vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team Haven en Handel zaaknummer / rolnummer: 361655 / HA ZA 10-2619 Vonnis van 13 februari 2013 in de zaak van 1. [eiser 1], wonende te Genève, Zwitserland, 2. de rechtspersoon naar het recht van Luxemburg [eiser 2], gevestigd te Luxemburg, Luxemburg, eisers, advocaat mr. J. Kneppelhout, t e g e n : [gedaagde], wonende te Bussum, gedaagde, advocaat mr. J.H. Lemstra, Partijen zullen hierna respectievelijk als volgt worden aangeduid: - [eiser 1], - [eiser 2] en - [gedaagde], tenzij anders is vermeld. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit: - de dagvaarding met producties, - de conclusie van antwoord van [gedaagde] houdende exceptief verweer terzake nietigheid dagvaarding alsmede houdende principale verweren, met producties, - de conclusie van repliek, met producties, - de conclusie van dupliek van [gedaagde], met producties, - de pleitnota van mr. Peters, - de pleitnota van mr. Lemstra, - het proces-verbaal van de pleitzitting van 3 december 2012. 1.2. Bij deze rechtbank is voorts aanhangig de zaak met kenmerk 34223 / HA ZA 09-3431. Daarin treden [eiser 1] en [eiser 2] als eisers op tegen zeven gedaagden, waaronder [gedaagde]. In deze zaak is gelijktijdig gepleit en wordt gelijktijdig vonnis gewezen. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. Het geschil 2.1. Het is de rechtbank gebleken dat in deze zaak eerst beslissingen moeten worden genomen op enkele meer formele punten voordat kan worden toegekomen aan de beoordeling van de inhoudelijke stellingen. Om die reden zal de rechtbank in dit stadium nog niet definitief feiten vaststellen maar volstaan met een samenvatting en een beoordeling van het geschil ten aanzien van deze formele punten. 2.2. Zeer verkort samengevat komt het geschil tussen partijen op het volgende neer. [eiser 1] is een zeer vermogend man. [eiser 2] is zijn beleggingsmaatschappij. In 2006 zijn [gedaagde] en [eiser 1] met elkaar in contact gekomen. [gedaagde] was destijds als CEO Benelux van Credit Suisse (CS) werkzaam. [gedaagde] heeft volgens [eiser 1] hem daarna op zeer regelmatige basis beleggingsadviezen gegeven buiten zijn dienstverband met CS om. [gedaagde] heeft ten aanzien van een deel van het vermogen van eisers allerhande beleggingsadviezen gegeven. Deze zijn door eisers opgevolgd en vervolgens ondeugdelijk gebleken volgens eisers waardoor zij enorme verliezen hebben geleden. Volgens eisers is aan deze mondelinge overeenkomst tot het verstrekken van beleggingsadvies een einde gekomen op 17 december 2008. [gedaagde] betwist het bestaan van een overeenkomst tot het verstrekken van beleggingsadvies op grond van diverse argumenten, waaronder dat hij altijd heeft gehandeld als medewerker van CS en nooit als zelfstandige opdrachtnemer van eisers. Ook overigens betwist hij gemotiveerd onrechtmatig te hebben gehandeld. [gedaagde] heeft nooit enige vergoeding ontvangen van eisers uit welke hoofde dan ook. 3. De vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] Door [eiser 1] en [eiser 2] is de volgende eis ingesteld: “1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] jegens eisers toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van verplichtingen die op hem als beleggingsadviseur rusten, althans dat [gedaagde] jegens eisers onrechtmatig heeft gehandeld; 2. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de door eisers tengevolge van de tekortkomingen van [gedaagde] geleden en nog te lijden schade vermeerderd met de wettelijke rente, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; en 3. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.” 4. De verweren [gedaagde] verzoekt de rechtbank primair om de dagvaarding van 23 februari 2010 nietig te verklaren. Subsidiair verzoekt hij eisers niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen tegen [gedaagde], althans deze vorderingen integraal af te wijzen. Zowel primair als subsidiair vordert hij dat eisers worden veroordeeld in de proceskosten, de wettelijke rente daarover alsmede in de nakosten. 