkamer, op de balkondeur en balustrade van het balkon. De bloedsporen zijn onderzocht en daarbij is onder meer vastgesteld dat het bloedspoor op de balustrade DNA bevat dat overeenkomt met het DNA van de verdachte. Op de gesp van de riem van de verdachte zijn bovendien bloedsporen aangetroffen met een DNA-mengprofiel van de verdachte en van het slachtoffer. FEIT 1 Standpunt verdediging De verdachte heeft verklaard dat hij verbaasd was toen hij het latere slachtoffer in de woning van X aantrof, dat er daarna een worsteling tussen hen is ontstaan, dat het slachtoffer een mes greep van het aanrecht in de keuken welke de verdachte vervolgens van hem heeft weten af te pakken. De verdachte erkent dat hij daarbij het slachtoffer heeft gesneden op de onderarmen. De verdachte weet verder nog dat het slachtoffer hem met een koekenpan op het hoofd heeft geslagen. De verdachte heeft verklaard dat hij zich niets kan herinneren vanaf dat moment, behalve dat het slachtoffer op enig moment op de grond is gevallen en dat hij toen via het balkon is weggevlucht. Hij ontkent bij binnenkomst in de woning een mes bij zich te hebben gehad. Zijn raadsman heeft in aanvulling op verdachtes verklaring niet betwist dat de verdachte de steken heeft toegebracht aan het slachtoffer, maar heeft bepleit dat uit het dossier niet blijkt dat bij de verdachte sprake is geweest van opzet en/of van voorbedachte raad. Om die reden dient volgens de raadsman vrijspraak van feit 1 te volgen. De verdachte heeft op geen enkele manier rekening gehouden met de ontstane situatie in de woning. De verdachte vermoedde wellicht dat zijn ex een nieuwe relatie had maar hij wist dat niet, en hij hield er geen rekening mee dat er iemand anders in de woning zou zijn. Toen er wel iemand in de woning aanwezig bleek, is er bij de verdachte absolute paniek ontstaan. Het slachtoffer heeft hem bedreigd met een mes en de verdachte heeft dit mes weten af te pakken. Hij heeft zich in paniek verweerd. Volgens de raadsman is, indien de rechtbank toch tot een bewezenverklaring zou komen, sprake van een “reëel” beroep op noodweer. Standpunt openbaar ministerie De officier van justitie heeft op grond van de in het dossier aanwezige camerabeelden, de verklaringen van X en van twee buurvrouwen en een buurjongetje, de forensische bevindingen en - met name - het aantal steekwonden geconcludeerd dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd. De omstandigheden dat het slachtoffer 49 steekletsels in zijn lichaam had en niet alleen aan hoofd of armen, wijzen er volgens de officier van justitie op dat er enige tijd tussen de verschillende handelingen is verstreken. Daarbij zouden het bloedbeeld in de hal en het door een getuige gehoorde gesprek tussen het slachtoffer en de verdachte, erop wijzen dat het zeker enkele minuten heeft geduurd waarin de verdachte en het slachtoffer al bloedend, samen door de gang hebben gelopen en met elkaar hebben gesproken, terwijl het slachtoffer uiteindelijk overlijdt in de keuken. De verdachte zou voorts, toen hij onder de trap zat in het portiek bij de woning van X, hebben geweten, althans rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat zojuist de nieuwe vriend van X haar woning was binnen gegaan, en bewust die woning zijn ingegaan. De verdachte heeft na een minutenlang durende confrontatie uiteindelijk in de keuken de hals afgesneden van het slachtoffer. Vaststaat, aldus de officier van justitie, dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn besluit en dat er geen contra-indicaties zijn die erop duiden dat de verdachte toch niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Oordeel rechtbank De rechtbank overweegt als volgt. Is de verdachte degene die de steek- en snijletsels aan het lichaam van het slachtoffer heeft toegebracht? De rechtbank acht zonder meer bewezen dat de verdachte de geconstateerde snij- en steekletsels