vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team Handel zaaknummer / rolnummer: C/10/413400 / HA ZA 12-1033 Vonnis van 16 april 2014 in de zaak van 1 [eiser1], wonende te [woonplaats], 2. [eiser2], wonende te [woonplaats], eisers, advocaat mr. R.C. van Wamel, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon HOOGHEEMRAADSCHAP VAN SCHIELAND EN DE KRIMPENERWAARD, zetelende te Rotterdam, gedaagde, advocaat mr. G.J.M. de Jager. Eiseres zullen hierna gezamenlijk[eisers] genoemd worden en ieder afzonderlijk Visscher respectievelijk [persoon1]. Gedaagde zal hierna het Hoogheemraadschap genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis in incident van 24 april 2013, het tussenvonnis van 3 juli 2013, het proces-verbaal van comparitie van 25 februari 2014. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eisers]zijn sinds 2001 eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: de woning). De onderaan de dijk langs de rivier de Lek gelegen woning is gebouwd omstreeks 1888 en is gefundeerd op staal. 2.2. [eisers]hebben de woning in 2007/2008 van binnen en van buiten geheel opgeknapt. 2.3. [persoon1] hield tot medio 2009 aan huis praktijk als “Heilpraktiker”. [eisers]drijft vanuit de woning zijn ICT-onderneming. 2.4. Bij vonnis van 16 juli 2008 heeft de rechtbank Den Haag met betrekking tot het voor de dijkversterking benodigde deel van de grond van [eisers]de onteigening uitgesproken. Bij vonnis van 21 oktober 2008 heeft de rechtbank Den Haag (onder meer) de waarde van het onteigende bepaald op € 32.150,00 en de waardevermindering van het overblijvende gedeelte van het perceel van [eisers]vastgesteld op € 16.500,00. 2.5. In 2006 heeft Bouwkundig Ingenieursbureau Van Rossum in opdracht van het Hoogheemraadschap een bouwkundige inspectie van de woning uitgevoerd in verband met het bepalen van de bouwwerkcategorie van de woning conform de door de Stichting Bouwresearch opgestelde meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen (= de zgn. SBR-richtlijn A: Schade aan gebouwen). 2.6. GeoDelft heeft in december 2006 in opdracht van het Hoogheemraadschap een “Trillingsprognose ten behoeve van dijkversterking Nederlek. Beoordeling schadekans belendingen” opgesteld [productie 4 bij antwoord]. 2.7. Op 5 februari 2008 heeft KakesWaal B.V. in opdracht van het Hoogheemraadschap een vooropname van de woning verricht. Daarvan is op 1 juli 2008 een rapport opgemaakt [productie 3 bij antwoord]. 2.8. In opdracht van [eisers]heeft bouwkundig adviesbureau BouwCheck op 28 maart 2008 een vooropname van de woning gedaan en daarvan een rapport opgemaakt [productie 2 bij dagvaarding]. 2.9. Op 2 mei 2008 startten de dijkversterkingswerkzaamheden ter hoogte van de woning met graaf- en boorwerkzaamheden ten behoeve van het aanbrengen van nieuwe leidingen voor nutsvoorzieningen en het verwijderen van een deel van het oorspronkelijke talud van de dijk. 2.10. Begin augustus 2009 startten de graafwerkzaamheden ten behoeve van de damwand. Dit vond plaats ongeveer 7 meter voor de woning. Vervolgens zijn 20 meter lange damwandprofielen en daarna damwandankers in de grond getrild. 2.11. Het intrillen van de damwandprofielen vóór de woning van [eisers]gebeurde op 11, 12 en 13 augustus 2009. Met behulp van een door het Hoogheemraadschap op de woning geplaatst kastje zijn de trillingen als gevolg van het intrillen van de damwand-profielen gemeten. Van die metingen zijn grafieken geprint [productie 17 van [eisers]] die het Hoogheemraadschap op verzoek van [eisers]aan hen ter beschikking heeft gesteld. 2.12. Op 19 augustus 2009 heeft BouwCheck in opdracht van [eisers]een opname van de woning gedaan en daarvan een rapport opgemaakt [productie 3 bij dagvaarding). 