vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/436538 / HA ZA 13-1102 Vonnis van 10 december 2014 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser] gevestigd te [woonplaats], eiseres, advocaat mr. L. Vrakking, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DELOITTE BELASTINGADVISEURS B.V., gevestigd te Rotterdam, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DELOITTE ACCOUNTANTS B.V., gevestigd te Rotterdam, 3. [gedaagde], wonende te [woonplaats], gemeente Eijsden-Margraten, gedaagden, advocaat mr. R.A.D. Blaauw. Eiseres zal hierna [eiser] en gedaagden zullen gezamenlijk Deloitte c.s. worden genoemd. De twee eerste gedaagden worden als Deloitte Belastingadviseurs respectievelijk Deloitte Accountants dan wel tezamen als Deloitte aangeduid, de derde gedaagde als [gedaagde]. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 12 maart 2014, de door [eiser] ten behoeve van de comparitie toegezonden nadere producties 15 tot en met 18, het proces-verbaal van comparitie van 16 juni 2014 en de daaraan gehechte aantekeningen ten behoeve van de comparitie van de raadslieden van beide zijden. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] houdt zich onder meer bezig met de productie van meubelen vanuit haar bedrijfspand te Renkum. Dit pand is in eigendom van [eiser] Beheer B.V. (hierna: Beheer), die tot aan 2001 alle aandelen hield in [eiser]. 2.2. In 2001 heeft Beheer de aandelen in [eiser] overgedragen aan [betrokkene1](hierna: [betrokkene1]), een vennootschap van en bestuurd door de heer [bestuurder1]. 2.3. Nadat eerder in 2006 overeenstemming was bereikt over een huurverhoging, heeft Beheer in 2008 nogmaals op verhoging aangedrongen. Toen overleg daarover strandde, heeft Beheer bij brief van 14 juli 2008 de huurovereenkomst met [eiser] opgezegd. 2.4. Sinds 2001 is Deloitte de vaste accountant en adviseur van [betrokkene1] en haar dochtervennootschappen. In dat verband verleende Deloitte administratieve, fiscale en juridische diensten. Aanspreekpunt van [eiser] bij Deloitte was de heer[betrokkene2]. Wanneer een door [eiser] aan hem voorgelegde kwestie daartoe aanleiding gaf, schakelde [betrokkene2] een collega in, ongeacht of deze bij Deloitte Accountants of (bijvoorbeeld) Deloitte Belastingadviseurs werkte. 2.5. [gedaagde] is van 1 april 2008 tot en met 1 augustus 2010 als fiscalist werkzaam geweest bij Deloitte Belastingadviseurs. 2.6. Op 24 juli 2008 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [betrokkene2] en [bestuurder1], waarbij op enig moment ook [gedaagde] is uitgenodigd door [betrokkene2]. Onderwerp van de bespreking waren de opzegging van de huurovereenkomst, de door Beheer verlangde huurverhoging waarmee [eiser] niet wilde instemmen en de mogelijkheid dat [bestuurder1] via [betrokkene1] het gehuurde pand zou kopen van Beheer. 2.7. Ook op 24 juli 2008 heeft [gedaagde] aan Beheer - in overleg met [bestuurder1] - een brief gezonden waarin hij aangeeft dat het huurcontract eind 2008 afliep, dat [bestuurder1] de korte duur van het aangeboden nieuwe huurcontract te onzeker vond, en dat hij daarom voorstelde om het onroerend goed te kopen voor € 1,33 miljoen of anders een huurovereenkomst wenste voor de duur van twee jaar met daarin een koopoptie. 2.8. Tijdens een bespreking op 12 augustus 2008 tussen [bestuurder1] en Beheer werd geen overeenstemming over een koopprijs bereikt, maar wel over een verlenging van de huurovereenkomst voor drie jaar. Bij brief van 14 augustus 2008 heeft [gedaagde] namens [bestuurder1] als bestuurder van [betrokkene1] bevestigd dat de huurprijs in het eerste jaar werd verhoogd met € 10.000 en dat deze voor 2010 en 2011 jaarlijks zou worden geïndexeerd. 