Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 13/2790 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 december 2013 in de zaak tussen Stichting Platform Makers, te Amsterdam, eiseres, gemachtigde: mr. dr. J.J.M. Sluijs, en Autoriteit Consument & Markt (ACM), verweerder, Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: Nederlandse Publieke Omroep (NPO), gemachtigde mr. J.J. Feenstra, Algemene Omroepvereniging AVRO, Omroepvereniging KRO, Omroepvereniging VARA en Omroepvereniging TROS. Procesverloop Bij besluit van 27 april 2012 (het primaire besluit) heeft de Nederlandse Mededingingsautoriteit (thans ACM) de aanvraag van eiseres om toepassing te geven aan artikel 56, eerste lid, van de Mededingingswet (Mw) afgewezen. Bij besluit van 26 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft ACM het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. ACM heeft een verweerschrift ingediend. Bij beslissing van 17 september 2013 heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat beperkte kennisname als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van gedeelten van stukken deels gerechtvaardigd is. Eiseres heeft geen toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven. De griffier heeft de betreffende stukken teruggestuurd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam] en [naam]. ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.S.M.L. Prompers en mr. C.E.S. Jansen. NPO heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en Omroepvereniging KRO door [naam]. Overwegingen 1. Eiseres is een samenwerkingsverband van belangen- en beroepsorganisaties van auteurs en uitvoerende kunstenaars en heeft als doel het versterken van het auteursrecht en het verbeteren van de onderhandelingsposities van makers en uitvoerende kunstenaars ten opzichte van producenten en opdrachtgevers. 2. Eiseres heeft ACM verzocht handhavend op te treden tegen gedragingen van NPO (het samenwerkings- en coördinatieorgaan van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau als bedoeld in artikel 2.1 van de Mediawet), de publieke omroepverenigingen en de publieke taakomroepen (hierna gezamenlijk aangeduid als de publieke omroepen), omdat zij volgens eiseres onderling hebben afgesproken om muziekauteurs op dezelfde wijze te contracteren of dit feitelijk allemaal op dezelfde wijze doen (overtreding artikel 6 van de Mw) en hun macht misbruiken (overtreding van artikel 24 van de Mw) door muziekauteurs bij de inkoop van auteursrechtelijk beschermde muziekwerken te dwingen om hun muziekwerken onder te brengen bij een muziekuitgever. Volgens eiseres hebben de muziekmakers geen andere keuze dan in te stemmen met onbillijke contractsvoorwaarden en is er sprake van verplichte winkelnering die leidt tot uitbuiting van muziekauteurs. Door deze verplichting op te nemen in de opdrachtovereenkomst tussen muzikanten en omroep moeten de muziekauteurs op grond van de repartitiereglementen van Buma-Stemra een aanzienlijk percentage van hun rechten aan de uitgever afstaan. Vervolgens worden de muziekauteurs in de uitgave-overeenkomst tussen de muziekauteur en de uitgever contractueel verplicht om een percentage (33-50%) van het gedeelte dat zij op grond van de repartitiereglementen nog ontvangen af te staan aan de uitgever. Dat gebeurt door in de uitgave-overeenkomst tussen de muziekauteur en de muziekuitgever te regelen dat de muziekauteur zijn wettelijke Buma/Stemrarechten deels overdraagt aan de muziekuitgever (de zogenoemde kickbackafspraken). De publieke omroepen en de muziekuitgever komen op hun beurt overeen om een deel van de gelden die de uitgever van Buma/Stemra heeft ontvangen vanwege de door de muziekauteur overgedragen rechten af te staan aan de desbetreffende omroep (de zogenaamde clawback). Op deze wijze weten de publieke omroepen een belangrijk deel van hun jaarlijkse lumpsum aan de Buma-Stemra ‘terug te verdienen’, aldus eiseres. 