2.13. Na het plaatsen van damwandprofielen en damwandankers is een deklaag van 70 cm aangebracht en is voor de woning van [eisers]een (van een leuning voorziene) trap geplaatst. 2.14. Op 24 maart 2011 heeft KakesWaal in opdracht van het Hoogheemraadschap een bouwkundige na-opname gedaan. Daarvan is op 10 mei 2011 een rapport opgemaakt [productie 5 bij antwoord]. Daarin staat onder meer het volgende: “(...) Entree / hal (...) Mevrouw [persoon1] meldt dat de lambrisering door vocht is aangetast en meer wijkt. - Aan de binnenzijde trapkast vochtproblemen. (...).” 2.15. De werkzaamheden zijn in oktober 2011 opgeleverd. 2.16. BouwCheck heeft op 1 september 2011 en op 11 november 2011 in opdracht van [eisers]een eindopname van de woning gedaan. Daarvan is op 26 november 2011 een rapport opgemaakt [productie 6 bij dagvaarding]. In dat rapport staat onder meer: “(...) De deur is door het optrekkende vocht geheel rot en beschimmeld. De borstweringpanelen (zie foto 32 + 33), wisselen en er zijn bollingen in het plaatmateriaal ontstaan door het optrekkend vocht, wat na de verhoging/verbreding van de dijk is opgetreden, en een gevolg is van de werkzaamheden van de dijkwerkzaamheden. Het asfalt van de dijk is, (van 5,14 m' +NAP aan de buitendijks-zijde tot 4,92 +NAP aan de binnendijks-zijde) afwaterend aangebracht conform een dijktekening, wat fors is voor deze wegbreedte, waarbij normaliter het regenwater naar de kanten van de weg loopt en daar in goten met straatkolken wordt afgevoerd, wat bij dit pand door onbekende reden niet is gemaakt, echter door de bewoning onderaan de dijk dient men langs de weg voorzieningen te treffen om dit water weg te leiden. De afwatering van de weg geschiedt nu zonder waterkering naar deze woning toe en komt bij regen als een waterval van de dijk stromen (zie het korte filmpje van bewoners op de CD). Er zijn nergens maatregelen getroffen (goot en/of een straatkolk) om dit water naast de weg af te leiden. Door de enorme water toestroom door de dijkaanpassing ontstaan, welk water zich onder het huis verzamelt en in vloeren en muren trekt, waardoor de bewoners nu last van schimmelvorming in kasten, wanden en vloeren hebben gekregen, wat voorheen nimmer het geval was Verschillende vloertegels zijn los gekomen en veel houtnaden zijn open gaan staan. Door ons is een vochtpercentage gemeten (bij zonnig droog weer) in de wanden uiteenlopend van 32% tot 53%. In de kasten in de hal is een vochtpercentage van de vloer van liefst 33% t/m 55% (zie foto 35). Optrekkend vocht is duidelijk zichtbaar bij de achterwand. De vloer van de hal heeft een vocht percentage 50% t/m 52%. Normale vochtpercentages in muren en vloeren is tot maximaal 20%. De onderzijde deurstijl (zie foto 34) en onderdorpel van het deurkozijn naar voorkamer-praktijk-ruime is nu geheel verrot (zie foto 36), dit alles ontstaan door de dijkwerkzaamheden.” 2.17. Bij brief van 30 januari 2012 [productie 7 bij dagvaarding] heeft de raadsman van [eisers]het Hoogheemraadschap uit hoofde van onrechtmatig handelen aansprakelijk gesteld. Het Hoogheemraadschap werd aansprakelijk gehouden voor schade ad € 93.088,38 + p.m. als gevolg van de dijkversterkingswerkzaamheden, bestaande uit schade aan de woning, aantasting van het woongenot, immateriële schade, inkomensschade en kosten in verband met het vaststellen van de schade. 2.18. Op 6 februari 2012 heeft KakesWaal in opdracht van het Hoogheemraadschap een expertiserapport opgesteld, waarin een “schade-voorstel Sans Prejudice” is opgenomen van € 1.525 voor de kosten van herstel van gebreken gerelateerd aan de dijkversterking [productie 6 bij antwoord]. 