Rechtbank Rotterdam – ECLI:NL:RBROT:2013:CA0078
RECHTBANK ROTTERDAM Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 11/02338 Einduitspraak van de meervoudige kamer van 14 februari 2013 in de zaak tussen Budgetticket B.V. en Worldticketshop B.V. te Groningen, eiseressen, gemachtigde: mr. C.I.M. Molenaar, en de Consumentenautoriteit, verweerder, gemachtigden: mr. I.S. Post en mr. S. Scheerhout.
Procesverloop Bij besluit van 26 augustus 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Budgetticket B.V. (Budgetticket) vier lasten onder dwangsom en aan Worldticketshop B.V. (Worldticket) drie lasten onder dwangsom opgelegd.
Bij besluiten van 14 december 2010 heeft verweerder van Budgetticket en Worldticket dwangsommen ingevorderd.
Bij besluit van 18 april 2011 heeft verweerder van Budgetticket een dwangsom ingevorderd.
Bij besluit van 26 april 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen deels gegrond verklaard, het primaire besluit in zoverre herroepen en bepaald dat twee lasten ten aanzien van Budgetticket en één last ten aanzien van Worldticket komen te vervallen.
Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij besluit van 9 november 2011 heeft verweerder van Budgetticket een dwangsom ingevorderd.
De rechtbank heeft op 28 juni 2012 tussenuitspraak gedaan en met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verweerder in de gelegenheid gesteld een gebrek dat kleeft aan het bestreden besluit en aan het invorderingsbesluit van 9 november 2011 te herstellen.
Verweerder heeft naar aanleiding hiervan bij brief van 19 juli 2012 van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
Eiseressen hebben bij brief van 5 september 2012 hun zienswijze gegeven over verweerders wijze van herstel van het gebrek.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen 1. De tussenuitspraak van 28 juni 2012 maakt deel uit van deze einduitspraak. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder, mede gelet op hetgeen eiseressen terzake hebben aangevoerd, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het tot de voornaamste kenmerken van het product behoort dat de door eiseressen doorverkochte tickets, waarop bij de oorspronkelijke verkoop de KNVB standaardvoorwaarden dan wel de algemene verkoopvoorwaarden van het Belgische Teleticketservice van toepassing waren, ongeldig zijn en dat daaraan het risico is verbonden dat daarmee de toegang tot het evenement wordt geweigerd. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank ook geoordeeld dat er een gebrek kleeft aan de motivering van het invorderingsbesluit van 9 november 2011 gericht aan Budgetticket, nu daaraan ten grondslag ligt dat voor de tickets voor Europa League- en/of Champions League wedstrijden de KNVB standaardvoorwaarden van toepassing zijn, terwijl eiseressen dit hebben betwist.
Bestreden besluit 3. Verweerder heeft in deze brief samengevat gesteld dat het bij een ticket gaat om het verkrijgen van een recht op toegang tot een evenement en dat dit recht op toegang kan worden aangemerkt als een vordering op naam. Ingevolge artikel 3:83, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn vorderingsrechten overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet. Op grond van artikel 3:83, tweede lid, van het BW kan de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht worden uitgesloten door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar. Verweerder stelt dat uit het arrest van 17 januari 2003 van de Hoge Raad (HR, LJN: AF0168) volgt dat een beding dat de overdraagbaarheid van een vordering uitsluit, leidt tot de niet-overdraagbaarheid van de vordering en derhalve tot de ongeldigheid van de overdracht.
Verweerder stelt dat het enkele feit dat er algemene voorwaarden zijn opgesteld waarin een onoverdraagbaarheidsbeding is opgenomen impliceert dat is bedoeld het betreffende recht op naam te stellen. Dat die naam bij de voetbaltickets niet op het ticket zelf staat, is in dat verband niet doorslaggevend. In de algemene verkoopvoorwaarden van Teleticketservice, dan wel de KNVB standaardvoorwaarden is een dergelijk beding opgenomen, hetgeen betekent dat de overdracht van de eerste koper aan de opvolgende koper ongeldig is en dat deze niet het recht op toegang tot het evenement verkrijgt dan wel dat de geldigheid van het ticket vervalt.
