← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2014:2545

Rechtbank Rotterdam Team Insolventie rekestnummers: C/10/446324 / FT EA 14/217, 218 en 567 uitspraakdatum: 19 maart 2014 Beslissing op het verzoek bijwonen behandeling schuldsaneringsverzoek in de zaak van: [verzoeker] , wonende te [adres] , verzoeker. 1De procedure Verzoeker heeft op 13 januari 2014 een verzoekschrift ex artikel 287, vierde lid Faillissementswet (Fw) ingediend, waarin gevraagd wordt om een voorlopige voorziening bij voorraad, alsmede een verzoekschrift ex artikel 284 lid 1 Fw met bijlagen tot toepassing van de schuldsaneringsregeling De rechtbank heeft de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 5 maart

  1. Ter zitting van 5 maart 2014 zijn in het kader van de voorlopige voorziening verschenen en gehoord: - [verzoeker], verzoeker; - mr. M. van Gastel, advocaat van verzoeker; - [verweerster], verweerster; - [gemachtigde], gemachtigde van verweerster. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden. 2Het verzoek In het kader van de behandeling van het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft de gemachtigde van verweerster tijdens de daaraan voorafgaande behandeling van de voorlopige voorziening met een beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verzocht de behandeling van het schuldsaneringsverzoek te mogen bijwonen, alsmede alsdan te worden gehoord. Verweerster heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verweerster heeft gesteld dat zij vreest dat [verzoeker] tijdens de behandeling van zijn schuldsaneringsverzoek onjuist, dan wel onvolledig zal verklaren ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van de schulden en ten aanzien van het al dan niet ontbreken van de goede trouw hierbij. Aangezien een eventuele toelating tot de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] enorme negatieve financiële gevolgen zal hebben voor verweerster (zij zal immers een groot deel van haar vordering op [verzoeker] van ruim € 445.000,- moeten afschrijven), is het voor haar van het grootste belang dat zij aanwezig kan zijn bij die behandeling en zo mogelijk ook kan worden gehoord. 3Het verweer [verzoeker] heeft zich tegen het verzoek verzet en hiertoe onder meer aangevoerd dat in het systeem van de wet uitdrukkelijk voor de huidige praktijk is gekozen waarbij schuldeisers niet worden toegelaten bij de behandeling van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. 4De beoordeling De procedure tot toepassing van de schuldsaneringsregeling valt (net als de procedure tot faillietverklaring) onder het bereik van artikel 6 EVRM, dat uitgaat van een openbare behandeling. Met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad van 26 juni 1981, NJ 1982, 450 dient echter te worden aangenomen dat de belangen van de schuldenaar (in casu [verzoeker]) zich in het algemeen ertegen zullen verzetten dat de behandeling in het openbaar plaats vindt. Behandeling achter gesloten deuren is daarbij vooral ingegeven door de behoefte aan privacy en eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de schuldenaar. Dit geldt in het bijzonder bij de behandeling van een schuldsaneringsverzoek. Door de verzoeker moet daarbij openheid gegeven worden over veel persoonlijke gegevens. De aanwezigheid van een schuldeiser, met wie een conflict bestaat dat al tot een aantal procedures heeft geleid, kan hieraan in de weg staan en aldus belemmeren dat het verzoek op de juiste wijze wordt behandeld. De wetgever heeft er voor gekozen de positie van een schuldeiser bij de behandeling van een schuldsaneringsverzoek uitermate beperkt te houden. De wet voorziet dan ook niet het horen van een schuldeiser. De wetgever heeft echter wel de belangen van de schuldeisers in de weigeringsgronden van artikel 288 Fw verdisconteerd (vgl. MvT, Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3, p. 36 e.v.). Daar komt nog bij dat de rechtbank bij een beslissing op een schuldsaneringsverzoek acht mag slaan op een brief of andere stukken die door of namens een schuldeiser zijn ingediend (vgl. HR 25 februari 2000, NJ 2000, 310). De rechtbank begrijpt voorts dat verweerster bedoelt dat hiermee het beginsel van hoor en wederhoor wordt geschonden. Deze stelling faalt, gelet op het voornoemde feit dat de rechtbank acht mag slaan op stukken van een schuldeiser, maar ook omdat verweerster zich tijdens de behandeling van de voorlopige voorziening uitgebreid heeft kunnen (en mogen) uitlaten over het schuldsaneringsverzoek. Gelet op het voorgaande zal het verzoek worden afgewezen. 5De beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek af. Deze beslissing is gewezen door mrs. R. Kruisdijk, voorzitter, W. Reinds en A. Lablans, rechters en in aanwezigheid van N. van Gaans, griffier uitgesproken in het openbaar op 19 maart
  2. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.