vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team Haven & Handel zaaknummer / rolnummer: C/10/394621 / HA ZA 12-81 Vonnis van 24 april 2013 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE ROTTERDAM, zetelend te Rotterdam, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. Y.J.H. van Griensven te Rotterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde], gevestigd te 's-Gravenhage, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. D.J. Bakker te Zoetermeer. Partijen zullen hierna “de Gemeente” en “[gedaagde]” genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding d.d. 17 januari 2012 en de door de Gemeente overgelegde producties; - de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties; - het tussenvonnis van 4 april 2012, waarbij een comparitie van partijen is bepaald; - de conclusie van antwoord in reconventie, met producties; - de akte houdende verzoek tot wijziging van eis in reconventie tevens akte in het geding brengen producties, zijdens [gedaagde]; - het proces-verbaal van comparitie gehouden op 6 november 2012, inclusief de daarin genoemde stukken en inclusief de daarop ingekomen reacties zijdens [gedaagde] en de Gemeente. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald, aanvankelijk op 16 januari 2013. 2. De feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weer¬sproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast: 2.1. [gedaagde] exploiteert een groothandel in vlees en vleeswaren. 2.2. [gedaagde] is erfpachter van het perceel met opstal, te weten een bedrijfspand, aan [adres], dat in eigendom is van de Gemeente. Het perceel is op 4 juli 1979 door de Gemeente aan Het Rotterdams Varkensslachthuis in erfpacht uitgegeven. Het recht van erfpacht is, na al enkele malen eerder te zijn overgedragen, bij akte van levering d.d. 26 oktober 2005 aan [gedaagde] overgedragen. In deze akte is onder meer bepaald: “(…) Artikel 4 1.a. Het terrein alsmede de daarop gestichte of te stichten bebouwing worden nu of later voor geen ander doel gebruikt dan ten dienste van een slachthuis, behoudens door burgemeester en wethouders te verlenen, naar de akte verwijzende ontheffing. Burgemeester en wethouders kunnen aan deze eventueel te verlenen ontheffing voorwaarden verbinden, waaronder van financiële aard; (…)” 2.3. Op de erfpacht zijn de Algemene bepalingen voor de uitgifte in erfpacht van gronden der gemeente Rotterdam bestemd voor industriële doeleinden, besluit van 1 september 1931, Gemeenteblad 1950 (hierna: Algemene bepalingen) van toepassing. Hierin is onder meer bepaald: “(…) Artikel 10 (…) 5 Op het terrein en in hetgeen daarop zal worden gebouwd, zal geenerlei inrichting mogen worden opgericht of bedrijf worden uitgeoefend, waardoor naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders gevaar, schade of hinder wordt veroorzaakt. (…) Artikel 19 1. Met afwijking van de bepalingen der artt. 780 en 781 van het Burgerlijk Wetboek kan, onverminderd het hierboven bij art. 17 bepaalde, indien de erfpachter langer dan zes maanden in gebreke gebleven is om den canon te betalen, alsmede ingeval niet voldaan wordt aan eenige verplichting, den erfpachter opgelegd bij of krachtens de bijzondere voorwaarden, of wanneer het terrein gedurende langer dan 2 jaren achtereen naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders niet in exploitatie is geweest, het erfpachtsrecht bij besluit van de Gemeente vervallen verklaard worden, onverminderd het recht van de Gemeente op schadevergoeding, wanneer daartoe termen aanwezig zijn. (…) Artikel 20 1. Indien het erfpachtsrecht eindigt op de in het vorige artikel bedoelde wijze, mag de erfpachter geen der opstallen wegnemen en kan hij van de Gemeente geen vergoeding van de waarde vorderen. 