2.19. Bij brief van 27 april 2012 [productie 8 bij dagvaarding] heeft mr. Van Wamel aan het Hoogheemraadschap onder meer het volgende geschreven: “(...) Mijn brief van 6 maart jl. is kennelijk voor u geen reden geweest voor beantwoording van mijn brief d.d. 30 januari 2012 ook maar enigszins te bespoedigen. In opdracht van cliënten heb ik thans een dagvaarding in concept gereed liggen. Alvorens de deurwaarder opdracht te verstrekken tot betekening hiervan over te gaan, verzoek ik u mij uw standpunt kenbaar te maken ten aanzien van het volgende. Op grond van de Nadeelcompensatieverordening Schieland en de Krimpenerwaard kent het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap op verzoek van degene die schade lijdt als gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens het hoogheemraadschap van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak een naar redelijkheid en billijkheid te bepalen vergoeding toe voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van verzoeker behoort te blijven en voor zover de schade niet of niet geheel voldoende anderszins is verzekerd (artikel 2). De verordening is van toepassing op verzoeken om vergoeding van schade als gevolg van (onder andere) het door of onder verantwoordelijkheid van het Hoogheemraadschap aanleggen, wijzigen of onderhouden van waterstaatswerken en de uitvoering van andere werken of werkzaamheden door of onder verantwoordelijkheid van het Hoogheemraadschap (artikel 3). Uit de toelichting bij de verordening blijkt expliciet dat het bestuur het zich tot zijn taak en verantwoordelijkheid rekent om zich te beraden over de vraag of de schade onder het bereik van de verordening valt of niet. Uit mijn brief van 30 januari 2011 blijkt duidelijk wat de door cliënten geleden en nog te lijden schade is en dat deze schade is toe te rekenen aan de door en onder verantwoordelijkheid van het Hoogheemraadschap uitgevoerde dijkversterkingswerkzaamheden. In verband met een efficiënte procesvoering stel ik u in de gelegenheid om mij vóór 4 mei aanstaande te informeren of u de door cliënten geclaimde schade beschouwt als schade die valt onder het bereik van de Nadeelcompensatieverordening Schieland en de Krimpenerwaard en in dat geval onder de vigeur van die verordening de claim van cliënten zal afhandelen. Mocht ik niet vóór de hiervoor genoemde datum hieromtrent een reactie van u hebben ontvangen, dan ga ik er van uit dat u van oordeel bent dat de geclaimde schade niet onder het bereik van de verordening valt. In dat geval heb ik van cliënten opdracht om uw schap zonder nadere aankondiging te dagvaarden uit hoofde van onrechtmatige daad. Datzelfde geldt indien u als uw mening te kennen geeft dat geen sprake is van schade die onder het bereik van de verordening valt. Het zal u duidelijk zijn dat cliënten belang hebben bij het volgen van de voor hen minst bezwarende weg. Voor cliënten is dit reden om alsdan tevens te vorderen uw schap te veroordelen in de door hen in verband met de dagvaardingsprocedure daadwerkelijk gemaakte kosten, mocht de burgerlijke rechter naar aanleiding van de door cliënten op grond van onrechtmatig handelen van uw schap ingestoken procedure oordelen dat zij bij hem aan het verkeerde adres omdat de gevorderde schade wel onder het bereik van de verordening valt (en dus dat een verzoek om nadeelcompensatie had moeten worden ingediend). Niet alleen het in het ongewisse laten van cliënten over de te bewandelen weg maar ook het belasten van cliënten met een nodeloos door hen bewandelde, kostbare weg is uw schap in dat geval als onrechtmatig toe te rekenen. (...).” 