5. De beoordeling 5.1. Zoals hierover overwogen dient de rechtbank eerst aandacht te besteden aan een aantal formele punten. Nietigheid dagvaarding 5.2. [gedaagde] voert aan dat de dagvaarding geen deugdelijke onderbouwing kent. Er zijn juist allerhande aanwijzingen, waaronder overeenkomsten van beleggingsadvies tussen eisers en zijn voormalige werkgever CS, waaruit volgt dat hij niet als privépersoon een dergelijke overeenkomst met eisers is aangegaan. Enig bewijs van de gestelde mondelinge overeenkomst is er niet en evenmin wordt uitgelegd om welke reden Nederlands recht daarop van toepassing zou zijn. Aldus is sprake van schending van artikel 111 lid 2 aanhef onder d Rv. Hierdoor wordt [gedaagde] in zijn processuele belangen geschaad. Om dezelfde redenen dienen eisers in hun vorderingen jegens [gedaagde] niet-ontvankelijk te worden verklaard. Eisers betwisten een en ander gemotiveerd. 5.3. De rechtbank oordeelt dat uit de dagvaarding duidelijk volgt dat eisers stellen dat sprake is van een mondelinge overeenkomst tussen hen als opdrachtgevers en [gedaagde] als opdrachtnemer, strekkende tot het geven van beleggingsadviezen. Eisers stellen dat niettegenstaande het dienstverband van [gedaagde] met CS er sprake is van een zelfstandige overeenkomst en onderbouwen dit aan de hand van producties, waaronder e-mails geschreven door [gedaagde]. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van een nietige dagvaarding. Evenmin moeten eisers niet-ontvankelijk worden verklaard, temeer nu bij antwoord, dupliek en pleidooi [gedaagde] uitvoerig en op gedetailleerd niveau inhoudelijk verweer weet te voeren. Ontvankelijkheidsverweren 5.4. [gedaagde] voert aan dat [eiser 1] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen dient te worden verklaard omdat het belegde vermogen afkomstig is van [eiser 2] en niet van [eiser 1] die dus geen zelfstandig vorderingsrecht heeft. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Het debat op de pleitzitting heeft zich toegespitst op de positie van eisers in de vereffening van Selectica in de procedure met rolnummer 34223 / HA ZA 09-3431. Uitgaande hiervan oordeelt de rechtbank dat onvoldoende is weersproken door eisers dat het belegde vermogen afkomstig is van [eiser 2] en dat terzake de onderhavige procedure geen sprake is van enige cessie tussen [eiser 2] en [eiser 1]. Dit betekent dat [eiser 1] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. 5.5. Hierna zal de rechtbank enkel nog [eiser 2] als procespartij aanmerken en niet langer [eiser 1]. Waar de naam van [eiser 1] wordt gebezigd ziet dit op zijn optreden namens zijn beleggingsmaatschappij [eiser 2], tenzij anders is vermeld. Toepasselijk recht 5.6. Zoals gezegd dient de rechtbank allereerst de nodige formele verweren te beslechten voordat aan de inhoudelijke kant van de zaak kan worden toegekomen. Onder zulke formele verweren begrijpt de rechtbank de kwestie van het recht dat zij moet toepassen. Van belang is dat per rechtsverhouding dit recht dient te worden vastgesteld. Daarbij geldt dat [eiser 2] van mening is dat de rechtbank Nederlands recht moet toepassen. 5.7. [eiser 2] stelt dat tussen [gedaagde] en [eiser 2], in de persoon van haar bestuurder [eiser 1], een overeenkomst van opdracht (het geven van beleggingsadviezen en beheer) tot stand is gekomen. Voorts stelt [eiser 2] dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. 5.8. In de pleitnota stelt [gedaagde] dat Zwitsers recht van toepassing is op zijn eventuele rechtsverhouding met [eiser 2]. [gedaagde] legt hieraan ten grondslag dat al zijn bemoeienissen ten behoeve van de door [eiser 2] verrichte investeringen zijn gedaan uit hoofde van zijn dienstverband met CS, een in Zwitserland gevestigde bank. [eiser 2] betwist dat gemotiveerd. 