Rechtbank Rotterdam Team Insolventie Moratorium en verzoekschrift ex artikel 284 Fw rekestnummers: C/10/442805 / FT EA 14/153 en C/10/442806/FT EA 14/154 uitspraakdatum: 18 maart 2014 [verzoeker] wonende te[adres] [woonplaats], verzoeker. 1De procedure Verzoeker heeft op 16 januari 2014, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw) een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad. In het vonnis van 16 januari 2014 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 25 februari 2014 te 14:30 uur. Ter zitting van 25 februari 2014 zijn verschenen en gehoord: [verzoeker], verzoeker; de heer D. Jalink, werkzaam bij Plangroep Albrandswaard mr. R.A. van Es, werkzaam bij GGN Maas-Delta, namens de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Woningbouwvereniging Patrimonium te Barendrecht, (hierna: verweerster). De rechtbank heeft de uitspraak nader bepaald op heden. 2Het verzoek Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een nader te bepalen termijn bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en de verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 22 november 2013 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij bij Bouman GGZ onder behandeling is vanwege een verslaving. Hoewel verzoeker van de gemeente geen vrijstelling van de sollicitatieplicht heeft gekregen, is verzoeker van mening dat hij niet kan werken. Verder heeft verzoeker aangevoerd dat hij al schulden heeft afgelost en dat hij probeert om zijn resterende schulden zelf af te lossen. 3Het verweer Namens verweerster is ter zitting verklaard dat verzoeker weliswaar iets op zijn schuld is ingelopen maar dat er geen enkele zekerheid is dat verzoeker de komende periode de huurtermijnen tijdig zal voldoen. Verweerster heeft geen vertrouwen in een goede afloop nu verzoeker heeft aangegeven dat hij niet wil meewerken aan budgetbeheer en omdat in het verleden de tussen verzoeker en verweerster gemaakte afspraken niet door verzoeker zijn nagekomen. Nu sprake is van een verslavingsprobleem en verzoeker in het verleden overlast heeft bezorgd en bovendien ter zitting is gebleken dat verzoeker zijn financiële problemen zelf wil oplossen, heeft verweerster er echt geen vertrouwen meer in. Tot slot heeft verweerster aangevoerd dat naar haar mening de voorlopige voorziening niet kan worden gegeven in die situaties waarin een schuldenaar zijn schulden geheel zelfstandig wil oplossen zonder daarbij gebruik te maken van de diensten van een schuldhulpverlener. 4De beoordeling Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 22 november 2013 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 12 december 2013 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster bij niet voldoening aan het bevel tot ontruiming zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie. De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling overeen te komen gedurende het minnelijk traject. Zoals blijkt uit de totstandkominggeschiedenis van art. 285 lid 1 sub f Fw, heeft de wetgever het van belang geacht (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.