Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/660341-13 Datum uitspraak: 21 mei 2014 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet, raadsman mr. S. Urcun, advocaat te Rotterdam. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 mei 2014. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. EIS OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie mr. J. Boender heeft gerekwireerd tot: - vrijspraak van het onder 1 primair impliciet primair ten laste gelegde (moord); - bewezenverklaring van het onder 1 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde (doodslag) en het onder 2 ten laste gelegde; - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar met aftrek van voorarrest. MOTIVERING VRIJSPRAAK Het onder 1 primair impliciet primair ten laste gelegde (moord) is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft dit ook gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsman, zodat het geen nadere motivering behoeft. BEOORDELING VAN HET TENLASTEGELEGDE Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door deze met de achterkant van een bijl op het hoofd te slaan en dat hij het dode lichaam van [slachtoffer] heeft laten verdwijnen om de oorzaak van diens overlijden te verhullen. De officier van justitie baseert haar standpunt onder meer op de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], die beiden hebben verklaard dat de verdachte aan hen heeft verteld dat hij [slachtoffer] in de woning van de verdachte met de achterzijde van een hakbijl heeft gedood. Deze verklaringen vinden steun in de bevindingen van het forensisch onderzoek. Voorts is [slachtoffer] voor het laatst in leven gezien in de woning van de verdachte. Ook [getuige 3] heeft verklaard dat de verdachte tegen hem heeft gezegd [slachtoffer] te hebben gedood. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor deze belastende omstandigheden maar ontkent slechts of beroept zich op zijn zwijgrecht. Standpunt verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe - kort gezegd - het volgende aangevoerd. Niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] niet meer in leven is. De officier van justitie baseert het bewijs onder andere op de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. Deze verklaringen zijn echter tegenstrijdig, niet aannemelijk, niet geloofwaardig en zitten vol met leugens. Deze verklaringen dienen dan ook te worden uitgesloten van het bewijs. Om tot bewezenverklaring van doodslag te komen dient bovendien bewezen te worden dat [slachtoffer] daadwerkelijk is doodgeslagen en met welk voorwerp dit dan zou zijn gebeurd. Dit kan niet worden vastgesteld nu de verklaring daaromtrent van [getuige 2] niet consistent is en hem bovendien is ingegeven door suggestieve vragen van de recherche. Ten aanzien van het forensisch onderzoek merkt de raadsman op dat dit alleen laat zien dat er bloed van [slachtoffer] in de woning is gevonden, maar dat dat nog wil niet zeggen dat [slachtoffer] daar is overleden. Ook voor het wegmaken van het lijk is geen wettig bewijs in het dossier aanwezig. Oordeel rechtbank De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is de vraag of [slachtoffer] is overleden. Nu er geen stoffelijk overschot is gevonden, zal de rechtbank op grond van andere feiten en omstandigheden moeten vaststellen of [slachtoffer] is overleden. [slachtoffer] is voor het laatst gezien op 13 juni 2013 in de woning van de verdachte. Dat blijkt onder meer uit de getuigenverklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] die [slachtoffer] in die woning hebben gezien op de avond van 13 juni 2013. Toen zij de woning rond half tien ’s-avonds verlieten was [slachtoffer] daar nog aanwezig, samen met de verdachte. [getuige 6] heeft [slachtoffer] die avond telefonisch nog gesproken. Hij zou naar haar toe komen voor een bbq maar is daar nooit verschenen. Vanaf dat moment is er geen enkel teken van leven meer geweest van [slachtoffer]. Er is na 13 juni 2013 geen geld meer van zijn rekening opgenomen, zijn door [slachtoffer] geen berichten meer geplaatst op zijn Facebook, noch is zijn telefoon gebruikt. Ook naar aanleiding van de uitgebreide media-aandacht, waaronder op 17 september 2013 in het programma Opsporing Verzocht, is niets van of over [slachtoffer] vernomen. Tot heden is [slachtoffer] niet meer gezien en is zijn lichaam niet gevonden. Uit de diverse getuigenverklaringen komt naar voren dat [slachtoffer] weliswaar een onregelmatig leven leidde en wel vaker even van de radar verdween, maar dat hij dan binnen korte tijd altijd weer opdook. De getuigen verklaren dat [slachtoffer] niet iemand is die zomaar wegblijft en dan helemaal niks van zich laat horen. Voor een vrijwillige verdwijning zijn geen aanwijzingen in het dossier te vinden en bovendien beschikte [slachtoffer] ook niet over de financiële middelen om naar het buitenland te vertrekken. De genoemde feiten en omstandigheden brengen de rechtbank tot de conclusie dat buiten redelijke twijfel vast staat dat [slachtoffer] niet meer in leven is. Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag op welke wijze [slachtoffer] is overleden. Nu geen lichaam is gevonden dient ook deze vraag beantwoord te worden op basis van de feiten en omstandigheden zoals deze uit het dossier blijken. Voor zover bekend had [slachtoffer] geen medische klachten of (ernstige) ziektes, een overlijden om medische redenen was dus niet te verwachten. Ook voor een onverwachte natuurlijke dood is in het dossier geen enkel aanknopingspunt te vinden. Voor beide gevallen geldt bovendien dat dan voor de hand ligt, dat daarvan door het medisch circuit melding zou zijn gedaan aan het openbaar ministerie en er een lichaam zou zijn gevonden. Hetzelfde geldt voor een scenario waarin [slachtoffer] zou zijn overleden door een ongeval of zelfdoding. Buiten redelijke twijfel staat dan ook vast dat geen sprake is geweest van een natuurlijke dood of een ongeval. Nu deze doodsoorzaken zijn uitgesloten, blijft enkel de mogelijkheid van een onnatuurlijk overlijden door het opzettelijk gewelddadig handelen van een ander over. De vragen die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden zijn waar en wanneer [slachtoffer] om het leven is gebracht en door wie en hoe dit is gebeurd. Bij de beantwoording van deze vragen neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Op 1 juli 2013 heeft [getuige 6] melding gedaan van vermissing van [slachtoffer]. Vervolgens kwam op 14 augustus 2013 bij de politie de melding binnen van [getuige 7], dat hij van [getuige 1] had gehoord dat [slachtoffer] om het leven was gebracht. Volgens deze [getuige 1] had de verdachte tegen hem verteld dat hij ruzie had gekregen met [slachtoffer] en dat hij hem vervolgens om het leven had gebracht. [getuige 7] heeft dit verhaal aan [getuige 8] verteld en die is toen samen met [getuige 6] en nog twee personen naar de woning van de verdachte gegaan. Zij zagen op de bank in de woning van de verdachte een grote bloedvlek en [getuige 6] zag een aantal plekjes op het plafond. Dit strookte met het verhaal dat zij van [getuige 7] hadden gehoord. Hierna heeft [getuige 7] de melding bij de politie gedaan en hen verteld wat hij van [getuige 1] had gehoord. De politie is op grond van die informatie naar de woning van de verdachte gegaan, waarna de verdachte is aangehouden en zijn woning is doorzocht. [getuige 1] is hierna diverse malen verhoord, voor het eerst op 15 augustus 2013. [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 17 juni 2013 bij de verdachte thuis kwam. Hij vroeg aan hem waar [slachtoffer] was waarop de verdachte antwoordde “nou die feest voorlopig niet meer”. De verdachte vertelde hem dat hij ruzie had gehad met [slachtoffer] en dat hij hem had doodgeslagen. Vervolgens vertelde de verdachte dat hij [slachtoffer] had lek geprikt in de badkamer, al het bloed eruit had laten lopen om hem in stukken te kunnen zagen. Toen de verdachte dit aan [getuige 1] vertelde liet hij een bloedvlek zien op de bank, waar een deken over heen lag. [getuige 1] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] zelf niet heeft gezien maar dat [getuige 2] hem wel in de badkamer heeft zien liggen. Ook [getuige 2] is meerdere malen verhoord, voor het eerst op 17 augustus 2013. [getuige 2] heeft verklaard dat hij in de nacht van 14 op 15 juni 2013 bij de verdachte een film aan het kijken was. Op enig moment gingen zij de hond uitlaten. Tijdens deze wandeling vertelde de verdachte tegen hem dat hij [slachtoffer] had geslagen met de achterkant van een hakbijl. De verdachte vroeg aan hem of hij het wilde zien. [getuige 2] heeft verklaard dat hij in de badkamer is gaan kijken en daar een lichaam op de vloer zag liggen. Het hoofd was bedekt met een matrasje, maar hij heeft wel een T-shirt gezien en een arm waarop een tatoeage zat. Deze tatoeage met bloemen en vissen herkende hij als de tatoeage van [slachtoffer]. Als de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] aan de verdachte worden voorgehouden is - ook ter terechtzitting - zijn enige reactie daarop dat de getuigen gek zijn. De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] als zijnde onbetrouwbaar van het bewijs uitgesloten dienen te worden. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. De verklaringen van zowel [getuige 1] als die van [getuige 2] over wat zij van de verdachte hebben gehoord met betrekking tot de dood van [slachtoffer], zijn in de kern consistent en met elkaar in overeenstemming. Weliswaar verklaart [getuige 2] pas in een later stadium - wanneer hij als verdachte wordt gehoord - dat hij het lichaam van [slachtoffer] in de badkamer heeft zien liggen, maar dit doet niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring. [getuige 2] zegt al in zijn eerste verklaring dat hij iets in de badkamer van de verdachte heeft zien liggen dat de lengte had van een mens met sokken die om voeten zaten én over het slaan door de verdachte op het hoofd van [slachtoffer] met de achterkant van een bijl. Op dat moment waren de resultaten van het forensisch onderzoek nog niet bekend en dit is hem ook niet ingegeven door suggesties van de recherche, zoals door de raadsman is aangevoerd. De verklaringen van deze beide getuigen worden bovendien ondersteund door de gegevens die uit het telecommunicatie onderzoek naar voren zijn gekomen. Zo vindt er op 14 juni 2013 in de avond een chatgesprek plaats tussen [getuige 2] en zijn vriendin [getuige 9]. [getuige 2] zegt hierin tegen zijn vriendin dat hij bij [de verdachte] is en dat ze Kickbokser 2 zitten te kijken. Een paar uur later appt hij haar dat ze Kickbokser 3 zitten te kijken. Uit onderzoek is gebleken dat deze films op 14 juni 2013 tussen 22.20 uur en 01.55 uur zijn uitgezonden, waaruit volgt dat [getuige 2] die avond en nacht inderdaad bij de verdachte in de woning aanwezig was. Op 17 juni 2013 vindt er dan een chatgesprek plaats via de whatsapp tussen [getuige 1] en zijn vriendin [getuige 10]. In dit gesprek zegt [getuige 1] tegen [getuige 10] “ben bij [de verdachte], wat dit is bizar, wel mond houden he, [de verdachte] heb die gast vermoord hier” gevolgd door “vrijdag, hakbijl en in stukken snijden”. Voorts zijn de getuigen tijdens een gesprek op 2 september 2013 afgeluisterd wanneer zij zich beiden op het politiebureau bevinden. Ook in dit gesprek spreken [getuige 2] en [getuige 1] over hetgeen de verdachte aan hen heeft verteld. Hieruit, en uit andere gesprekken en chatgesprekken die zich in het dossier bevinden, waarbij [getuige 2] en [getuige 1] zich telkens volledig onbespied wanen, blijkt dat zij steeds weer bevestigen wat de verdachte aan hen heeft verteld. Bovendien vindt een deel van de gesprekken plaats voordat er melding is gedaan van de vermissing van [slachtoffer]. Daar komt nog bij dat hun verklaringen worden ondersteund door de bevindingen uit het forensisch onderzoek. In de woning is een grote hoeveelheid bloedsporen aangetroffen. Zo is in de woonkamer een grote hoeveelheid bloed op en in de bank aangetroffen, alsmede bloedspetters op een bloempot en op het plafond. Voorts zijn door luminolonderzoek ook aanwijzingen verkregen omtrent de aanwezigheid van bloed in de badkamer. Daarnaast is in de bij de verdachte in gebruik zijnde kelder een bloedspoor gevonden, alsmede een bijl met bloed op de kopse kant. Het overgrote deel van deze bloedsporen blijkt, na onderzoek, het DNA van [slachtoffer] te bevatten. De verdachte, die heeft verklaard dat hij de enige was die beschikte over een sleutel van de woning en de berging, geeft daarentegen voor de in zijn woning aangetroffen bloedsporen geen verklaring. Hij zegt het bloed op zijn bank niet te hebben gezien en ook niet te weten hoe de overige bloedsporen in zijn woning terecht zijn gekomen. De sporen sluiten wel precies aan bij de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1], dat de verdachte [slachtoffer] met de achterkant van een bijl op het hoofd heeft geslagen, terwijl hij op de bank lag en dat hij het lichaam van [slachtoffer] vervolgens in de badkamer heeft gelegd. Dit is des te overtuigender nu de getuigen hun verklaringen hebben afgelegd voordat het sporenonderzoek was afgerond en de resultaten daarvan aan het dossier waren toegevoegd. Anders dan de raadsman is de rechtbank dan ook van oordeel dat de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] als betrouwbaar kunnen worden beschouwd en dat deze gebezigd kunnen worden voor het bewijs. Gelet op al deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte [slachtoffer] in zijn (verdachtes) woning om het leven heeft gebracht door hem met de achterzijde van een bijl op het hoofd te slaan. Door de raadsman is verweer gevoerd ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 3]. Nu zijn verklaring niet voor het bewijs zal worden gebezigd zal dit verweer van de raadsman buiten beschouwing worden gelaten. De opmerkingen van de raadsman over het forensisch onderzoek zijn door de raadsman niet nadrukkelijk onderbouwd en hij heeft daar ook geen conclusie aan verbonden, zodat de rechtbank deze opmerkingen onbesproken zal laten. Voor zover de raadsman bedoeld heeft een verweer te voeren met betrekking tot het ontbreken van het opzet op de dood van [slachtoffer] wordt ook dit verweer verworpen. Het slaan met de achterzijde van een hakbijl op het hoofd, het meest kwetsbare deel van het lichaam, levert zonder meer het opzet op de dood van [slachtoffer] op. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd. Op basis van al het vorenstaande acht de rechtbank bovendien wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het laten verdwijnen van het lichaam van [slachtoffer] om de doodslag te verhullen. BEWEZENVERKLARING Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 13 juni 2013 tot en met 14 augustus 15 juni 2013 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.