aan het lichaam van het slachtoffer heeft toegebracht als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. De verdachte was, mede gelet op zijn eigen verklaring, in de woning ten tijde van het toebrengen van genoemd letsel, terwijl er geen aanwijzingen zijn dat nog iemand anders in de woning is geweest nadat X de woning had verlaten en voordat het slachtoffer werd aangetroffen. De rechtbank heeft die overtuiging te meer bekomen nu uit de verklaringen van getuigen Y1 en Y2 kan worden afgeleid dat op het moment dat de verdachte de woning verliet via het balkon, zijn rechterhand en de rechterzijde van zijn gezicht bedekt waren met bloed, en bloed met DNA van het slachtoffer is aangetroffen op zowel de balustrade van het balkon als op de gesp van de riem van de verdachte, terwijl de verdachte kennelijk zelf slechts wat kleine verwondingen aan zijn vingers had. Nu voor genoemde omstandigheden geen andere verklaring is gegeven of aannemelijk is geworden, leidt de rechtbank daaruit af dat de verdachte degene is geweest die de steek- en snijletsels heeft toegebracht aan het slachtoffer. Ten overvloede wijst de rechtbank voorts nog op de verklaring van een medewerker van de Stadsgevangenis dat de verdachte enkele dagen na het incident tegen hem heeft gezegd dat hij de man in de woning van zijn ex de strot had doorgesneden, en op de verklaring van Y3 dat zijn broer op de dag dat het feit is gepleegd, door de verdachte is gebeld en dat de verdachte toen had gezegd dat hij iemand had neergestoken. Moord of doodslag? Uit het feit dat de verdachte 49 steek- en snijletsels heeft toegebracht aan het slachtoffer, en dat een aanzienlijk aantal van die letsels is toegebracht in de hals, welke – gezien de aanwezigheid van vitale (slag)aders – een uiterst kwetsbaar deel is van het lichaam, leidt de rechtbank af dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. In de aard van die gedragingen, ligt immers zonder meer de opzet op de dood besloten. Ten aanzien van de vraag of de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, geldt dat volgens de Hoge Raad in zijn arrest van 17 september 2013 (ECLI:NL:HR2013:706) voor het aannemen daarvan moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad behoeft de rechter er echter niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen en tot het oordeel te komen dat de verdachte desondanks niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. De rechtbank stelt voorop dat ervaringsregels leren dat met het tot 49 keer toe insteken op een slachtoffer enige tijd is gemoeid, in elk geval voldoende tijd voor de verdachte zich te kunnen bezinnen en het nodige te verrichten om op zijn voornemen terug te komen, zoals zijn handelen te staken en zo nodig daarna hulp te verlenen of hulp in te roepen. Bovendien blijkt uit de verklaring van de verdachte over hetgeen zich heeft voorgedaan in de woning dat de worsteling tussen de verdachte en het slachtoffer zich heeft verplaatst door de woning en enkele minuten heeft geduurd. Het bloedsporenonderzoek bevestigt die verplaatsing en bewijst verder dat tijdens die worsteling al steekwonden zijn toegebracht aan het slachtoffer, wat er ook op wijst dat de verdachte tijd heeft gehad om zich te bezinnen. Dat de verdachte geen mes bij zich had toen hij de woning betrad en dit juist heeft afgepakt van het slachtoffer in de woning, zoals hij ter zitting heeft verklaard, acht de rechtbank niet geloofwaardig nu er door de gehele woning bloedsporen van het slachtoffer zijn aangetroffen, hetgeen er op duidt dat het slachtoffer vrijwel direct gewond is geraakt. De verdachte had bovendien, blijkens de verklaring van zijn ex-partner X reeds een mes in zijn handen toen hij haar sprak buiten de woning. De rechtbank hecht meer waarde aan deze verklaring dan aan die van de verdachte, nu de verklaring van X wordt ondersteund door die van haar