5.9. De rechtbank overweegt dat dit verweer van materiële aard is waarover later in deze procedure een oordeel wordt gegeven, ook omdat een verband bestaat met het verzoek op grond van artikel 22 Rv dat door [gedaagde] is gedaan en dat onder 5.23. van dit vonnis wordt toegewezen. Partijen mogen zich over de door [eiser 2] in het geding te brengen stukken nog uitlaten en daarna zal de rechtbank zo nodig een oordeel over dit materiële verweer van [gedaagde] geven. 5.10. Voor de vaststelling van het toepasselijke recht op deze eventuele rechtsverhouding uit overeenkomst gaat de rechtbank er veronderstellenderwijs van uit dat [gedaagde] niet als werknemer van CS is opgetreden maar zelfstandig. Als hij als werknemer van CS heeft gehandeld heeft, is immers geen sprake van een overeenkomst tussen [eiser 2] en [gedaagde] en dienen de vorderingen van [eiser 2] op deze grondslag te worden afgewezen. 5.11. Allereerst de door [eiser 2] gestelde overeenkomst van opdracht tussen [eiser 2] en [gedaagde]. [eiser 2] is gevestigd in Luxemburg. [gedaagde] is woonachtig in Nederland. [gedaagde] was destijds CEO van CS in de Benelux en woonde tijdens de uitoefening van deze functie in Nederland. Gebleken is dat [gedaagde] vanuit zijn woonhuis veelvuldig per e-mail (via zijn persoonlijke mailaccount of door in te loggen op de digitale werkomgeving van CS) contact hield met [eiser 2], in de persoon van met name [eiser 1]. 5.12. Ter bepaling van het toepasselijke recht komt niet in aanmerking EU-verordening nr. 593/2008, oftewel de “Rome I-verordening” (hierna: Rome I-Vo), aangezien de gestelde overeenkomst gesloten is voor de dag van inwerkingtreding van de Rome I-Vo, op 17 december 2009. Voordien gold het EEG-Verdrag van 19 juni 1980, oftewel het “EVO”. Gelet op de onder 5.17. vermelde datum van 1 augustus 2007 moet de rechtbank het EVO toepassen. Voorop staat ingevolge het EVO de rechtskeuze, die uitdrukkelijk moet zijn gedaan dan wel voldoende duidelijk moet blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval (art. 3 EVO). Een dergelijke rechtskeuze is echter gesteld noch gebleken. Bij gebreke van zulke rechtskeuze moet dan ook het toepasselijke recht gevonden worden aan de hand van de objectieve verwijzingsregels van artikel 4 EVO. De prestatie van [gedaagde], het geven van adviezen op beleggingsgebied, valt aan te merken als de kenmerkende prestatie in de zin van het tweede lid van artikel 4 EVO. Nu [gedaagde] zijn gewone verblijfplaats in de zin van dat tweede lid van artikel 4 EVO in Nederland heeft, volgt uit die bepaling dat in beginsel Nederlands recht op de overeenkomst van toepassing is. Dit lijdt slechts uitzondering als uit het geheel der omstandigheden blijkt dat deze overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land dan Nederland (art. 4 lid 5, tweede volzin, EVO). Zulke omstandigheden zijn echter gesteld noch gebleken. Daarom is de rechtbank van oordeel dat Nederlands recht van toepassing is op de overeenkomst tussen [eiser 2] en [gedaagde]. 5.13. Voor de bepaling van het recht dat van toepassing is op de onrechtmatige daad die [gedaagde] jegens [eiser 2] zou hebben gepleegd geldt het volgende. [eiser 2] is gevestigd in Luxemburg. [gedaagde] woont in Nederland. Aldus zou de EU-verordening nr. 864/2007, oftewel de “Rome II-Verordening” (hierna ook: Rome II-Vo), van toepassing zijn ware het niet dat deze materieel toepasselijke verordening ingevolge artikel 31 Rome II-Vo slechts van toepassing is op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich voordoen na de inwerkingsdatum 11 januari 2009 van deze verordening, zodat deze verordening niet temporeel toepasselijk is. Bij gebreke van andere toepasselijke, voor Nederland bindende, internationale en communautaire regelingen inzake het toepasselijk recht op een onrechtmatige daad, dient het toepasselijk recht te worden aangewezen door de verwijzingsregels van het commune Nederlandse internationale privaatrecht. Dit betekent dat de rechtbank de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (Stb. 2001, 190) (hierna: WCOD) moet toepassen. 5.14. De hoofdregel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.