← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2013:BZ4998

vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/400260 / HA ZA 12-368 Vonnis van 6 maart 2013 in de zaak van [Eiseres], gevestigd te Rotterdam, eiseres, advocaat: mr. drs. Th.J.M.L. Verhoeff, tegen [Gedaagde], gevestigd te Lunderskov, Denemarken, gedaagde, advocaat: mr. E.J. Offers. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de akte overlegging producties zijdens [Eiseres]; - de conclusie van antwoord, met producties; - het tussenvonnis van 16 januari 2013; - het proces-verbaal van comparitie van 13 februari 2013. 1.2. Vonnis is nader bepaald op heden. 2. De vaststaande feiten 2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast. 2.2. [Eiseres] is een groothandel in - onder meer - verf(waren). [Gedaagde] houdt zich bezig met de productie van (specialistische) verfproducten voor oppervlaktebehandeling. 2.3. Tussen partijen is op 30 juni 2009 een distributieovereenkomst gesloten (“distributieovereenkomst”) voor onbepaalde tijd, waarin is overeengekomen dat [Eiseres] als distributeur wordt aangesteld in Nederland en België op de “Do-It-Yourself”-markt van een tweetal producten van [Gedaagde], zijnde “Stonecolor” (verf voor bestrating) en “Climate Cooler” (dakverf). “Stonecolor” 2.4. Begin 2010 heeft [Eiseres] een bepaalde hoeveelheid Stonecolorproducten aan de bouwmarktketen [bedrijf 1] verkocht en geleverd. Omdat dit een bijzonder verfproduct is, is [Eiseres] met [bedrijf 1] een buitengewone regeling overeengekomen, inhoudende dat de Stonecolorproducten voor een langere duur dan normaal bij [bedrijf 1] in het assortiment worden opgenomen, te weten vanaf medio maart tot en met begin november 2010. 2.5. Omdat er een reëel risico bestond dat de Stonecolorproducten niet zouden aanslaan bij de afnemers, zijn [Eiseres] en [Gedaagde] op 2 februari 2010 een amendement op de distributieovereenkomst overeengekomen (“het amendement”), waarin een financiële regeling is bedongen ten aanzien van de Stonecolorproducten. In het amendement is onder meer het volgende bepaald: “(…) [Gedaagde] agrees to take 50% of the first order tot [bedrijf 1] back, if it is not sold latest on the 1st of October 2010. (…)” 2.6. In oktober 2010 heeft [bedrijf 1] aan [Eiseres] medegedeeld dat de Stonecolorproducten uit het assortiment van [bedrijf 1] worden gehaald maar dat [bedrijf 1] bereid is deze producten in het voorjaar/zomer 2011 weer in het assortiment op te nemen. 2.7. [bedrijf 1] heeft op 5 april 2011 aangegeven dat - als gevolg van verandering in het management - de Stonecolorproducten niet langer in het assortiment zullen worden opgenomen. 2.8. Bij e-mail d.d. 2 september 2011 bericht [Eiseres] aan [Gedaagde] dat zij de onverkochte Stonecolorproducten aan haar wil terugsturen. Vervolgens heeft [Eiseres] bij brief van 10 oktober 2011 aan [Gedaagde] medegedeeld dat zij op de voet van het amendement aanspraak maakt op vergoeding van 50% van de niet (door [bedrijf 1]) verkochte Stonecolorproducten, zijnde (na eisvermindering) € 23.218,-. 2.9. [Gedaagde] heeft bij e-mail d.d. 19 oktober 2011 geweigerd de producten terug te nemen en het door [Eiseres] gevorderde bedrag te betalen. “Climate Cooler” 2.10. Ten behoeve van de introductie van de “Climate Cooler” op de Nederlandse markt heeft [Eiseres] onder meer een website voor dit product ontwikkeld, deelgenomen aan een tweetal beurzen in 2011 en extra personeel aangetrokken ([persoon 1], “[persoon 1]”). Laatstgenoemde was aangesteld als contactpersoon bij [Eiseres] voor de “Climate Cooler” en onderhield namens [Eiseres] contacten met het bedrijf [bedrijf 2], een grote afnemer binnen de verfmarkt. 