2.9. In 2010 heeft [betrokkene1] de aandelen in [eiser] verkocht aan een nieuwe eigenaar, [betrokkene3] (hierna: [betrokkene3]). In 2011 heeft Beheer bij [betrokkene3] tevergeefs aangedrongen op huurverhoging en vervolgens de huurovereenkomst opgezegd. In een procedure voor de kantonrechter in Wageningen is met succes betoogd dat de opzegging niet rechtsgeldig was, omdat op grond van artikel 2 van de huurovereenkomst alleen de huurder en niet de verhuurder de huur kan opzeggen. 2.10. De huurovereenkomst tussen [eiser] en Beheer bepaalt in artikel 2: “1. Deze overeenkomst is aangegaan voor de tijd van vijf jaren, ingaande 1 januari 2002 en derhalve eindigende 31 december 2006. 2. Indien de overeenkomst per 31 december 2006 niet vanwege huurder wordt beëindigd, waarvan tenminste zes maanden tevoren per aangetekende brief mededeling moet worden gedaan aan verhuurder, zal de huurovereenkomst telkens stilzwijgend voor een periode van twee jaar worden verlengd, tenzij huurder uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de betreffende tweejaarlijkse periode de huurovereenkomst bij aangetekende brief aan verhuurder heeft opgezegd. 3. Op de ingevolge artikel 2 lid 2 verlengde huurovereenkomst zijn de bepalingen van de overeenkomst wederom van toepassing.” 2.11. Bij brief van 7 juni 2012 is Deloitte c.s. aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiser] lijdt als gevolg van de - in de visie van [eiser] - tekortkoming van Deloitte c.q. de door [gedaagde] gemaakte beroepsfout. Bij die brief is namens [eiser] ook de overeenkomst van opdracht met Deloitte ontbonden en de betaalde vergoeding teruggevorderd. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert samengevat en na vermindering van eis ter comparitie - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Deloitte Belastingadviseurs, Deloitte Accountants en [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt om: 1. binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [eiser] te betalen € 65.780,71, vermeerderd met de BTW en de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de in productie 13 aangehaalde data van ontstaan van iedere huurtermijn, althans vanaf 7 juni 2012, althans vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; 2) jaarlijks, zolang de huurovereenkomst van 2013 voortduurt, bij vooruitbetaling uiterlijk op 1 juni van het voorafgaande kalenderjaar, te betalen aan [eiser] € 10.655,33 of een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met BTW, welk bedrag jaarlijks gecorrigeerd zal worden voor de indexatie van de huurprijs conform de huurovereenkomst; althans, voor zover de Rechtbank de vorderingen onder 1 en 2 niet of niet geheel toewijst: 3) te verklaren voor recht dat Deloitte en [gedaagde] gehouden zijn tot vergoeding van alle ontstane en toekomstige schade van [eiser], nader op te maken bij staat, die direct of indirect gevolg is van de fout van [gedaagde]; en in ieder geval: 4) Deloitte Belastingadviseurs en Deloitte Accountants te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [eiser] terug te betalen € 4.182,85, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW vanaf 7 juni 2012 althans vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; 5) Deloitte en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, met bepaling dat, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis aan voormelde proceskostenveroordeling voldaan is, daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn. 3.2. Deloitte c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] met veroordeling van [eiser], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van de proceskosten, onder bepaling dat indien deze niet binnen zeven dagen na vonnisdatum zijn voldaan, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente is verschuldigd tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede tot betaling van de nakosten groot € 131 dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, € 199. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. [eiser] vordert vergoeding van schade primair op de grond dat [gedaagde] een beroepsfout heeft gemaakt bij het uitvoeren van de door [eiser] aan Deloitte Accountants dan wel Deloitte Belastingadviseurs verstrekte opdracht. Zij stelt daartoe het volgende. De opdracht strekte tot het adviseren en bemiddelen inzake de beëindiging van de huur. Door na te laten de huurovereenkomst in te zien en door niet op te merken dat deze slechts door [eiser] als huurder kon worden opgezegd, heeft [gedaagde] een beroepsfout gemaakt. Dit levert ook een toerekenbare tekortkoming van Deloitte als contractuele wederpartij van [eiser] op. Subsidiair heeft [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld door aan de uitvoering van de opdracht niet de nodige zorg te besteden en niet te handelen zoals van een bekwaam en redelijk handelend belastingadviseur mag worden verwacht. Nu [gedaagde] een ondergeschikte van Deloitte was ten tijde van zijn fout, is Deloitte met hem hoofdelijk aansprakelijk, aldus [eiser]. Had [gedaagde] gedaan wat van hem mocht worden verwacht, dan zou [eiser] niet onverplicht hebben ingestemd met huurverhoging, en had de oude huurprijs nog gegolden, aldus [eiser]. Van deze schade vordert [eiser] vergoeding. Ook vordert [eiser] terugbetaling van het door haar in deze kwestie aan Deloitte betaalde honorarium, op de grond dat zij de overeenkomst heeft ontbonden wegens de toerekenbare tekortkoming van Deloitte. 4.2. Deloitte c.s. betwist niet dat tussen haar en [eiser] een overeenkomst van opdracht bestond, maar bestrijdt de gestelde strekking daarvan. De vraag van [bestuurder1] zag niet in algemene zin op de opzegging van de huurovereenkomst. Aan Deloitte werd als vaststaand feit medegedeeld dat de huurovereenkomst afliep. [bestuurder1] wilde voorkomen dat zijn onderneming uit het pand zou moeten en wilde (via [betrokkene1]) het pand kopen. Hij heeft aan Deloitte (in de persoon van [gedaagde]) de opdracht gegeven om per brief een bod te doen op het pand, en tijdens de bespreking op 24 juli 2008 is de inhoud van de brief uitvoerig besproken. Later is nog gevraagd om aan de verhuurder schriftelijk te bevestigen dat alsnog met huurverhoging werd ingestemd. Er bestond geen verplichting om nader onderzoek te doen naar de opzegging van de huurovereenkomst. Van wanprestatie of onrechtmatig handelen is dus geen sprake geweest, aldus Deloitte c.s. Deloitte c.s. betwist de gestelde schade en het causaal verband tussen (een deel van) de schade en de verweten gedraging. Zij doet verder een beroep op eigen schuld van [eiser] en op de aansprakelijkheid beperkende clausule in de algemene voorwaarden van Deloitte Accountants. Deloitte c.s. voert geen verweer tegen de hoofdelijkheid en geeft aan dat Deloitte Accountants en Deloitte Belastingadviseurs instaan voor het handelen van [gedaagde] en een eventuele veroordeling in onderling overleg zullen afwikkelen. 4.3. De rechtbank zal, nu Deloitte c.s. geen punt maakt van de hoofdelijkheid en Deloitte instaat voor het handelen van [gedaagde], in zoverre bij de beoordeling geen onderscheid maken tussen (de aansprakelijkheid van) de verschillende gedaagden. De aan Deloitte c.s. verweten fouten 4.4. Beoordeeld moet worden of Deloitte jegens [eiser] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de aan haar verleende opdracht, en of [gedaagde] een beroepsfout heeft gemaakt, zoals [eiser] stelt maar Deloitte c.s. betwist. Voornaamste geschilpunt is wat de inhoud en strekking was van de opdracht van [eiser] aan Deloitte. [eiser] stelt dat [bestuurder1] zich tot Deloitte c.s. heeft gewend voor advies en bemiddeling naar aanleiding van de opzegging van de huur. Deloitte c.s. betwist dat [eiser] haar met een algemene hulpvraag heeft benaderd en betoogt dat [eiser] concreet verzocht om een aanbod tot het kopen van het bedrijfspand aan Beheer over te brengen, en daarbij als tweede optie om een nieuwe huurovereenkomst met een koopoptie te vragen. 