ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6453
RECHTBANK ROTTERDAM vonnis van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam in de zaak van [eiseres], gevestigd te: [plaats], eiseres, gemachtigde: Agin Timmermans, tegen [gedaagde], gevestigd te: [plaats], gedaagde, gemachtigde: mr. D.L.A. Voskuilen.
Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres]” en “[gedaagde]”.
1.2 De uitspraak van dit vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.
2.1 Per e-mail van 25 november 2010 heeft [gedaagde], in de persoon van de heer [A] de opdracht voor taxatie van de volgende panden van [x B.V.] bevestigd aan [eiseres]:
Voorts staat in de e-mail van [A] het volgende, voorzover van belang: “(..) Volgens afspraak bedraagt de prijs inclusief verschotten exclusief omzetbelasting € 1.650,00 voor deze 4 taxaties. De nota wordt gedragen door [x B.V.] (..)”
2.2 [B] en [C] zijn werkzaam bij [x B.V.].
2.3 Bij e-mail van 29 november 2010 trekt [A] de opdracht aan [eiseres] in. Hij schrijft onder meer: “(..) vandaag bereikte mij bezwaren van één van de eigenaren om op deze wijze de opdracht aan u te verstrekken. U heeft de opdracht nog niet bevestigd aan mij. Ik wil de opdracht intrekken, zodat ik gelegenheid heb om met de andere eigenaar te overleggen. (..)”
2.4 Op 30 november 2010 schrijft [A] aan [B] en [C] onder meer het volgende: “(..) Deze middag heb ik lang gesproken met [B] en deze heeft voor zich vastgesteld dat hij verder kon met [taxateurs]. Daarop volgend heb ik gelijk getelefoneerd met dit kantoor. Echter zij hadden de afspraken voor morgen al afgezegd. De afspraken voor donderdag en vrijdag kunnen wel gewoon doorgaan. De afspraken voor morgen worden verzet naar volgende week. Mevrouw [D] neemt daarover contact met jullie op. (..)”
2.5 [eiseres] heeft de onder ro 2.1 genoemde panden getaxeerd en de daarop betrekking hebbende factuur d.d. 21 december 2010 ad € 2.380,00 aan [x B.V.] verzonden. [x B.V.] heeft de factuur onbetaald gelaten.
2.6 De gemachtigde van [x B.V.] heeft [eiseres] bij brief van 31 mei 2012 onder meer het volgende geschreven aan [eiseres]: “(..) 29-11-10 12.54 [B] aan [A]: beste Herman, als het zoveel scheelt en jij denkt dat deze persoon bekwaam is zie ik daar geen belemmering in. Dus trek dan de opdracht maar in bij [eiseres]. [B] (..) heeft [y] Makelaardij in [plaats], in persoon van de heer [E], als taxateur in de arm genomen.
Samengevat [A]:
Afsluiten is het evident dat mijn cliënte geen volmacht heeft afgegeven. (..)”
3.2 Aan haar vordering legt [eiseres] het volgende ten grondslag. De heer [A] van [gedaagde] heeft namens [x B.V.] opdracht gegeven tot taxatie van een viertal panden die in eigendom zijn van [x B.V.]. [eiseres] heeft de opdracht in december 2010 uitgevoerd en de factuur voor de overeengekomen bedragen op 21 december 2010 aan [x B.V.] gezonden. [x B.V.] heeft de factuur niet voldaan en stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] de opdrachtgever is en niet zij. Bij het sluiten van de overeenkomst heeft [gedaagde] niet binnen de grenzen van haar bevoegdheid gehandeld omdat zij niet de bevoegdheid had om namens [x B.V.] de bewuste overeenkomst met [eiseres] aan te gaan. Op grond van artikel 6:70 BW behoort [gedaagde] in te staan voor de door haar gepretendeerde vertegenwoordigings-bevoegdheid. Nu zij die bevoegdheid mist is zij op grond van artikel 3:70 BW jegens [eiseres] gehouden tot betaling van de factuur voor de vier taxaties.
5.2 Artikel 3:70 BW houdt in dat degene die namens een ander een overeenkomst sluit met een derde, jegens de derde dienst in de staan voor het bestaan en de omvang van zijn volmacht, tenzij de derde wist of moest weten dat een toereikende volmacht ontbrak dan wel de inhoud van de volmacht volledig aan de derde was medegedeeld. Dit instaan voor het bestaan en de omvang van de volmacht houdt in dat de pseudo-gevolmachtigde, indien de volmacht niet in de gestelde omvang aanwezig blijkt te zijn, aan de derde de door het ontbreken van een toereikende volmacht ontstane schade dient te vergoeden.
5.3 Vast staat dat [gedaagde] zich bij het afnemen van de opdracht heeft gepresenteerd als volledig bevoegd vertegenwoordiger van [x B.V.]. [gedaagde] heeft immers aangevoerd dat zij op verzoek van [x B.V.] de onderhandelingen met betrekking tot de taxatie heeft gevoerd met [eiseres]. Voorts heeft de door [eiseres] uitgevoerde taxatie betrekking gehad op een viertal panden van [x B.V.]. Nu [gedaagde] aangevoerd heeft als gevolmachtigde te handelen stond zij dus jegens [eiseres] in voor het bestaan en de omvang van de volmacht, zoals bedoeld in artikel 3:70 BW. De aldaar genoemde uitzonderingsgevallen doen zich hier immers niet voor, nu op dit punt niet is gesteld of gebleken.
5.4 [eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde] geen toereikende volmacht had en heeft een brief van de gemachtigde van [x B.V.] in het geding gebracht. In deze brief schrijft de gemachtigde van [x B.V.] dat [gedaagde] geen volmacht had om [x B.V.] te binden jegens [eiseres]. [gedaagde] heeft dit betwist en onder meer aangevoerd dat zij in opdracht van medebestuurder [C] de overeenkomst met [eiseres] heeft gesloten. Voorts heeft [gedaagde] verwezen naar haar e-mail van 30 november 2010 aan [B] en [C] waarin staat: “Deze middag heb ik lang gesproken met [B] en deze heeft voor zich vastgesteld dat hij verder kon[eiseres]taxateurs]. Daarop volgend heb ik gelijk getelefoneerd met dit kantoor. Echter zij hadden de afspraken voor morgen al afgezegd.
De afspraken voor donderdag en vrijdag kunnen wel gewoon doorgaan. De afspraken voor morgen worden verzet naar volgende week. Mevrouw [D] neemt daarover contact met jullie op”. Hoewel dit bericht niet te rijmen is met de stelling van [eiseres] (en [x B.V.]) dat [gedaagde] niet bevoegd was [x B.V.] in deze te vertegenwoordigen blijkt hieruit onvoldoende dat [gedaagde] gevolmachtigd was om namens [x B.V.] een overeenkomst van opdracht te sluiten met [eiseres]. Immers, een schriftelijke bevestiging zijdens [B] en Vesters ontbreekt. Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter het voorshands – en behoudens tegenbewijs – bewezen acht dat [gedaagde] niet gevolmachtigd was om namens [x B.V.] een overeenkomst van opdracht te sluiten met [eiseres]. [gedaagde] wordt toegelaten tot het tegenbewijs daarvan.
Dit houdt in dat zij bewijs moet aandragen op grond waarvan het voorshands geleverd geachte bewijs gemotiveerd wordt weerlegd.
5.5 Iedere verdere beslissing wordt in dit stadium van de procedure aangehouden.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. de Winkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.