2.20. Bij brief van 16 mei 2012 [productie 9 bij dagvaarding] heeft het Hoogheemraad-schap gereageerd op de brief van 30 januari 2012 van mr. Van Wamel. Het schap schreef onder meer het volgende: “(...) Materiële schade aan de woning Opperduit 442 te Lekkerkerk (...) Het door uw cliënt ingehuurde Bouwkundige adviesburo Bouwcheck heeft (...) een rapport opgesteld, maar toont geen causaal verband aan tussen de door hen geconstateerde gebreken en de dijkversterking. Wij erkennen daarom geen aansprakelijkheid en zullen niet overgaan tot vergoeding van de schade, met uitzondering van de door Kakeswaal in het eindrapport aangetoonde schade ten bedrage van € 1.525,--. (...) Materiële schade in verband met de aantasting van het woongenot (...) Wij erkennen (...) geen aansprakelijkheid en zullen niet overgaan tot vergoeding van schade. Immateriële schade (...) Wij erkennen daarom geen aansprakelijkheid en zullen niet overgaan tot vergoeding van schade. Inkomensschade Verder geeft u aan dat uw cliënte, mevrouw [persoon1], inkomensschade heeft geleden als gevolg van de dijkversterkingwerkzaamheden. De eventueel hierdoor ontstane schade valt onder de Nadeelcompensatieverordening van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Wij zijn over uw claim in overleg met de subsidiënt van de dijkversterking Nederlek, het Hoogwaterbeschermingsprogramma, en gaan er van uit dat wij u hierover eind juli 2012 uitsluitsel kunnen geven. (...).” 2.21. Bij brief van 2 juli 2012 [productie 10 bij dagvaarding] heeft het Hoogheemraad-schap aan mr. Van Wamel gevraagd om de geclaimde inkomensschade met stukken te onderbouwen. 2.22. In zijn brief van 19 juli 2012 [productie 21 van [eisers]] heeft mr. Van Wamel onder meer het volgende aan het Hoogheemraadschap geschreven: “(...) Bij brief van 2 juli jl. geeft u aan dat ik namens mijn cliënten (...) bij mijn brief van 30 januari 2012 een verzoek om nadeelcompensatie heb gedaan. In verband daarmee verzoekt u mij om de namens mevrouw [persoon1] ingediende claim te onderbouwen. Kennelijk doelt u hierbij alleen op de gevorderde inkomensschade ad € 9.300,00. Bij brief van 27 april 2012 heb ik uw schap verzocht om mij te informeren of u de door cliënten geclaimde schade beschouwt als schade die valt onder het bereik van de Nadeelcompensatieverordening Schieland en de Krimpenerwaard (hierna: Nadeelcompensatieverordening) en in dat geval onder vigeur van die verordening de claim van cliënten zal afhandelen. Ik heb daarop van u geen duidelijk antwoord ontvangen. Bij brief van 16 mei 2012 reageert u op mijn brief van 30 januari 2012. U verzuimt daarbij evenwel in te gaan op mijn verzoek om aan te geven of de door mijn cliënten geclaimde schade wordt beschouwd als schade in de zin van artikel 3 van de Nadeelcompensatieverordening. Alleen ten aanzien van de geclaimde inkomensschade geeft u aan dat dit schade is die onder de Nadeelcompensatieverordening valt. Ten aanzien van de overige geclaimde schade (met name de schade aan de woning van cliënten, de geclaimde (materiële) schade in verband met aantasting van het woongenot alsmede de gemaakte (noodzakelijke) kosten in verband met het vaststellen van de schade) laat u zich er niet over uit of dit naar uw mening schade is in de zin van de Nadeelcompensatieverordening. Voor mijn cliënten is het van wezenlijk belang om efficiënt te procederen. Procederen kost immers tijd en geld. Ik heb u dit belang van cliënten in mijn brief van 27 april 2012 ook duidelijk gemaakt. De door cliënten geclaimde schade betreft uitvoeringsschade die het gevolg is van de in opdracht van uw schap uitgevoerde dijkversterking ter hoogte van onder meer de woning (en daarvan deel uitmakende praktijkruimte) van cliënten (...). In die zin betreft het naar de mening van cliënten schade als gevolg van het 'door of onder verantwoordelijkheid van het hoogheemraadschap aanleggen, wijzigen of onderhouden van waterstaatswerken' respectievelijk schade als gevolg van 'de uitvoering van andere werken of werkzaamheden door of onder verantwoordelijkheid van het hoogheemraadschap` (artikel 3 lid 1 sub b en c