2. De Gemeente is verplicht binnen zes maanden na den door den Gemeenteraad vastgestelden dag, waarop het erfpachtsrecht eindigt en de grond met opstallen ter vrije beschikking van de Gemeente gesteld moet zijn, een openbare verkooping volgens plaatselijke gewoonte en onder de gebruikelijke veilingvoorwaarden te doen houden van een erfpachtsrecht, op den grond met de opstallen te verleenen voor het nog niet verstreken gedeelte van den termijn van het geeindigde erfpachtsrecht en overigens onder de voor dat recht gegolden hebbende bepalingen en voorwaarden. 3. De opbrengst van de verkooping wordt aan den erfpachter, wiens erfpachtsrecht geëindigd is, uitgekeerd na aftrek van hetgeen aan de Gemeente met betrekking tot dat recht nog verschuldigd is en van de te haren laste komende kosten der verkooping. (…)” 2.4. Op het perceel (met bebouwing) gelegen naast het perceel aan [adres] rust eveneens een erfpachtsrecht ten gunste van [gedaagde]. De bebouwingen op de percelen tezamen vormen een loods met een kantoor, verbonden door een trap. [gedaagde] heeft de beide percelen altijd gezamenlijk als bedrijfspand verhuurd. 2.5. Alvorens de erfpacht aan [gedaagde] is overgedragen is (per e-mail van 11 augustus 2005) de Gemeente om toestemming gevraagd voor de overdracht. Daarbij is onder meer geschreven: “Het pand aan [adres] wordt verkocht aan de heer [A]. De activiteiten in het pand aan [adres] zullen niet veranderen. Deze blijven vlees verwerkende activiteiten.” De Gemeente heeft de gevraagde toestemming verleend per brief van 29 augustus 2005. Zij schrijft in die brief onder meer: “Ik wijs de nieuwe erfpachter erop dat het gebruik van het erfpachtperceel en de daarop gestichte opstallen conform het gestelde in de akte van vestiging van het recht van erfpacht dient te blijven, te weten slachthuis. Een ontheffing van de gebruiksbepaling kan bij mijn bedrijf worden aangevraagd.” 2.6. [gedaagde] heeft het bedrijfspand per 15 oktober 2010 verhuurd aan de heer [B]. 2.7. Op 4 februari 2011 is in het bedrijfspand door politie en vertegenwoordigers van de Gemeente een hennepkwekerij aangetroffen. 2.8. De hennepkwekerij is door de Roteb Service ontmanteld, die daarvoor aan de Gemeente Rotterdam bij factuur van 11 februari 2011 een bedrag van € 5.505,89 in rekening heeft gebracht. 2.9. Per brief van 6 juli 2011 van de Gemeente aan [gedaagde] heeft de Gemeente de erfpacht opgezegd tegen 1 december 2011. In deze brief staat onder meer het volgende: “(…) Op 4 februari 2011 is in het bedrijfspand aan [adres] een hennepkwekerij ontmanteld waarbij 1660 planten zijn aangetroffen. Dit gebruik is in strijd met de bestemming waarvoor het perceel in erfpacht is uitgegeven. Daarmee heeft u uw verplichting uit hoofde van artikel 4 lid 1 sub a bijzondere bepaling verzaakt. Bovendien is ter plaatse geconstateerd dat de hennepkwekerij op een zondanig – onveilige – wijze was ingericht dat er sprake was van gevaarzetting voor derden, alsmede dat op illegale wijze de hennepkwekerij werd voorzien van stroom, waardoor schade is veroorzaakt jegens de energieleverancier. Daarmee heeft u uw verplichtingen uit hoofde van artikel 10 lid 5 algemene bepaling verzaakt. Naast bovenstaande feiten en omstandigheden heeft u een achterstand in de betaling van de canon met betrekking tot de periode 1 januari 2011 tot oktober 2011, die thans € 3.013,70 bedraagt, te vermeerderen met rente en kosten. Naar het oordeel van de gemeente valt uw handelen te kwalificeren als in ernstige mate tekortschieten in de nakoming van uw verplichtingen uit hoofde van de erfpacht. Voor de gemeente vormt dit, mede gelet op haar beleid