buurvrouw dat zij X hoorde gillen in het trappenhuis en dat zij kort daarna X met de verdachte bij haar voordeur zag met angstige ogen. X heeft ook direct na het wegvluchten uit haar huis bij het doen van de 112-melding het mes genoemd dat de verdachte bij zich had en waarmee hij haar heeft bedreigd. De rechtbank gaat ervan uit dat het slachtoffer uiteindelijk is overleden aan de steekletsels in de halsslagader en dat deze letsels zijn toegebracht in de keuken waar het slachtoffer is aangetroffen. Het slachtoffer is immers in een plas bloed in de keuken aangetroffen, terwijl overigens in de woning slechts bloedvlekken of –spatten zijn aangetroffen, hetgeen erop wijst dat het slachtoffer in de keuken het meeste bloed heeft verloren en dat hij zich dus daar bevond toen hij werd geraakt in die hals(slag)ader. Een gat of opening in een slagader leidt immers naar algemene ervaringsregels snel tot aanzienlijk bloedverlies en tot de dood, zodat het niet aannemelijk is dat het slachtoffer, na in de hals(slag)ader te zijn geraakt, zich nog heeft verplaatst. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op zijn (kennelijke) besluit om het slachtoffer dodelijk te verwonden en de gevolgen daarvan, zodat de voorbedachte raad bewezen kan worden. De rechtbank neemt daarbij nog in aanmerking dat de verdachte in ieder geval kennelijk een vermoeden had dat zijn ex-partner een nieuwe relatie had, gelet op onder meer zijn vraag daaromtrent aan een buurvrouw van zijn ex-partner de dag voor het incident, en dat hij tegen die buurvrouw heeft gezegd dat hij het “hen betaald zal zetten”, en tegen zijn ex-partner dat als zij een ander had, hij haar en die ander dood zou maken, hetgeen een aanwijzing vormt dat de verdachte reeds vooraf het plan had opgevat het slachtoffer te doden. Dat de verdachte niet (zeker) wist dat zijn ex-partner een nieuwe vriend had of dat die nieuwe vriend in haar woning was (zoals zijn raadsman heeft aangevoerd), doet daaraan niet af nu de rechtbank het aannemelijk acht dat voor de verdachte zijn vermoeden werd bevestigd op het moment dat hij het slachtoffer aantrof in de woning van zijn ex-partner. De rechtbank acht voorts van belang dat er geen zwaarwegende contra-indicaties zijn dat de verdachte desalniettemin niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat de door hem genoemde omstandigheden als zodanige contra-indicaties dienen te gelden, merkt de rechtbank op dat ook indien de verdachte inderdaad niet wist dat zijn ex-partner een nieuwe relatie had en - op het moment dat hij de woning binnen ging – niet wist dat het latere slachtoffer zich daar bevond, dat dat er niet aan afdoet dat de verdachte in de woning voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te bezinnen op zijn handelen. Wat betreft de stelling dat de verdachte zich in ‘absolute paniek’ heeft verweerd, merkt de rechtbank op dat de verdachte over die gestelde blinde paniek zelf niets heeft verklaard, terwijl ook overigens niet aannemelijk is geworden dat daarvan sprake is geweest. FEIT 2 Standpunt verdediging De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de beschuldiging niet klopt. De verdachte heeft niet ontkend dat hij in de ten laste gelegde periode een aantal malen contact heeft gezocht met aangeefster door haar op straat aan te spreken en aan te bellen, dat hij zich een aantal malen in de straat waar zij woonde heeft opgehouden, en dat hij haar dochter heeft aangesproken in de Mc Donalds en een arm om haar heen heeft geslagen. Toen de dochter echter liet merken dat zij niet met hem wilde praten, is hij weggegaan. Hij heeft voorts verklaard dat hij enkel met aangeefster wilde praten omdat zij een verleden hebben samen en hij met haar over zijn nog steeds bestaande gevoelens voor haar wilde spreken. Aangeefster zou niet hebben aangegeven dat zij geen contact met hem wilde, waarbij de verdachte erop heeft