2.11. Bij e-mail d.d. 11 juli 2011 heeft [Gedaagde] aan [Eiseres] bericht dat zij niet langer de (enige) distributeur van [Gedaagde] voor de “Climate Cooler” is. Vervolgens heeft [Gedaagde] [bedrijf 2] aangesteld als exclusief distributeur van dat product en is in oktober 2011 [persoon 1] in dienst getreden van [bedrijf 2]. 3. Het geschil 3.1. [Eiseres] heeft (na eisvermindering) gevorderd, kort gezegd, dat [Gedaagde] bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan haar van: (

  1. i)€ 23.218,- ter zake de Stonecolorproducten, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, vanaf 10 oktober 2011, althans vanaf 5 december 2011, althans vanaf 26 maart 2012 tot de dag der algehele voldoening; (
  2. ii)€ 24.791,85 aan schadevergoeding ter zake de “Climate Cooler”, althans een bedrag als de rechtbank juist acht, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 5 december 2011, althans vanaf 26 maart 2012 tot de dag der algehele voldoening; (iii) € 1.788,- ter zake door [Eiseres] gemaakte buitengerechtelijke kosten overeenkomstig ‘Voorwerk II’, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2012 tot de dag der algehele voldoening, dit alles met veroordeling van [Gedaagde] in de proceskosten (nakosten daaronder begrepen), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van het onderhavige vonnis. 3.2. [Eiseres] heeft voor wat betreft de vordering aangaande de “Stonecolor” daaraan ten grondslag gelegd dat deze ziet op nakoming van het amendement, nu [Gedaagde] ten onrechte heeft geweigerd de betreffende Stonecolorproducten terug te nemen en het ter zake gevorderde bedrag te betalen van € 23.218,-, zijnde 50% van het restant aan onverkochte, bij [Eiseres] opgeslagen Stonecolorproducten. De tweede vordering ter zake “Climate Cooler” betreft een vordering tot vergoeding van de schade van [Eiseres] wegens onregelmatige beëindiging c.q. opzegging van de distributieovereenkomst. [Eiseres] heeft in dit verband aangevoerd dat Isopaint naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de kosten die [Eiseres] heeft gemaakt als investering in het product, zijnde de salariskosten van [persoon 1] (7 x het bruto maandsalaris van € 2.591,65) ad € 18.141,88 en de kosten voor de opgezette beursstands ad € 6.650,30 dient te vergoeden. Subsidiair voert [Eiseres] in dit verband aan dat [Gedaagde] alleen had mogen opzeggen met inachtneming van een redelijke opzegtermijn, opdat [Eiseres] haar investeringen terug zou kunnen verdienen. 3.3. [Gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Ter zake de Stonecolorproducten heeft zij betoogd dat de afspraak zoals vastgelegd in het amendement reeds was verlopen op het moment dat [Eiseres] zich daarop heeft beroepen en dat zij te laat is met haar aanspraak. Voor wat betreft de “Climate Cooler” heeft [Gedaagde] aangevoerd dat nimmer afspraken zijn gemaakt omtrent exclusiviteit. Ter zake de gevorderde schadevergoeding stelt zij dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de keuze van [Eiseres] om [persoon 1] in dienst te nemen. Met betrekking tot de standhuur voert zij aan dat uit de door [Eiseres] overgelegde facturen geenszins blijkt dat het hier gaat om de huur van een stand die geheel of deels was gewijd aan “Climate Cooler”. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. De rechtbank overweegt als volgt en stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat in de onderhavige kwestie, hoewel deze internationaalrechtelijke aspecten heeft, enkel het Burgerlijk Wetboek van toepassing is en dat het Weens Koopverdrag buiten toepassing blijft. “Stonecolor” 4.2.1. De rechtbank begrijpt dat [Eiseres] haar vorderingen ter zake de Stonecolorproducten baseert op nakoming van het amendement, inhoudende - kort gezegd - dat wordt gevorderd dat [Gedaagde] de betrefffende verfblikken “Stonecolor” terugneemt van [Eiseres] en het daaraan verbonden bedrag ad € 23.218,- aan [Eiseres] betaalt. [Eiseres] heeft in dit verband ter comparitie toegelicht dat partijen een vorm van risicodeling hebben afgesproken; het risico van de onverkochte verfblikken zou evenredig, bij helfte, over partijen worden verdeeld, aldus [Eiseres]. [Gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat zij op grond van het amendement gehouden is de verfblikken na het jaar 2010 terug te nemen, omdat [Eiseres] daarmee te laat is, zo betoogt zij. In het bijzonder voert zij aan dat de verfproducten weliswaar geen uiterste houdbaarheidsdatum hebben, maar dat omdat deze op waterbasis worden gemaakt de producten niet onbeperkt verkoopbaar zijn. Om die reden zou zij ook nimmer hebben kunnen instemmen met het terugnemen van de verfblikken na het jaar 2010 en hebben partijen dit ook niet bedoeld, aldus [Gedaagde]. 4.2.2. Partijen geven een verschillende uitleg aan de bepalingen uit het amendement, zodat allereerst ter beoordeling staat op welk wijze de tekst van het amendement dient te worden uitgelegd. 4.2.3. Voor het antwoord op de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over een weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten verwachten (Haviltex-norm). Ook de latere, na de totstandkoming van de overeenkomst, gedane verklaringen en gedragingen van partijen moeten hierbij in ogenschouw worden genomen (vgl. HR 24 april 2010, RvdW 2010, 579). Bovendien zijn telkens van beslissende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. 4.2.4. In het licht van het vorenoverwogene is van belang op te merken dat partijen beide professionele, zakelijke partijen zijn. Voorts is komen vast te staan dat partijen geen nadere afspraken (naast de distributieovereenkomst en het amendement) hebben gemaakt voor de periode ná 2010. [Eiseres] heeft de Stonecolorproducten in het najaar van 2010 niet terug gestuurd aan [Gedaagde], omdat hij anticipeerde op de ‘toezegging’ van [bedrijf 1] - de enige grote afnemer van de Stonecolorproducten - dat zij in de loop van 2011 de producten weer in haar assortiment zou opnemen. Nadat [bedrijf 1] in april 2011 bij [Eiseres] te kennen heeft gegeven de Stonecolorproducten niet langer in het assortiment op te nemen, heeft [Eiseres] op dat moment geen verdere actie richting [Gedaagde] ondernomen. Pas bij e-mail d.d. 2 september 2011 heeft [Eiseres] voor het eerst bij [Gedaagde] aangegeven dat zij de Stonecolorproducten (alsnog) wil terugsturen en op de voet van het amendement aanspraak maakt op het gevorderde bedrag. Ter comparitie heeft [Eiseres] toegelicht dat deze ‘late reactie’ een keuze is geweest, die is ingegeven door het feit dat partijen in bespreking waren over de “Climate Cooler”. 4.2.5. In het licht van de specifieke afspraken in het amendement had het naar het oordeel van de rechtbank evenwel op de weg van [Eiseres] gelegen om in een eerder stadium [Gedaagde] te informeren omtrent de onzekerheid aangaande de afname van de Stonecolorproducten door [bedrijf 1], doch in ieder geval aanstonds na de e-mail van [bedrijf 1] d.d. 5 april 2011; [Eiseres] heeft dit evenwel nagelaten. Naar het oordeel van de rechtbank moet er van worden uitgegaan dat partijen bedoeld hebben – en daarover ook overeenstemming hebben bereikt – dat de betreffende producten in het jaar 2010, vanwege