ten aanzien van hennepteelt, aanleiding om tot opzegging over te gaan. Gelet op het voorgaande zeg ik hierbij namens de gemeente Rotterdam voornoemd recht van erfpacht op tegen 1 december 2011. Op die datum dient u het perceel in lege en ontruimde staat aan de gemeente ter beschikking te stellen. Voorts verzoek – en voor zover nodig, sommeer – ik u om mij binnen zeven dagen na dagtekening van deze brief schriftelijk te bevestigen dat u met de opzegging van de erfpacht instemt en tot ontruiming zult overgaan. Voldoet u hieraan niet, dan acht de gemeente zich vrij tot het treffen van rechtsmaatregelen over te gaan. (…)” 2.10. Per brief van 26 juli 2011 heeft (de advocaat van) [gedaagde] aan de Gemeente bericht dat hij niet instemt met de opzegging van de erfpacht. 2.11. De Gemeente heeft de opzegging per exploit aan [gedaagde] betekend en voor de overbetekening aan de hypotheekhouders zorggedragen. Vanwege gebreken in de overbetekening heeft de Gemeente bij brief van 14 oktober 2011 de erfpacht nogmaals opgezegd, dit keer tegen 1 februari 2012, welke brief bij exploit d.d. 17 oktober 2011 aan [gedaagde] en de hypotheekhouders is (over)betekend. De inhoud van de brief is gelijk aan die van 6 juli 2011, zij het dat ten aanzien van de achterstand in de betaling van de canon in de laatste brief een bedrag van € 6.992,30 wordt vermeld. 2.12. Na de ontmanteling van de hennepkwekerij is het bedrijfspand wederom verhuurd per 1 januari 2012. Deze huur is zeven weken nadien door [gedaagde] beëindigd. 3. De vordering in conventie De (vermeerderde) vordering luidt – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 1. te verklaren voor recht dat het recht van erfpacht terzake [adres] door opzegging is geëindigd per 1 februari 2012; 2. [gedaagde] te veroordelen binnen een week na het in dezen te wijzen vonnis het perceel met gebouw aan [adres] leeg, ontruimd en bezemschoon en onder overhandiging van de sleutels aan de Gemeente ter beschikking te stellen, een en ander op straffe van een dwangsom; 3. [gedaagde] te veroordelen binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de opstaande canon per 1 oktober 2012, groot € 4.994,50, te betalen, te vermeerderen met handelsrente; 4. [gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten ad € 768,=; 5. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de nakosten. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft de Gemeente de volgende stellingen aan haar vordering ten grondslag gelegd: 3.1. [gedaagde] is in ernstige mate tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen anders dan de betaling van de canon, zoals bedoeld in artikel 5:87 lid 2 BW, zodat de Gemeente gerechtigd was de erfpacht met betrekking tot het perceel per 1 februari 2012 op te zeggen. 3.2. [gedaagde] is in verzuim met de voldoening van de aan de Gemeente verschuldigde canon. 3.3. Ter incasso van de vordering heeft de Gemeente buitengerechtelijke werkzaamheden verricht die voor vergoeding in aanmerking komen. De Gemeente heeft deze vergoeding conform het rapport Voorwerk II begroot op een bedrag van € 768,=. 4. Het verweer in conventie Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding, vermeerderd met rente. [gedaagde] heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd: 4.1. Bij dagvaarding heeft de Gemeente de opzeggingsgronden ten opzichte van haar brief van 14 oktober 2011 aangevuld. Nu de Gemeente de gevorderde opzegging per 1 februari 2012 stoelt op het rechtsgevolg dat de opzeggingsbrief van 14 oktober 2011 in het leven heeft geroepen, kan zij de gronden voor de opzegging niet in een later stadium aanvullen ten opzichte van de in de brief van 14 oktober 2011 genoemde gronden. 