4.5. [bestuurder1] heeft in het voorlopig getuigenverhoor dat over deze kwestie voor de rechtbank Roermond is gehouden (onder meer) verklaard : “Ik zat in zak en as en wist niet wat ik met mijn bedrijf en 30 werknemers moest. Ik heb toen contact opgenomen met mijn huisaccountant, de heer [betrokkene2] van Deloitte. Die zei dat hij dit zelf niet kon behandelen en dat hij intern zou kijken wie daarvoor geschikt was, hij verwees me naar de heer [gedaagde]. (...) Als u mij vraagt of de heer [gedaagde] en ik ons nog afgevraagd hebben of [eiser] Beheer de huur wel kon beëindigen, zeg ik u dat dit niet het geval is en dat ik er alleen mee bezig was hoe mijn bedrijf te continueren. Ik moet daarbij zeggen dat ik er zelf van overtuigd was dat het contract afliep en dat ik eruit moest. Ik vroeg dus aan [gedaagde] om daarin tussen mij en de familie [eiser] te bemiddelen. Dat hield in dat hij contact zocht met de familie [eiser] en voor mij onderzocht of zij bereid waren om het pand aan mij te verkopen. (...) Het doel waarmee ik [gedaagde] inschakelde was dat de huur per 31 december 2008 was opgezegd omdat ik de huurverhoging niet accepteerde. Ik heb [gedaagde] niet uitdrukkelijk gevraagd om naar de huurovereenkomst te kijken, maar ook niet gezegd dat hij daar niet naar hoefde te kijken. Het was een open opdracht en het maakte me niet uit hoeveel het kostte, we hebben daar ook niet over gepraat, ik wilde gewoon dat het opgelost werd.” 4.6. In het voorlopig getuigenverhoor heeft [gedaagde] onder meer verklaard: “Mijn standplaats was Roermond en het was de bedoeling dat ik gaandeweg bij allerlei cliënten geïntroduceerd zou worden. Op die manier werd ik geroepen bij een gesprek tussen de heer [betrokkene2] en de heer [bestuurder1]. In dat gesprek weet ik dat [bestuurder1] verbolgen was over het weigeren van het bod van hem om het pand te kopen. Aan mij is gevraagd om een briefje namens hem te schrijven waarin ingestemd werd met een huurverhoging. Dat heb ik gedaan. U toont mij de brief van 14 augustus 2008 die als bijlage is gevoegd bij het verzoekschrift en dat is inderdaad de brief die ik geschreven heb. Voorover ik mij kan herinneren, het is lang geleden, is dit mijn enige bemoeienis met deze zaak geweest. Als u mij vraagt of ik bij het schrijven van de brief gebruik heb gemaakt van het dossier van Deloitte, dan zou dat kunnen. (...) De meeste gegevens zullen echter op de bespreking zijn genoemd, omdat deze niet in het dossier zijn te vinden. In feite is de inhoud van de brief mij op de bespreking met de paplepel ingegoten. Als u mij vraagt of ik nog heb overwogen om de huurovereenkomst te bekijken voordat ik de brief wegstuurde, dan zeg ik u van niet. Er is mij niet gevraagd of gebleken dat er nog iets anders moest gebeuren dan dit briefje verzenden. Ik voelde geen onderzoeksplicht aan mijn zijde. (...) Als u mij uit de verklaring van de heer [bestuurder1] voorleest dat deze zegt dat hij mij nooit in persoon ontmoet heeft en alleen een drietal keren telefonisch contact met mij heeft gehad, dan weet ik zeker dat ik hem op een bespreking met [betrokkene2] ontmoet heb en heb ik over deze kwestie, voorzover ik mij herinner, niet afzonderlijk telefonisch contact met hem gehad. Ik heb inmiddels de betreffende bepaling uit de huurovereenkomst gelezen in de betreffende beschikking. Als ik die bepaling toen had gelezen, zou ik de brief van 14 augustus 2008 niet verzonden hebben. (...) Ik heb nooit contact gehad met de verhuurder [eiser] Beheer, noch vóór het versturen van de brief van 14 augustus 2008, noch daarna. Als gezegd wordt dat de opdracht aan mij zou zijn om te bemiddelen tussen [eiser] Raanhuis en de verhuurder [eiser] Beheer, dan klopt dat niet en is mij daar niets van bekend.” 