het ongewone karakter van risicodeling tussen twee zakelijke partijen, retour gezonden zouden worden en dat alsdan [Eiseres] betaling zou krijgen van het gevorderde bedrag. Dit geldt te meer nu [Gedaagde] ter comparitie gemotiveerd heeft aangevoerd – en door [Eiseres] niet althans onvoldoende is weersproken – dat er weliswaar geen uiterste houdbaarheidsdatum op de verfblikken staat maar dat desalniettemin de verf ‘beperkt houdbaar’ is omdat het producten betreft waar water in zit waardoor deze niet oneindig verkoopbaar zijn. 4.2.6. Uit het uitblijven van enige vorm van actie vanuit [Eiseres] - zelfs nadat [bedrijf 1] in het voorjaar van 2011 te kennen heeft gegeven niet verder de Stonecolorproducten te zullen afnemen - heeft [Gedaagde] gerechtvaardigd mogen afleiden dat [Eiseres] geen aanspraak (meer) maakte op de afspraken uit het amendement en de verf ook niet meer retour zou zenden. Onder de gegeven omstandigheden kan niet van [Gedaagde] worden gevergd dat zij - na verloop van één jaar na de in het amendement genoemde datum van 1 oktober 2010 - alsnog de verfblikken in het najaar van 2011 terugneemt en het daaraan verbonden bedrag aan [Eiseres] betaalt. Dat is namelijk niet conform de gemaakte afspraken. “Climate Cooler” 4.3.1. Ter zake de “Climate Cooler” heeft [Eiseres] ter comparitie erkend dat tussen partijen nimmer een exclusieve distributieovereenkomst tot stand is gekomen en dat [Gedaagde] slechts heeft aangegeven dat [Eiseres] distributeur wordt van “Climate Cooler”. Dat [Eiseres] in de veronderstelling verkeerde dat sprake was van exclusiviteit en dat zij vervolgens op basis van die veronderstelling de door haar gestelde investeringen heeft gedaan doet aan het voorgaande niet af. Haar stelling dat de door haar gevorderde kosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moeten worden vergoed stuit dan ook op het voorgaande af. [Eiseres] heeft kosten gemaakt, zoals het in dienst nemen van [persoon 1] en de kosten met betrekking tot de beursstands. Deze kosten zijn evenwel voor rekening van [Eiseres] en behoren tot haar ondernemersrisico, omdat het haar keuze is geweest het product, waarvan zij wist dat zij daarvan niet de exclusief distributeur was, langs deze weg te promoten. De beginselen van redelijkheid en billijkheid voeren niet zo ver dat – in de gegeven omstandigheden – deze kosten voor rekening van [Gedaagde] dienen te komen. Dat betekent dat ook de vordering ter zake de “Climate Cooler” moet worden afgewezen. 4.3.2. Het subsidiaire betoog van [Eiseres] dat [Gedaagde] alleen had mogen opzeggen met inachtneming van een redelijke opzegtermijn, opdat [Eiseres] haar investeringen terug zou kunnen verdienen, behoeft geen nadere bespreking, nu [Eiseres] haar beroep op exclusiviteit van de distributieovereenkomst - in welk verband zij voornoemd betoog heeft gehouden - ter comparitie niet langer heeft gehandhaafd. 4.4. Op grond van het vorenoverwogene komt de rechtbank verder niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de gevorderde buitengerechtelijke kosten. De slotsom van de rechtbank luidt dat nu de vorderingen zijn afgewezen, [Eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden veroordeeld. 5. De beslissing De rechtbank wijst de vorderingen af; veroordeelt [Eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [Gedaagde] bepaald op € 1.789,- aan vast recht en op € 1.788,- aan salaris advocaat; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de uitgesproken proceskostenveroordelingen. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2013. 2542/1354

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.