RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 2156424 \ CV EXPL 13-29964 uitspraak: 21 februari 2014 vonnis van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam in de zaak van [eiser] , wonende te [plaats], eiser in conventie, verweerder in reconventie, gemachtigde: mr. S.C. van Paridon, tegen de stichting [gedaagde] , gevestigd te Lelystad, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, gemachtigden: mr. C.E. Martens en mr. E.E.A Ketelaars. Partijen worden hierna “[eiser]” en “[gedaagde]” genoemd. 1Het verloop van de procedure 1.1 Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen. het exploot van dagvaarding van 12 juni 2013, met producties; de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties; de conclusie van repliek teven houdende conclusie van antwoord in reconventie, met producties; de conclusie van dupliek tevens houdende conclusie van repliek in reconventie; de conclusie van dupliek in reconventie, met producties. 1.2 De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis bepaald op heden. 2De vaststaande feiten De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten. 2.1 [gedaagde] heeft onder meer als doel de verhuur van woningen aan woningzoekenden met een maatschappelijke en culturele binding met de Molukse gemeenschap. Daartoe heeft zij 118 woningen in [plaats] in eigendom. Eén van deze woningen is het pand aan de [adres] (hierna: het gehuurde). 2.2 [eiser], geboren op [geboortdatum], staat volgens de gemeentelijke basisadministratie vanaf 2 november 1988 geregistreerd op het adres van het gehuurde en zijn zus, [A], vanaf 7 maart 1980. 2.3 Met ingang van 1 juli 1993 is tussen [gedaagde] als verhuurder en de moeder van [eiser], [B], als huurster een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot het gehuurde. 2.4 De moeder van [eiser] is op 15 december 2012 overleden. [eiser] heeft vervolgens bij brief van 7 januari 2013 aan [gedaagde] verzocht de huurovereenkomst onder dezelfde voorwaarden voort te mogen zetten. Naar aanleiding hiervan is de nodige correspondentie tussen partijen gevoerd. 2.5 Op 22 maart 2013 heeft [gedaagde] [eiser] een aanbod gedaan voor het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst met een gewijzigde, marktconforme huurprijs. Dit aanbod is door [eiser] getekend met de opmerking “onder protest vwb de huur”. 3Het geschil In conventie en reconventie 3.1 [eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat hij onder de voorwaarden zoals deze bestonden ten tijde van het leven van zijn moeder de huur van het gehuurde voortzet en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten van € 450,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2 Aan zijn vordering heeft [eiser] – kort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Nu hij, gelet op de naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd, heeft [eiser] op de voet van artikel 7:268 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op voortzetting van de huurovereenkomst na het overlijden van zijn moeder. De situaties als bedoeld in artikel 7:268 lid 3 BW doen zich niet voor, zodat niets in de weg staat aan voortzetting. Verder maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten en de daarover verschuldigde rente. 3.3 [gedaagde] heeft de vordering bestreden. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat tussen partijen al een nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen en (subsidiair) dat geen sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de zin van artikel 7:268 BW. 3.4 In reconventie heeft [gedaagde] gevorderd voor recht te verklaren dat partijen een nieuwe huurovereenkomst zijn aangegaan en [eiser] te veroordelen tot nakoming van die overeenkomst en (subsidiair) voor recht te verklaren dat [eiser] zonder recht of titel in het gehuurde verblijft en hem te veroordelen tot ontruiming en tot betaling van € 166,70 per maand tot de datum van ontruiming. Door [eiser] is verweer gevoerd. 3.5 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling van de vordering In conventie en reconventie 4.1 Gelet op de samenhang ziet de kantonrechter aanleiding de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk te bespreken. 4.2 De kantonrechter zal eerst ingaan op de stellingname van [gedaagde] dat tussen partijen een nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen. Dit betoog wordt gegrond op het door [eiser] getekende aanbod van [gedaagde] van 22 maart 2013. Dat deze ondertekening heeft plaatsgevonden met de opmerking “onder protest vwb de huur” doet volgens [gedaagde], zo begrijpt de kantonrechter, niet af aan de aanvaarding van het gedane aanbod en de daarin opgenomen voorwaarden. Hierin kan [gedaagde] niet worden gevolgd. 4.3 Artikel 6:217 BW bepaalt dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Die aanvaarding is een tot de aanbieder gerichte wilsverklaring. Dit brengt mee dat aan de hand van artikel 3:33 BW moet worden beoordeeld of de afgelegde verklaring een aanvaarding inhoudt. Deze laatste bepaling houdt in dat een rechtshandeling een op een rechtsgevolg gerichte wil vereist die zich door een verklaring heeft geopenbaard. De ondertekening van het aanbod kan worden aangemerkt als de wilsverklaring van [eiser]. Nu hij dat heeft gedaan onder uitdrukkelijk protest van de daarin genoemde huurprijs, valt niet in te zien dat en in hoeverre zijn wilsverklaring was gericht op aanvaarding van die huurprijs. In zoverre week de aanvaarding dus af van het aanbod. Op grond van artikel 6:225 lid 1 BW geldt dan die afwijkende aanvaarding als een nieuw aanbod en als een verwerping van het oorspronkelijke. Vaststaat dat [gedaagde] niet akkoord is gegaan met een andere, lagere huurprijs. Ook mist het tweede lid van genoemd artikel toepassing, nu niet kan worden gezegd dat een huurprijs een ondergeschikt punt betreft van een aanbod tot het aangaan van een huurovereenkomst. Een en ander leidt tot het oordeel dat tussen partijen geen nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen. 4.4 Het geschilpunt dat vervolgens voorligt, is of [eiser] op grond van artikel 7:268 BW aanspraak kan maken op voortzetting van de tussen zijn moeder en [gedaagde] gesloten huurovereenkomst. Nu niet in geschil is dat [eiser] geen medehuurder is in de zin van het eerste lid van genoemd artikel, noch dat hij zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde, is voor beantwoording met name beslissend of sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de relatie tussen [eiser] en zijn moeder. Door de Hoge Raad is in zijn arrest van 17 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:93) herhaald dat de vraag of daarvan sprake is volgens vaste rechtspraak moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval in onderling verband (vgl. HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1281). Verder overweegt de Hoge Raad dat de enkele omstandigheid dat een kind na zijn meerderjarig worden nog bij zijn ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.