Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummers: 10/600187-09, 10/960211-12 en 10/960049-12 Datum uitspraak: 2 juni 2014 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres], raadslieden mrs. N.C.J. Meijering en L.J.B.G. van Kleef, advocaten te Amsterdam. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 8 t/m 10, 12 en 17 april 2013, 28 t/m 31 mei 2013, 20 en 24 september 2013, 11 december 2013, 3 t/m 6, 10, 11, 14, 17, 19, 20, 24, 25 maart 2014, 1, 2 en 4 april 2014 en 2 juni 2014. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding onder parketnummer 10/600187-09, zoals deze op de zitting van 28 juni 2012 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. Aan de verdachte is voorts ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding onder parketnummer 10/960211-12 en in de dagvaarding onder parketnummer 10/960049-12. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage II aan dit vonnis gehecht. Ook deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. EIS OFFICIER VAN JUSTITIE De officieren van justitie mrs. G.C. Bos en Th.W. d’Anjou (hierna: de officier van justitie) hebben gerekwireerd tot: - vrijspraak van het onder parketnummer 10/600187-09 onder 4 primair ten laste gelegde; - bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/600187-09 onder 1, 2, 3, 4 subsidiair, 5, 6 en 7 ten laste gelegde; - bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/960211-12 ten laste gelegde; - bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/960049-12 ten laste gelegde; - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek van voorarrest. GELDIGHEID DAGVAARDING 1. . Standpunt verdediging Aangevoerd is dat de dagvaarding met parketnummer 10/600187-09 partieel nietig is omdat deze, wat betreft de onder 2, 5 en 6 ten laste gelegde feiten, niet voldoet aan de eisen van artikel 261 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De dagvaarding is ten aanzien van de feiten 2 en 5 innerlijk tegenstrijdig, omdat het feitelijk deel van de tenlastelegging geen bedreigings- en/of geweldshandelingen in zich heeft, terwijl dit in het kwalificatieve deel wel gesteld wordt. De dagvaarding is ten aanzien van feit 6 niet begrijpelijk, voor zover het betreft de zinsnede: ‘op of omstreeks 12 juni 2008 een voertuig, zijnde een Porsche 911 Carrera 4S (kenteken [kenteken]) overgedragen aan [verdachte]’ Onbegrijpelijk is hoe de aankoop van een Porsche zich verhoudt tot het overigens ten laste gelegde feitencomplex. Indien met deze zinsnede een zelfstandige afpersing is bedoeld, worden ook hier de bedreigings- en/of geweldshandelingen niet uitgewerkt. 2. Beoordeling De dagvaarding met parketnummer 10/600187-09 voldoet op alle onderdelen aan de eisen die artikel 261 Sv daaraan stelt. In de onder 2 en 5 ten laste gelegde feiten wordt het kwalificatieve deel uitgewerkt in het geheel van feitelijke onderdelen en van een innerlijke tegenstrijdigheid daartussen is geen sprake. De tenlastelegging van feit 6 is duidelijk over het verwijt dat wordt gemaakt, namelijk de gedwongen overdracht van een Porsche. De bedreigings- en/of geweldshandelingen die aan de verdachte en/of zijn medeverdachten ook ten aanzien van deze gedwongen overdracht worden toegeschreven, worden in de tenlastelegging uitgewerkt in het geheel van feitelijke onderdelen. Dit deel van het verweer mist daarom feitelijke grondslag. 3. Conclusie De dagvaarding met parketnummer 10/600187-09 is geldig. OnTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE 1. Standpunt verdediging Aangevoerd is dat in het (voor)onderzoek vormen zijn verzuimd. Een aantal van die verzuimen is door de verdediging aangemerkt als verzuimen in de zin van 359a Sv. Andere verzuimen leveren naar het oordeel van de verdediging strijd op met de beginselen van een behoorlijke procesorde. De verdediging heeft gesteld dat deze zelfstandig dan wel in samenhang bezien, dienen te leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging. Het verweer is uitgewerkt in vier onderdelen. 1.1. Afpersingen [kerngetuige 1] en [slachtoffer 1]/[slachtoffer 2] Onder de kopjes: ‘Behoedzaamheid: pseudokroongetuige/crimineel; Behoedzaamheid: gestuurd/beïnvloed; Behoedzaamheid: kerngetuigen nauwelijks gehoord’ heeft de verdediging bewijsverweren gevoerd en gemotiveerd. In hoofdstuk V van de pleitnota is langs de band van artikel 359a Sv hetzelfde verweer gepresenteerd als een niet- ontvankelijkheidsverweer. 1.2. Gelijkheidsbeginsel en willekeur Aangevoerd is dat de beslissing van het openbaar ministerie om de verdachte wel, maar [betrokkene 1] niet te vervolgen ter zake afpersing en witwassen, in het licht van het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur, zo onbegrijpelijk is dat dit in strijd is met de beginselen van een goede procesorde. 1.3. Private opsporing Aangevoerd is dat de officier van justitie doelbewust heeft samengewerkt met een private partij, namelijk ‘[bedrijf 1]’, die - onder meer - opnames heeft gemaakt in de zaken [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]. Hierdoor zijn (wettelijke) waarborgen omzeild, en zijn vormen onherstelbaar verzuimd. De belangen van de verdachte zijn aldus gefrustreerd. 