4.7. Partijen zijn het erover eens dat de herinnering van beide getuigen niet geheel correct is. De in zoverre achterhaalde delen van de verklaring van [bestuurder1] zijn niet geciteerd. Voor zover de geciteerde verklaring van [gedaagde] afwijkt van hetgeen volgens r.o. 4.5 vaststaat tussen partijen, is ook deze achterhaald. 4.8. De rechtbank acht op basis van de eigen verklaring van [bestuurder1] (“Ik moet daarbij zeggen dat ik er zelf van overtuigd was dat het contract afliep en dat ik eruit moest. Ik vroeg dus aan [gedaagde] om daarin tussen mij en de familie [eiser] te bemiddelen. Dat hield in dat hij contact zocht met de familie [eiser] en voor mij onderzocht of zij bereid waren om het pand aan mij te verkopen.”) aannemelijk, dat hij in ieder geval aan [gedaagde] niet de open vraag heeft voorgelegd wat hij moest doen nu de huurovereenkomst was opgezegd, maar veeleer de insteek koos dat zijn probleem kon worden opgelost door het gehuurde te kopen. 4.9. Of [bestuurder1] in algemene zin aan Deloitte (in de persoon van [betrokkene2]) heeft gevraagd om advies en bijstand ter zake van de opzegging van de huur, kan naar uit het navolgende zal blijken in het midden blijven. Immers, ook indien deze vraag niet met zoveel woorden is geformuleerd, kan Deloitte jegens [eiser] zijn tekortgeschoten door niet de zorg van een goed opdrachtnemer te betrachten, zoals [eiser] stelt. Evenzeer kan [gedaagde] ook zonder open adviesvraag van [bestuurder1] een beroepsfout hebben gemaakt, zoals [eiser] stelt. Of een dergelijke situatie zich voordoet, hangt af van de vraag wat onder de omstandigheden van het geval van een goed opdrachtnemer (Deloitte) respectievelijk een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur ([gedaagde]) mocht worden verwacht. 4.10. Algemeen bekend is dat Deloitte behoort tot Nederlands grootste en meest gerenommeerde kantoren op gebied van accountancy en belastingadvies. Vast staat dat Deloitte al enige jaren optrad als vaste adviseur van de bedrijven van [bestuurder1], waaronder [eiser], ook wel in kwesties van juridische aard, bijvoorbeeld naar aanleiding van een geschil met een werknemer over diens pensioenrechten. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat in dit laatste geschil een medewerker van Deloitte de zaak ook inhoudelijk bleef behandelen nadat een procesadvocaat was ingeschakeld. Deloitte heeft zich dus aan [eiser] gepresenteerd als geschikt aanspreekpunt voor juridische vragen. Vast staat dat [bestuurder1] zich in 2008 tot Deloitte, meer in het bijzonder haar vaste contactpersoon accountant [betrokkene2], heeft gewend naar aanleiding van Beheers opzegging van de huurovereenkomst met betrekking tot het bedrijfspand van [eiser]. Onbetwist is gesteld dat [bestuurder1] de opzeggingsbrief aan Deloitte heeft getoond. Deloitte begreep voorts, zoals zij zelf aangeeft, dat [bestuurder1]/[eiser] het bedrijfspand niet wilde verlaten. Partijen zijn het erover eens dat is gesproken over de aankoop van het pand door (indirect) [bestuurder1] als mogelijke oplossing voor dit probleem, en deze insteek lijkt door [bestuurder1] naar voren te zijn gebracht (zie r.o. 4.8). Verder staat vast dat [betrokkene2] op enig moment zijn collega [gedaagde] heeft ingeschakeld om [bestuurder1] in deze kwestie van dienst te zijn. Vast staat dat [gedaagde] belastingadviseur was en gesteld noch gebleken is dat hij zich als jurist