van de Nadeelcompensatieverordening). Ingevolge artikel 6 van de Nadeelcompensatieverordening wordt, indien en voor zover de schade (mede) kan of moet worden beschouwd als gevolg van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, lid 1 van de Nadeelcompensatieverordening (= schade als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een publieke bevoegdheid of taak), een verzoek om vergoeding van schade die onder de polisdekking van de aansprakelijkheidsverzekering van uw schap valt, niet aangemerkt als een verzoek om nadeelcompensatie. Om het vervolgens voor mijn cliënten nog gecompliceerder te maken: in artikel 6 lid 2 van de Nadeelcompensatieverordening is bepaald dat een verzoek om schadevergoeding ook als een verzoek in de zin van de Nadeelcompensatieverordening kan worden aangemerkt, indien de schade niet onder de polisdekking van de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering van uw schap valt, mits die schade kan of moet worden beschouwd als schade ten gevolge van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Nadeelcompensatieverordening. Ik merk op dat u mijn brief van 30 januari 2012 niet aan uw verzekeraar heeft doorgezonden. Ik merk verder op dat u bij uw brief van 16 mei 2012 evenmin heeft aangegeven dat de door cliënten geleden schade onder de polisdekking van de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering van uw schap valt. Mijn cliënten gaan er primair van uit dat de schade die zij als gevolg van de dijkversterkingswerkzaamheden hebben geleden en lijden, schade is zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Nadeelcompensatieverordening. Om te voorkomen dat mijn cliënten niet-ontvankelijk zijn, omdat mijn brief van 30 januari 2012 niet als aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht wordt aangemerkt, dien ik bij deze namens hen het verzoek in om vergoeding van schade als in de Nadeelcompensatieverordening bedoeld. Ik verzoek u derhalve om overeenkomstig het bepaalde in de Nadeelcompensatie-verordening onderhavig verzoek in behandeling te nemen en daarop met inachtneming van de in die verordening genoemde termijnen te beschikken. Subsidiair , indien en voor zover geoordeeld zou moeten worden dat de schade die mijn cliënten hebben geleden en lijden niet wordt aangemerkt als schade in de zin van de Nadeelcompensatieverordening, ga ik er van uit dat u de schadeclaim ter verdere afhandeling aan uw verzekeraar zendt. Alsdan vorder ik namens cliënten vergoeding van de daor hen geleden en te lijden schade ten gevolge van aan uw schap toe te rekenen onrechtmatig handelen. Tevens vorderen mijn cliënten vergoeding van door hen geleden immateriële schade. Het betreft schade die in ieder geval niet op grond van de Nadeelcompensatieverordening voor vergoeding in aanmerking komt, maar als gevolg van onrechtmatig handelen aan uw schap is toe te rekenen. Ten aanzien van deze schade ga ik er van uit dat u de schadeclaim van verzoekers ter verdere afhandeling aan uw verzekeraar zendt. Tot slot verlangen mijn cliënten dat uw schap overgaat tot het adequaat herstellen van de trap en daarbij behorende leuning, opdat het zonder gevaar voor hen en voor bezoekers mogelijk is om van en naar de openbare weg op de dijk te komen. Alsmede verlangen mijn cliënten dat uw schap het dijklichaam oplevert in een dusdanige staat, opdat een normaal onderhoud door hen (zonder schadelijke gevolgen voor machines e.d.) mogelijk is. En tenslotte verlangen cliënten dat uw schap zodanige voorzieningen treft dat van het dijklichaam afstromend water wordt voorkomen. (...).” 