4.2. [gedaagde] betwist de juistheid van de door de Gemeente gestelde opzeggingsgronden en betwist voorts dat deze opzeggingsgronden – ieder voor zich of in samenhang – een ernstige tekortkoming zoals bedoeld in artikel 5:87 lid 2 BW vormen. 4.3. Voor zover de erfpacht rechtsgeldig is opgezegd, heeft [gedaagde] ingevolge artikel 5:100 BW een retentierecht op het perceel zolang de door de Gemeente verschuldigde vergoeding niet is voldaan. Het retentierecht staat aan de gevorderde ontruiming in de weg. Voor zover de vordering tot ontruiming wordt toegewezen, verzoekt [gedaagde] de hieraan verbonden dwangsom te matigen en te limiteren. 4.4. [gedaagde] betwist de verschuldigdheid en de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. 4.5. Het vonnis dient niet uitvoerbaar bij voorraad te worden verklaard. Indien een verklaring voor recht wordt gegeven dat de opzegging rechtsgeldig is geschied en [gedaagde] tevens tot ontruiming wordt veroordeeld, verliest zij haar belang bij appel en cassatie. 5. De vordering in reconventie De (vermeerderde) vordering luidt – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair: - de Gemeente te veroordelen om binnen vier dagen na een daartoe strekkend vonnis de opzegging van de erfpacht ongedaan te maken, op straffe van een dwangsom; - de Gemeente te veroordelen tot vergoeding van de schade gelijk aan € 500,= per kalenderweek vanaf 4 februari 2011 tot de dag van het wijzen van eindvonnis (een ingegane week voor een volle gerekend), te vermeerderen met rente, althans tot vergoeding van de schade gelijk aan € 500,= per kalenderweek vanaf 6 juli 2011 tot de dag van het wijzen van eindvonnis (een ingegane week voor een volle gerekend), te vermeerderen met rente; subsidiair: - te verklaren voor recht dat de Gemeente is gehouden een vergoeding te voldoen aan [gedaagde] ex artikel 5:87 lid 2 BW en/of artikel 5:99 lid 1 BW en de Gemeente te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van een bedrag van € 252.000,=, te vermeerderen met wettelijke rente. Naast hetgeen [gedaagde] in conventie heeft betoogd, heeft [gedaagde] daartoe het volgende gesteld. 5.1. Nu de opzegging door de Gemeente niet rechtsgeldig is geschied, dient de Gemeente deze opzegging ongedaan te maken. 5.2. Door de niet rechtsgeldige opzegging van de erfpacht heeft [gedaagde] het perceel niet kunnen verhuren. Dit vormt een tekortkoming in de nakoming van de erfpachtovereenkomst tengevolge waarvan [gedaagde] schade heeft geleden. Deze schade is gelijk aan € 500,= per week, te weten de prijs waartegen [gedaagde] het perceel had kunnen verhuren als de Gemeente de erfpacht niet ten onrechte had opgezegd. 5.3. Voor zover de opzegging van de erfpacht rechtsgeldig is geschied, dient de Gemeente op grond van artikel 5:87 lid 2 BW juncto artikel 5:99 lid 1 BW na het einde van de erfpacht de waarde van de erfpacht aan [gedaagde] te vergoeden, na aftrek van hetgeen de Gemeente uit hoofde van de erfpacht van [gedaagde] te vorderen heeft. Dit betreft een bedrag van € 252.000,=. 6. Het verweer in reconventie Het verweer van de Gemeente strekt tot afwijzing van de vordering, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, daaronder begrepen de nakosten. Naast hetgeen de Gemeente in conventie heeft betoogd, heeft de Gemeente daartoe het volgende aangevoerd: 6.1. Ingevolge artikel 19 juncto 20 Algemene bepalingen is [gedaagde] niet gerechtigd van de Gemeente een vergoeding te vorderen van de aanwezige opstallen. 6.2. De Gemeente betwist de hoogte van de door [gedaagde] gevorderde vergoeding. 6.3. Voor zover [gedaagde] recht heeft op een vergoeding, dienen daarop een aantal posten in mindering te worden gebracht (deurwaarder, canon, buitengerechtelijke incassokosten, dwangsommen, saneringskosten en kosten hennepontmanteling). 