dan wel huurrechtspecialist heeft gepresenteerd. Duidelijk is echter dat hij door Deloitte naar voren is geschoven zonder dat daarbij een voorbehoud is gemaakt ten aanzien van zijn geschiktheid of deskundigheid om [bestuurder1]/[eiser] in deze kwestie te helpen, zodat [bestuurder1]/[eiser] er van uit mocht gaan dat [gedaagde] geschikt en deskundig was. [gedaagde] heeft, naar onbetwist is gesteld, de opleiding fiscale economie gevolgd in welk verband hij ook een aantal juridische vakken heeft gevolgd. Hij was in 2008 bij Deloitte begonnen en had toen ongeveer tien jaar ervaring als belastingadviseur. Anders dan Deloitte heeft [gedaagde] zich niet gepresenteerd als (ook) deskundig op (niet-fiscaal) juridisch gebied en dus ook niet op het terrein van het huurrecht. Dit neemt echter niet weg dat hij in deze zaak, naar ook voor hem kenbaar was, niet werd geraadpleegd vanwege zijn fiscale expertise maar naar voren werd geschoven als geschikt en deskundig om namens Deloitte haar vaste klant [bestuurder1] bij te staan in een kwestie die met betrekking tot een bedrijfspand waarvan de huur was opgezegd. Dat [gedaagde] fiscaal getinte werkzaamheden heeft verricht is gesteld noch gebleken. Partijen zijn het er over eens dat [bestuurder1] en [gedaagde] op 24 juli 2008 hebben gesproken over de aankoop van het pand door (indirect) [bestuurder1]. Uit de door [gedaagde] nog diezelfde dag aan Beheer verzonden brief volgt dat hij met [bestuurder1] meer concreet heeft gesproken over het uitbrengen van een bod van € 1,33 miljoen en over het vragen om een huurovereenkomst met een koopoptie. 4.11. Van een kantoor op het gebied van accountancy en belastingadvies en van de professionals die daar werkzaam zijn mag in het algemeen worden verwacht dat zij de grenzen van hun eigen expertise kennen en zich daarvan rekenschap geven. Accountancy, belastingadvies en advocatuur (dan wel meer algemeen de niet-fiscale juridische advisering) zijn verschillende disciplines. Deskundigheid op één van deze terreinen impliceert niet zonder meer deskundigheid op één of beide andere vakgebieden. Dit neemt echter niet weg dat deze disciplines wel raakvlakken hebben en dat zich in de accountancy- en adviespraktijk niet zelden gevallen voordoen waarin expertise op verschillende terreinen nodig is. Om deze reden mag van redelijk bekwame en redelijk handelende vakgenoten op één van deze terreinen, en van de kantoren waarbinnen zij werkzaam zijn, worden verwacht dat zij onderkennen wanneer een cliënt hen benadert met een kwestie die overduidelijk kenmerken vertoont van één van de andere disciplines, en dat dit bewustzijn een rol speelt bij de advisering over c.q. behandeling van die kwestie. 4.12. Gelet op hetgeen onder 4.11 is overwogen, hadden Deloitte en [gedaagde] onder de in r.o. 4.10 weergegeven omstandigheden behoren te begrijpen dat het probleem dat [bestuurder1] en [eiser] bezig hield, en de besproken oplossing daarvoor, overduidelijk juridische kenmerken vertoonde. Deloitte en [gedaagde] begrepen immers dat het ging om de opzegging van een huurovereenkomst, om een dreigend conflict met de verhuurder, om het doen van een aanbod tot het kopen van onroerend goed en het vragen om een nieuwe huurovereenkomst met een koopoptie. Hoewel op zichzelf ook van [bestuurder1] als ervaren ondernemer mag worden verwacht dat hij begreep dat zijn probleem vooral juridisch van aard was, kan hem niet worden verweten dat hij zich hiermee tot Deloitte en vervolgens [gedaagde] heeft gewend, omdat Deloitte zich aan [bestuurder1] heeft gepresenteerd als ook het juiste adres voor juridische vragen en Deloitte [gedaagde] naar voren heeft geschoven. In wezen strekte de aan Deloitte verstrekte en aan [gedaagde] doorgeleide opdracht dus tot het optreden