gewezen dat aangeefster ook met hem praatte en dat zij zelfs toen de politie op haar verzoek was gestopt (toen verdachte haar een keer aansprak op straat) niet heeft aangegeven dat de verdachte haar belaagde. Het contact met de aangeefster op straat op 7 februari 2013 en in haar portiek de volgende dag had bovendien enkel tot doel om een apparaat op te halen dat de verdachte nodig had en nog bij aangeefster in de woning lag. Toen aangeefster op 7 februari doorliep en niet met hem wilde praten heeft hij haar niet beetgepakt, maar enkel tegengehouden omdat hij met haar wilde praten. Hij ontkent voorts dat hij een mes bij zich had en met dat mes aangeefster heeft gedwongen om hem binnen te laten in haar woning. Standpunt openbaar ministerie De officier van justitie heeft gesteld dat het de verdachte volstrekt duidelijk is geweest dat de aangeefster geen contact meer met hem wilde en dat hij haar en haar familie met rust moest laten, nu aangeefster hem dat meermalen heeft gezegd en hij bovendien in het verleden een contactverbod met haar had. Hij heeft haar echter niet met rust gelaten, blijkens de verklaringen van de aangeefster, welke verklaringen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen waaronder verdachtes eigen verklaring. Daaruit blijkt dat de aangeefster de verdachte verschillende keren is tegengekomen op straat, en dat hij verschillende keren zowel overdag als ’s nachts voor haar deur heeft gestaan, waaronder met een mes op de ochtend van vrijdag 8 februari 2013. Oordeel rechtbank De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de bewijsmiddelen kan worden bewezen dat de verdachte de in de tenlastelegging genoemde gedragingen – waaronder de gedraging met het mes, waarbij de rechtbank verwijst naar hetgeen zij hierboven daarover heeft overwogen - heeft verricht in de genoemde periode, dat de aangeefster geen contact wilde met de verdachte en dat ook herhaaldelijk aan hem heeft duidelijk gemaakt, en dat zij zijn pogingen om contact met haar te zoeken ervoer als ‘lastig vallen’, dat zij er gek van werd, en dat zij bang was dat hij haar zou mishandelen of vermoorden. Gelet daarop zijn die gedragingen van de verdachte in onderlinge samenhang bekeken en gezien de frequentie daarvan in slechts twee weken, aan te merken als een wederrechtelijke stelselmatige opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Dat de verdachte, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, alleen met de aangeefster wilde praten omdat zij een verleden hebben samen en hij over zijn gevoelens voor haar wilde praten, dan wel omdat hij met haar een afspraak wilde maken om een apparaat op te halen dat in haar woning lag, doet daaraan niet af. Het moet de verdachte volstrekt duidelijk zijn geweest dat de aangeefster op geen enkele wijze meer contact met hem wilde hebben en dat hij haar met rust moest laten. Zij had immers eerder aangifte tegen hem gedaan van belaging (hetgeen onder meer had geresulteerd in een contactverbod voor de verdachte), heeft hem op 1 februari 2013 nog eens gezegd dat ze niets met hem te maken wilde hebben en dat hij weg moest gaan, opende haar deur niet als hij aanbelde en voor haar deur stond, en heeft zich losgerukt en is doorgelopen op het moment dat hij haar vastpakte op straat. Door desondanks steeds weer contact met haar te zoeken, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belaging. BEWEZENVERKLARING Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op of omstreeks 08 februari 2013 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd (slachtoffer), althans een persoon, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk (het slachtoffer) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans éénmaal, in het hoofd en/of het gezicht en/of de hals(streek) en/of oksel en/of de buik(streek) en/of de onderarm(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.