7. De beoordeling in conventie en in reconventie 7.1. Nu de vorderingen in conventie en in reconventie samenhangen, worden deze vorderingen gezamenlijk behandeld. 7.2. Zowel de Gemeente als [gedaagde] hebben hun eis vermeerderd. Deze eisvermeerderingen, waartegen partijen wederzijds geen bezwaar hebben gemaakt, zijn niet in strijd met de eisen van een goede procesorde, zodat de rechtbank op de vermeerderde eis in conventie en in reconventie recht zal doen. opzegging erfpacht 7.3. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de erfpacht per 1 februari 2012 rechtsgeldig is geëindigd. Artikel 5:87 lid 2 BW bepaalt – voor zover hier van belang – dat opzegging door de eigenaar mogelijk is als de erfpachter in ernstige mate tekort schiet in de nakoming van een andere verplichting dan de verplichting tot betaling van de canon. Aan de orde is dus de vraag of [gedaagde] in ernstige mate tekort is geschoten in de nakoming van zijn (overige) verplichtingen. 7.4. De Gemeente heeft bij dagvaarding gesteld dat [gedaagde] op de volgende punten ernstig tekort is geschoten in de nakoming van zijn (overige) verplichtingen: 1) [gedaagde] heeft door het bedrijfspand (blijkens artikel 1.1 van de met [B] gesloten huurovereenkomst) te verhuren met als bestemming ‘bedrijfs-/kantoorruimte’ in strijd gehandeld met het verbod in artikel 4 lid 1 sub a van de vestigingsakte (gelijkluidend aan artikel 4 lid 1 sub a van de akte van levering) om het bedrijfspand voor een ander doel dan ten dienste van een slachthuis te gebruiken. 2) Doordat in het bedrijfspand een hennepkwekerij is aangetroffen, heeft [gedaagde] in strijd gehandeld met het verbod in artikel 4 lid 1 sub a van de vestigingsakte het bedrijfspand voor een ander doel dan ten dienste van een slachthuis te gebruiken. 3) De hennepkwekerij heeft schade veroorzaakt, waarmee in strijd is gehandeld met artikel 10 lid 5 Algemene bepalingen. 4) [gedaagde] heeft de Gemeente niet op de hoogte gesteld van het feit dat [B] het bedrijfspand gebruikte in strijd met de in de akte vastgelegde bestemming, ondanks dat [gedaagde] hiervan op de hoogte was. 5) [gedaagde] heeft gedurende de periode dat zij zelf het bedrijfspand niet heeft gebruikt onvoldoende toezicht op het gebruik daarvan door [B] gehouden, ondanks dat daar wel aanleiding toe was gelet op het feit dat [B] bij het aangaan van de huurovereenkomst geen identiteitspas heeft overgelegd, niet bij de Kamer van Koophandel stond ingeschreven, de huur contant betaalde ondanks dat girale betalingen waren overeengekomen en niet naar buiten toe kenbaar maakte welk bedrijf er in het bedrijfspand was gevestigd. 7.5. Volgens [gedaagde] vallen alleen de opzeggingsgronden 2 en 3 binnen het bestek van de opzeggingsgronden zoals deze zijn genoemd door de Gemeente in haar opzeggingsbrief van 14 oktober 2011 en kunnen alleen deze opzeggingsgronden bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de opzegging van de erfpacht worden betrokken. [gedaagde] bepleit een analoge toepassing van artikel 7:295 BW, nu de positie (en derhalve de rechtsbescherming die hen toekomt) van de huurder en de erfpachter vergelijkbaar zijn. 7.6. De rechtbank oordeelt als volgt. In een civiele procedure geldt als uitgangspunt dat de gronden van de vordering kunnen worden aangevuld, tenzij een goede procesorde daaraan in de weg staat. Ook ten aanzien van bijvoorbeeld de gronden voor ontbinding of vernietiging ten aanzien van een overeenkomst geldt als uitgangspunt dat deze naderhand (na het uitbrengen van de ontbindings- respectievelijk de vernietigingsverklaring) kunnen worden