als adviseur in een juridische aangelegenheid. Indien Deloitte en/of [gedaagde] meenden dat het gelet op hun primair niet-juridische expertise niet in de rede lag dat zij deze juridisch getinte zaak zouden behandelen, dan hadden zij de opdracht moeten weigeren of teruggeven, dan wel [bestuurder1] moeten aanraden zich over de juridische aspecten elders te laten voorlichten. Dit hebben zij echter niet gedaan. Deloitte heeft de opdracht aanvaard en [gedaagde] heeft zich aan de nadere uitvoering daarvan gezet. Van Deloitte en [gedaagde] mocht onder deze omstandigheden worden verwacht dat zij zich realiseerden dat in een huurovereenkomst afspraken tussen de huurder en de verhuurder zijn vastgelegd, en dat de huurovereenkomst tussen [eiser] en Beheer dus bepalingen kon bevatten die van belang waren voor de benadering van het door [bestuurder1] beschreven probleem. Voor de hand lag dat de huurovereenkomst bepalingen zou bevatten over de looptijd en de wijze van beëindiging ervan, maar gelet op de wens van [eiser] om het bedrijfspand te kopen moesten Deloitte en [gedaagde] ook alert zijn op eventuele daarvoor relevante bepalingen. Het besef van het mogelijk grote belang van de huurovereenkomst had Deloitte en [gedaagde] aanleiding moeten geven om bij [bestuurder1] navraag te doen naar (de inhoud van) de huurovereenkomst. Dit hebben Deloitte en [gedaagde] niet gedaan. Voor een beperkte taakopvatting of verminderde zorgplicht ziet de rechtbank in dit geval des te minder aanleiding, nu de voorgenomen aankoop van een bedrijfspand door een MKB-ondernemer als [bestuurder1] doorgaans voor hem en de onderneming (ook in financieel opzicht) van zeer groot belang is. Gesteld noch gebleken is dat [bestuurder1] iets zou hebben gezegd of gedaan dat Deloitte of [gedaagde] redelijkerwijs mocht opvatten als een instructie om de juridische kant van het probleem en/of de huurovereenkomst te negeren. 4.13. Uit het vorenstaande vloeit voort dat Deloitte jegens [eiser] is tekortgeschoten in de zorg die onder de omstandigheden van het geval van een goed opdrachtnemer mocht worden verwacht. Dat deze tekortkoming haar niet kan worden toegerekend, is niet gesteld of gebleken. Dit betekent dat Deloitte aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg van deze toerekenbare tekortkoming geleden schade. Uit het vorenstaande vloeit ook voort dat [gedaagde] een beroepsfout heeft gemaakt, door zich niet te gedragen zoals onder de omstandigheden van het geval mocht worden verwacht van een redelijk bekwaam en redelijk handelend professioneel adviseur met een fiscale achtergrond, die bijstand verleent in een juridische kwestie. Voor zover Deloitte c.s. betoogt dat een belastingadviseur in het algemeen geen specifieke juridische (laat staan huurrechtelijke) kennis mag worden verwacht, zodat [gedaagde] heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend belastingadviseur mocht worden verwacht, treft dit in dit geval geen doel. Waar [gedaagde] zich als belastingadviseur zich heeft begeven buiten de grenzen van het eigen vakgebied, is niet langer de juiste maatstaf wat in het algemeen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend belastingadviseur mag worden verwacht, maar wat mocht worden verwacht van een belastingadviseur die zich buiten het eigen vakgebied begaf, zoals in de vorige alinea verwoord. Het gaat erom dat de klant zich in een juridisch getinte kwestie heeft gewend tot een adviseur, aan wiens geschiktheid en deskundigheid hij niet hoefde te twijfelen, en dat deze adviseur zonder voorbehoud op dit punt is gaan optreden op een gebied buiten zijn primaire deskundigheid. Het risico dat daarbij fouten worden gemaakt kan niet op de klant worden afgewenteld met het argument dat juridisch advies nu eenmaal niet tot de expertise van de belastingadviseur behoort. De slotsom ten aanzien van [gedaagde] is dat hij een beroepsfout heeft gemaakt en aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade. Nu Deloitte instaat voor het handelen van [gedaagde], en op grond van het bepaalde in de artikelen 6:170 BW (Deloitte Belastingadviseurs) en 171 BW (Deloitte Accountants), is Deloitte ook op deze grond aansprakelijk voor de schade van [eiser]. 