5.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder het gebrek aan het bestreden besluit, dat ziet op de voornaamste kenmerken van het product, nu voldoende heeft hersteld. Het ticket is een vordering op naam, een relatief recht jegens de wederpartij dat uit het contract ontstaat en door het contract en de onderliggende algemene voorwaarden wordt geregeerd. Hoewel het ticket in de praktijk vaak een functie als toondervordering zal hebben, blijft het ticket juridisch gezien een vordering op naam. Alleen als partijen bij het aangaan van de overeenkomst afspreken dat de betreffende vordering aan toonder gesteld zal zijn, dan is sprake van een toonderstuk. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat aangenomen kan worden dat - gelet op de algemene voorwaarden waarin een onoverdraagbaarheidsbeding is opgenomen - in het onderhavige geval niet is overeengekomen dat het ticket van de KNVB of van Teleticketservice een bewijs aan toonder is. Hetgeen verweerder in dit verband verder in haar brief van 19 juli 2012 nog heeft aangevoerd ter motivering hiervan is - wat daar verder ook van zij - overbodig.
5.2 Nu het een vordering op naam betreft, heeft artikel 6:146 van het BW geen toepassing en hoeft de beperking van de overdracht niet uit het papier kenbaar te zijn. Uit overweging 3 van het genoemde arrest van de HR volgt tevens dat de onoverdraagbaarheid - zoals in casu geregeld in de KNVB standaardvoorwaarden en de algemene voorwaarden van Teleticketservice - aan een opvolger kunnen worden tegengeworpen, zelfs als hij er niets van af wist. In dit arrest heeft de HR immers overwogen: “3.4.2. Art. 3:83 lid 2 BW brengt immers mee dat de overdraagbaarheid van een vordering kan worden uitgesloten door een beding (opmerking rechtbank: verbod om de uit de overeenkomst voortvloeiende vorderingen zonder toestemming te cederen, verpanden of onder welke titel dan ook eigendom over te dragen) als hier tussen [A] en [B] is gemaakt. Anders dan het onderdeel betoogt, levert een overdracht in strijd met zo'n beding niet slechts wanprestatie van de gerechtigde tot de vordering tegenover zijn schuldenaar op, maar heeft het beding ongeldigheid van die overdracht tot gevolg. (…). Of Oryx ten tijde van de verpanding op de hoogte was van het (…) verbod, doet niet terzake. (…)”.
Invorderingsbesluiten van 14 december 2010 en 18 april 2011 gericht aan Budgetticket 7. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder terecht heeft geconstateerd dat Budgetticket niet aan de opgelegde last 4 heeft voldaan en derhalve dwangsommen van € 5.000 en € 10.000 heeft verbeurd.
10.1 Terzake van het invorderingsbesluit van 18 april 2011 heeft Budgetticket nog aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen rapport als bedoeld in artikel 5:48 van de Awb heeft opgemaakt. Gezien de substantiële omvang van de ingevorderde dwangsommen en het ingrijpende karakter daarvan had verweerder daarvan niet mogen afzien.
10.2 Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen onder 4.3 merkt de rechtbank op dat op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Whc op het opleggen van de lasten onder dwangsom artikel 5:48 van de Awb van overeenkomstige toepassing is. Dit geldt niet voor artikel 5:53 van de Awb, dat bij het opleggen van een bestuurlijke boete hoger dan € 340 verplicht tot het opmaken van een rapport. De rechtbank overweegt dat artikel 5:48, eerste lid, van de Awb verweerder de bevoegdheid geeft - en derhalve niet de verplichting oplegt - een rapport op te maken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen rapport op te maken. De hoogte van de dwangsommen en het door Budgetticket gestelde ingrijpende karakter is geen reden om anders te oordelen.
Invorderingsbesluit 9 november 2011 gericht aan Budgetticket 12. Bij de brief van 19 juli 2012 stelt verweerder dat nu door eiseressen niet wordt betwist dat de KNVB standaardvoorwaarden van toepassing zijn in de relatie tussen de primaire verkoper van de tickets en de eerste aankoper van de tickets, de vraag of deze ook van toepassing zijn op voetbalwedstrijden georganiseerd door de UEFA verder buiten beschouwing kan blijven. Dit volgt immers uit artikel 1, aanhef en onder f, van die voorwaarden.
Eindoordeel 15. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak en in deze uitspraak is overwogen komt de rechtbank tot de volgende conclusies:
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen, voorzitter, en mr. M. Schoneveld en prof. mr. J.G.J. Rinkes, leden, in aanwezigheid van mr. M. Traousis-van Wingaarden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2013. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.