3. ACM heeft de klacht van eiseres beoordeeld als een situatie waarbij de omroepen misbruik maken van hun economische machtspositie op een mogelijke inkoopmarkt voor muziekwerk, dan wel als een situatie waarbij de omroepen onderling afspraken hebben gemaakt om dezelfde voorwaarden te hanteren bij de inkoop van muziekwerk. Dit betekent dat bij de beoordeling het Visiedocument Inkoopmacht van december 2004 als beoordelingskader geldt. Gelet op dit beoordelingskader is er volgens ACM onderzoek nodig naar de relevante markten waarop de publieke omroepen actief zijn en hun posities op deze markten, de veronderstelde onderlinge afspraken over de te hanteren inkoopvoorwaarden, de exacte feiten omtrent de gestelde gedraging, de mededingingssituatie op de verkoopmarkten (downstream) waarop de publieke omroepen actief zijn en naar de effecten van de gestelde gedragingen voor de consument. ACM stelt dat een dergelijk onderzoek een aanzienlijke inzet van middelen vergt. 4. Naar aanleiding van de aanvraag van eiseres is ACM in gesprek gegaan met eiseres en heeft zij haar in de gelegenheid gesteld de aanvraag toe te lichten en aan te vullen, waarvan eiseres gebruik heeft gemaakt. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft eiseres bij haar klacht twee (model)contracten overgelegd. Later heeft eiseres nog vijf geanonimiseerde (delen van) overeenkomsten ingebracht (een muziekuitgave-overeenkomst van een omroep met een auteur, een muziekopdrachtovereenkomst, een rechtenoverdracht/uitgeefovereenkomst van een muziekuitgever, een bijlage bij een uitgeefovereenkomst van een muziekuitgever en een van het internet afkomstig modelmuziekuitgave-overeenkomst). Verder heeft ACM informatie ingewonnen bij twee muziekuitgeverijen en bij NPO. Op basis van deze gegevens heeft ACM onvoldoende concrete aanwijzingen gevonden voor de stelling van eiseres dat muziekauteurs door de publieke omroepen verplicht worden te werken via een muziekuitgever, daargelaten dat de omroepen dit onderling zouden hebben afgestemd. Daarbij heeft ACM zich op het standpunt gesteld dat, als het door eiseres gestelde gedrag zich daadwerkelijk voordoet, dit bij de leden van eiseres bekend moet zijn en dat eiseres haar standpunt met het overleggen van meer overeenkomsten of andere documentatie had kunnen onderbouwen. 5. ACM heeft geen aanleiding gezien om onderzoek te doen naar de horizontale inkoopsamenwerking – waarvoor volgens het Visiedocument de gevolgen op de inkoopmarkt (upstreammarkt) onderzocht moeten worden, evenals de positie van de inkopers op de eigen verkoopmarkt (downstreammarkt) –, omdat daarbij allereerst moet worden aangetoond dat er sprake is van afstemming en op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat daarvan geen sprake is. 6. Gelet op zijn prioteringsbeleid heeft ACM na deze beperkte inhoudelijke beoordeling besloten om de aanvraag af te wijzen. Verder onderzoek van de klacht acht ACM niet doeltreffend en doelmatig, aangezien de klacht van eiseres, zoals nader toegelicht en aangevuld, en het vooronderzoek onvoldoende concrete aanwijzingen geven dat de gestelde gedragingen van de publieke omroepen tot gevolg kunnen hebben dat de mededinging daadwerkelijk wordt beperkt en nadelige gevolgen hebben voor consumenten, de aanwijzingen voor een mogelijke overtreding van artikel 6 van de Mw zeer beperkt zijn en het minder evident is dat na aanvullend onderzoek het gedrag van de publieke omroepen als uitbuiting zal worden aangemerkt. Daarnaast acht ACM het aannemelijk dat eventuele inkoopvoordelen worden doorgegeven aan de consument, waardoor het consumentenbelang niet in het geding is. Aan het individuele belang van eiseres komt volgens ACM onvoldoende gewicht toe om tot verder onderzoek over te gaan, gelet op de geringe kans op het vaststellen van een overtreding van de Mw. 7. Eiseres stelt dat ACM ten onrechte geen prioriteit geeft aan haar handhavingsverzoek, terwijl zij daarvoor volgens haar voldoende bewijsmateriaal heeft aangedragen en uit het eigen onderzoek van ACM en uit de hoorzitting voldoende aanwijzingen naar voren zijn gekomen om het vermoeden van eiseres, dat er sprake is van verboden gedragingen, te bevestigen. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, omdat geen onderzoek is verricht bij de individuele publieke omroepen. Voor de door eiseres tijdens de hoorzitting beschreven werkwijze van de publieke omroepen, die niet weersproken is, is volgens eiseres geen logische verklaring, anders dan dat de publieke omroepen zich door hun gedrag onderling af te stemmen ervan verzekeren muziekauteurs te contracteren op de door eiseres beschreven voorwaarden om zo een kostbare wedloop om de gunst van de muziekauteurs te voorkomen. Eiseres stelt dat ACM zijn conclusie dat er geen onderlinge afstemming is onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat hij in bezwaar selectief heeft geput uit de bij de hoorzitting naar voren gebrachte standpunten van partijen en zich heeft gebaseerd op blote ontkenningen van derde-partijen, terwijl ACM het door eiseres aangedragen bewijsmateriaal, waaruit blijkt dat de omroepen identieke contractvoorwaarden hanteren, niet heeft onderzocht. Verder stelt eiseres dat ACM het door haar aangedragen bewijs met betrekking tot kickbackafspraken bij contracten van meer dan € 10.000 niet heeft meegenomen en dat aan de vaststelling dat er geen sprake van een economische machtspositie is, geen kwantitatief onderzoek ten grondslag ligt. Voorts stelt eiseres dat uit het gebruik van de voornaam van de geadresseerde in de aanhef van brieven van ACM aan een aantal omroepen blijkt dat de clustermanager die mede verantwoordelijk was voor het onderzoek ten minste twee omroepdirecteuren kende, waardoor de schijn van partijdigheid is gewekt. 8. De rechtbank overweegt ten aanzien van de door derde-partijen opgeworpen vraag of eiseres wel is aan te merken als een belanghebbende, dat eiseres een belangenorganisatie is die als doel heeft het versterken van het auteursrecht en het verbeteren van de onderhandelingspositie van makers ten opzichte van producenten en opdrachtgevers. Daarmee is eiser naar het oordeel van de rechtbank een belangenorganisatie die voor haar leden - in dit geval de muziekmakers- opkomt en als zodanig is aan te merken als een belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2006:AY6762). 9. Ten aanzien van de stelling van eiseres over de schijn van partijdigheid heeft ACM zich op het standpunt gesteld dat het gebruik van een voornaam een niet ongebruikelijke aanhef is als men elkaar kent uit hoofde van de functie. De rechtbank is van oordeel dat enkel deze wijze van communiceren niet de schijn van partijdigheid oproept. Nu eiseres haar stelling niet met andere argumenten heeft onderbouwd, ziet de rechtbank geen aanleiding om partijdigheid aan te nemen. 10. Verder staat ter beoordeling van de rechtbank of ACM het verzoek van eiseres om wegens overtreding van de artikelen 6 en 24 van de Mw handhavend op te treden tegen gedragingen van de publieke omroepen in redelijkheid mocht afwijzen op basis van een beperkt vooronderzoek na een belangenafweging volgens het prioriteringsbeleid. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft in zijn uitspraak van 20 augustus 2010 (ECLI:NL:CBB:2010:BN4700) hiervoor het volgende algemene kader geschetst: “7.2.1 Een klacht van een belanghebbende waarbij aan NMa wordt voorgelegd dat een of meer ondernemingen inbreuk maken op regels waarvan NMa ingevolge de Mw toeziet op de naleving, moet worden aangemerkt als een aanvraag tot handhaving van deze regels, in het bijzonder om met toepassing van artikel 56 en 62 Mw een boete of last onder dwangsom aan de desbetreffende onderneming(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.