4.14. Voor de goede orde bespreekt de rechtbank nog waarom de verdere verweren van Deloitte c.s. op dit punt niet slagen. 4.14.1. Het verweer dat Deloitte c.s. er van uit mocht gaan dat [bestuurder1] zichzelf reeds op de hoogte had gesteld van zijn rechtspositie onder de huurovereenkomst, dan wel vooraf al over voldoende inzicht beschikte, is onvoldoende gemotiveerd. Niet voldoende is dat [bestuurder1] een gisse, ervaren ondernemer was die uitstekend op de hoogte leek van het reilen en zeilen binnen zijn organisatie, zoals Deloitte c.s. stelt, ook niet wanneer [bestuurder1] zelf stellig meedeelde dat de overeenkomst per 31 december 2008 zou eindigen. De verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 1992 (NJ 1993/188) treft geen doel, omdat het in dat geval ging om cliënten van een notaris die zich als deskundig op het gebied van onroerend goed afficheerden, en die zelf toen de notaris op het springende punt navraag deed, aangaven dat een en ander was geregeld. In het onderhavige geval wijst niets erop dat [bestuurder1] zich als deskundig op juridisch terrein heeft geafficheerd, dat Deloitte c.s. hem heeft bevraagd over hetgeen hij wist of begreep over zijn rechtspositie, of dat [bestuurder1] daarop in geruststellende zin heeft geantwoord. 4.14.2. Het verweer dat Deloitte c.s. niet meer had hoeven doen dan zij heeft gedaan, omdat zij slechts een beperkte opdracht heeft gekregen, gaat zoals uit het vorenstaande blijkt niet op. 4.14.3. Het verweer dat [bestuurder1] zelf de huurovereenkomst had gesloten en van de inhoud daarvan - zeker nu hij directeur en enig aandeelhouder was van een bedrijf met dertig werknemers - globaal op de hoogte moest zijn, en dat Deloitte c.s. om die reden niet ongevraagd onderzoek hoefde te doen naar die overeenkomst, wordt verworpen. Deloitte c.s. lijkt te betogen dat zij de inhoud van een (huur)overeenkomst altijd buiten beschouwing mag laten wanneer haar ondernemerscliënten daarvan zelf op de hoogte behoren te zijn. Hiermee miskent zij echter haar rol als adviseur. Het is in beginsel aan de adviseur om, op grond van de door de cliënt verstrekte en reeds bekende gegevens gecombineerd met zijn eigen expertise, te analyseren welk advies zijn cliënt nodig heeft en welke informatie nog nodig is om hem deugdelijk van dienst te kunnen zijn. [bestuurder1] heeft, door uit te leggen dat hij door de opzegging van de lopende huurovereenkomst met een probleem was geconfronteerd, voldoende signalen afgegeven om Deloitte c.s. te attenderen op het bestaan van de huurovereenkomst, en vanuit haar deskundigheid had Deloitte c.s. moeten begrijpen dat deze van belang kon zijn en daarnaar moeten handelen (als omschreven in r.o. 4.12, vierde alinea). 4.14.4. Of een kopie van de huurovereenkomst voor [gedaagde] beschikbaar was in de dossiers of archieven van Deloitte, is voor het bovenstaande niet van belang, zodat de rechtbank de standpunten over en weer op dit punt laat rusten. De omvang van de aansprakelijkheid 4.15. In geschil is hoeveel schade [eiser] heeft geleden, en met name hoeveel van de door [eiser] gestelde schade aan het tekortschieten van Deloitte c.s. kan worden toegerekend. 4.16. Bij het bepalen van de omvang van de schade gaat het erom te bepalen wat het verschil is tussen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.