aangevuld en aldus mee kunnen wegen bij de beoordeling of de ontbinding of vernietiging gerechtvaardigd is, uiteraard voor zover de grond ten tijde van de ontbinding of vernietiging al aanwezig was. De wetgever heeft op dit uitgangspunt voor de beëindiging van de huurovereenkomst van bedrijfsruimte een uitzondering gemaakt. De wetgever heeft hiermee bedoeld de belangen van de huurder te beschermen. Artikel 7:296 BW bevat een limitatieve opsomming van de gronden op basis waarvan een beëindigingsvordering door de rechter kan worden toegewezen. Artikel 7:295 lid 2 BW bepaalt dat de verhuurder, indien hij zes weken na de opzegging niet van de huurder een schriftelijke mededeling heeft ontvangen dat hij in de beëindiging van de huurovereenkomst toestemt, op de gronden vermeld in de opzegging kan vorderen dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen. Voor de wetswijziging van 1981 was het de huurder die binnen zes weken na de mededeling van opzegging daartegen bij de rechter moest opkomen. Tegen deze achtergrond is begrijpelijk de strekking die artikel 7:295 lid 2 BW blijkens de wetsgeschiedenis heeft, te weten dat de huurder zich op basis van de in de opzegging vermelde gronden een oordeel kan vormen over zijn kansen in een eventuele procedure. Nu de beëindiging van erfpacht niet aan limitatieve opzeggingsgronden is gebonden en geen verplichte toetsing van de opzegging door de rechter (bij ontbreken van instemming) kent, leent het in artikel 7:295 lid 2 BW bepaalde zich niet voor analoge toepassing bij erfpacht. Ook overigens kan, gelet op voornoemd uitgangspunt, niet in algemene zin worden aangenomen dat de Gemeente niet achteraf, na het uitbrengen van de verklaring tot opzegging van de erfpacht, gronden mag aanvoeren die de opzegging rechtvaardigen, mits die gronden al maar wel (in de kern) aanwezig waren ten tijde van de feitelijke opzegging. [gedaagde] heeft geen omstandigheden gesteld waarom in dit geval van dit uitgangspunt zou moeten worden afgeweken. 7.7. Dit betekent in beginsel dat alle door de Gemeente aan de vordering tot opzegging ten grondslag gelegde gronden bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid daarvan kunnen worden meegewogen. Anders dan [gedaagde] betoogt brengt het feit dat de Gemeente een verklaring voor recht vordert dat de erfpacht op 1 februari 2012 is geëindigd niet mee dat de Gemeente (in afwijking van voormeld uitgangspunt) wel aan de in de brief van 14 oktober 2011 genoemde gronden is gebonden. De rechtbank dient een oordeel te vellen over de rechtsgeldigheid van de opzegging. Als de uiteindelijk gestelde gronden voor de opzegging – al dan niet gezamenlijk – de opzegging rechtvaardigen, is de Gemeente steeds bevoegd geweest tot de opzegging. Deze gronden waren immers – hoewel niet expliciet kenbaar gemaakt – reeds aanwezig ten tijde van de opzegging. 7.8. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een ernstige mate van tekortschieten in de nakoming van de op [gedaagde] rustende verplichtingen als erfpachter. De rechtbank neemt daarbij de volgende omstandigheden in aanmerking. 7.9. Vast staat dat [gedaagde] het bedrijfspand aan [B] niet heeft verhuurd als slachthuis. Door de exploitatie is derhalve de bestemming van het bedrijfspand gewijzigd. Daarmee heeft [gedaagde] gehandeld in strijd met het verbod in artikel 4 lid 1 sub a van de vestigingsakte (akte van levering) om het bedrijfspand voor een ander doel dan ten dienste van een slachthuis te gebruiken. Als onbetwist staat verder vast dat de onderhavige hennepkwekerij op kosten van de Gemeente (die daartoe op grond van haar openbare orde taak gehouden
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.