2.23. Het Hoogheemraadschap heeft bij brief van 24 juli 2012 [productie 11 bij dagvaarding] onder meer het volgende meegedeeld: “(...) Allereerst bevestigen wij hierbij dat de gevorderde inkomensschade onder de Nadeelcompensatieverordening Schieland en de Krimpenerwaard valt. Verder geeft u wederom aan dat uw cliënten de volgende schade hebben: 1. materiële schade aan de woning; 2. schade in verband met de aantasting van het woongenot; 3. gemaakte kosten in verband met het vaststellen van de schade. Bij brief van 16 mei 2012 zijn wij reeds ingegaan op deze punten. Wij handhaven dan ook hetgeen wij in deze brief hebben aangegeven met betrekking tot de onder 1 tot en met 3 genoemde punten. (...) Ingevolge de Nadeelcompensatieverordening Schieland en de Krimpenerwaard dient de verzoeker zijn claim op verzoek te specificeren. Om in dit geval een snelle afwerking van de namens mevrouw [persoon1] ingediende claim te bevorderen, zijn wij bereid u het bedrag van € 9.300,-- te betalen tegen finale kwijting, zonder nadere onderbouwing van de gegevens te verlangen. (...).” Genoemd bedrag is kort nadien door [persoon1] ontvangen. 2.24. Bij brief van 15 oktober 2012 [onderdeel van productie 15 bij dagvaarding] heeft mr. Van Wamel aan het Hoogheemraadschap onder meer het volgende geschreven: “(...) Zoals u bekend vorderen mevrouw [persoon1] en haar partner, de heer [eiser1], vergoeding van door hen in verband met de dijkversterking Nederlek geleden materiële en immateriële schade. Bij brief van 16 mei 2012 heeft uw schap bestreden aansprakelijk te zijn ter zake van deze schade. In uw brief van 24 juli jl. heeft uw schap dit standpunt herhaald, met dien verstande dat u de door mevrouw [persoon1] geclaimde inkomensschade heeft aangemerkt als schade die onder vigeur van de Nadeelcompensatieverordening van uw schap valt. De overige geclaimde schade betreft schade als gevolg van onrechtmatig handelen van uw schap. Inmiddels heeft mijn cliënte, mevrouw[persoon1] conform uw aanbod van 24 juli jl. ter zake van de inkomensschade het bedrag van € 9.300,00 op haar rekening ontvangen. Met de betaling hiervan is de door haar geclaimde inkomensschade afgewikkeld. Dit geldt niet voor de overige door mijn beide cliënten gevorderde schade. Bij deze doe ik u een concept van het dagvaardingsexploot toekomen, zoals ik voornemens ben om die ter betekening aan de deurwaarder te zenden (...). Van mijn cliënten heb ik de opdracht gekregen om uw schap in rechte te betrekken, omdat een minnelijke regeling met uw schap betreffende de overige door hen gevorderde schade niet mogelijk blijkt. Ik stel u evenwel nog eenmaal in de gelegenheid om mee te werken aan een minnelijke oplossing van het geschil dat cliënten met uw schap hebben. (...).” 2.25. Bij brief van 29 oktober 2012 [onderdeel van productie 15 bij dagvaarding] heeft het Hoogheemraadschap het volgende aan mr. Van Wamel laten weten: “Bij brief van 15 oktober 2012 stelt u ons nog een keer in de gelegenheid om mee te werken aan een minnelijke oplossing van het geschil tussen uw cliënten en het hoogheemraadschap. Hierbij delen wij u mede hierop niet in te gaan.” 3De vordering 3.1. [eisers]vorderen dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het Hoogheemraadschap wordt veroordeeld tot betaling van € 91.087,00 en € 691,95 voor iedere maand vanaf 1 oktober 2012, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2009, althans vanaf 13 februari 2012 met veroordeling van het Hoogheemraadschap in de proceskosten. 3.2. [eisers]stellen daartoe het volgende. 3.2.1. Het Hoogheemraadschap heeft bij het (laten) uitvoeren van de werkzaamheden in het kader van de dijkversterking gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid en inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eisers]Meermaals is de voor de woning (een “risicopand”) afgegeven trillingswaarde van 5 millimeter per seconde (hierna: mm/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.