← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ1115

RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 12/2879 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2013 in de zaak tussen [x], te Rotterdam, eiser, gemachtigde: mr. P. van Baaren, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder, gemachtigde: D. Çevik. Procesverloop Bij besluiten van 27 februari 2012 en 3 april 2012 heeft verweerder eisers aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) voor advocaatkosten en griffiekosten afgewezen. Bij besluit van 28 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen die besluiten gedeeltelijk gegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari

  1. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard door alsnog bijzondere bijstand voor de kosten eigen bijdrage rechtsbijstand toe te kennen. Voor het overige handhaaft verweerder zijn standpunt dat geen bijzondere bijstand kan worden toegekend voor de kosten van griffierechten (van € 379,-). Het gaat hier, aldus verweerder, om een aflossing van een schuldenlast want eisers gemachtigde had die kosten al voor indiening van de aanvraag bijzondere bijstand voldaan
  3. Eiser voert aan dat de griffiekosten door zijn gemachtigde zijn voorgeschoten. Eiser stelt dat hier geen sprake is van een lening die afgelost wordt maar om kosten die gemaakt worden en voortvloeien uit een overeenkomst.
  4. In een uitspraak van 7 augustus 2007 (LJN: BB1649), waar verweerder naar heeft verwezen, heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat van een schuld sprake is als de kosten al voor de dag van de aanvraag bij de belanghebbende in rekening zijn gebracht maar nog niet zijn voldaan. Zijn de kosten voor de dag van de aanvraag wel bij belanghebbende in rekening gebracht en feitelijk al door een ander betaald, dan is sprake van een schuld jegens die ander, indien een verplichting tot terugbetaling jegens die ander voldoende is aangetoond. Kosten die voor de dag van de aanvraag zijn gemaakt maar eerst daarna bij de belanghebbende in rekening worden gebracht en kosten die op of na de aanvraagdatum zijn of zullen worden gemaakt kunnen niet als schuld worden beschouwd.
  5. Vaststaat dat eisers gemachtigde de griffiekosten heeft voldaan voordat op 31 januari 2012 daarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd en die kosten zijn eerst na het indienen van de aanvraag bij eiser in rekening gebracht. De rechtbank heeft immers de griffiekosten gefactureerd aan eisers gemachtigde en laatstgenoemde heeft nadien pas die kosten in rekening gebracht bij eiser.
  6. Gezien het vorenstaande heeft verweerder ten onrechte het standpunt ingenomen dat het hier om een schuld gaat. Het bestreden besluit dient om die reden in zoverre vernietigd te worden en eisers beroep is gegrond. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat eiser recht heeft op bijzondere bijstand ten bedrage van € 379,-.
  7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
  8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond, - vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op de aanvraag om bijzondere bijstand voor griffiekosten, - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit en bepaalt dat eiser bijzondere bijstand moet worden toegekend ten bedrage van € 379,-, - bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 42,00 vergoedt, - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,- te betalen aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Damsteegt, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari
  9. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.