1.4. Fair trial Aangevoerd is dat de officier van justitie en de rechter-commissaris de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] aanvankelijk buiten aanwezigheid van de verdediging hebben gehoord en hierbij met name [getuige 2] danig onder druk hebben gezet om tegen de verdachte te verklaren. Deze getuige, die psychisch zeer labiel is, is rauwelijks opgeroepen én gedagvaard om voor de rechter-commissaris te verschijnen en de verdediging is hiervoor niet uitgenodigd. Tijdens het verhoor is deze getuige op verzoek van de officier van justitie onder ede geplaatst, omdat de officier van justitie meende dat de getuige een leugenachtige verklaring had afgelegd. In zijn pleitnota verwoordt mr. Van Kleef dit als volgt: ‘Ik meen dat het optreden van het openbaar ministerie en de rechter-commissaris in deze zodanig in strijd komt met principes van magistratelijkheid en fair trial, alsmede het frustreren van ‘adequate facility’ voor de verdediging, (…) dat dit de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de zaak (…) raakt.’ 2. Beoordeling Vooropgesteld wordt dat niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie als een in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg van verzuimde vormen slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats indien het vormverzuim daarin bestaat, dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Ook bij de toetsing van een beroep op de beginselen van een goede procesorde is de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie een zeldzame uitzondering. Hieronder volgt een beoordeling van de vier onderdelen van het verweer en daarna een conclusie. 2.1. Afpersingen [kerngetuige 1] en [slachtoffer 1]/[slachtoffer 2] De bewijsverweren die door de verdediging onder de hierboven genoemde kopjes zijn uitgewerkt, zullen hieronder bij de ‘vooropstelling’ aan de orde komen. Als zelfstandig ontvankelijkheidsverweer komt het verweer niet uit de verf. Het woord ‘behoedzaamheid’ in de kopjes is een voorteken gebleken voor de inhoud van het verweer. Het is en blijft een bewijsverweer, dat niet verwordt tot een ontvankelijkheidsverweer door het ook op die wijze te benoemen. De verdediging heeft onvoldoende duidelijk gemotiveerd waarom, aan de hand van de factoren genoemd in artikel 359a Sv, te weten: het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, de niet-ontvankelijkheid zou dienen te volgen op de gestelde verzuimen. 2.2. . Gelijkheidsbeginsel en willekeur De rechtbank stelt voorop dat de keuze om al dan niet tot vervolging over te gaan in het Nederlandse strafproces is neergelegd bij de officier van justitie. Weliswaar vindt die ruime bevoegdheid zijn begrenzing in (onder andere) het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur, maar het enkele feit dat - zoals in casu is aangevoerd - anderen niet zijn vervolgd, brengt niet zonder meer mee dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. De officier van justitie heeft voorts, blijkens het requisitoir en het onderzoek op de zitting, een bewuste afweging gemaakt tegen welke personen zij vervolging zou instellen. Uit deze keuze blijkt geen willekeur. 2.3. Private opsporing Dit onderdeel van het verweer is in de kern gebaseerd op de stelling dat de officier van justitie een private partij heeft gebruikt ten einde opnamen te kunnen maken van de verdachte die op grond van Sv niet gemaakt hadden kunnen worden. Dit standpunt komt niet verder dan het opwerpen van de suggestie dat daarvan sprake is. Niet blijkt dat de officier van justitie en/of politie bemoeienis en/of (actieve) betrokkenheid hebben gehad bij de totstandkoming van de opnamen. Dat de officier van justitie en/of de politie mogelijk wetenschap hebben gehad van het gegeven dat [bedrijf 1] voor [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] een dienst leverde, maakt niet dat de officier van justitie (mede)verantwoordelijkheid draagt voor de totstandkoming van de opnamen, laat staan dat zij die partij zou hebben gebruikt om wettelijke waarborgen te omzeilen. Voor die stelling is geen begin van aannemelijkheid gebleken. 2.4. Fair Trial De rechtbank is niet bekend met principes van magistratelijkheid als strafvorderlijk relevante rechtsregel. Overigens is niet gebleken dat bij het horen van de getuigen enige rechtsregel is geschonden, laat staan een regel die enig in rechte te beschermen belang van de verdachte heeft getroffen. 3. Conclusie Wanneer het voorgaande wordt bezien tegen de achtergrond van hetgeen voor de beoordeling van dit verweer als juridisch kader is vooropgesteld, kan niet anders dan worden geconcludeerd dat de onder 1 tot en met 4 genoemde onderdelen noch afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang kunnen leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. VOOROPSTELLING Feitelijk gaat deze vooropstelling aan de bewijsoverwegingen in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’ vooraf. De overwegingen maken daar echter (ook) een belangrijk onderdeel van uit. Er is voor gekozen om met deze overwegingen in een aparte hoofdparagraaf van dit vonnis aan te vangen door de rol die [kerngetuige 1] en, in mindere mate, [kerngetuige 2] als zogenoemde kerngetuigen in deze zaak hebben en in het verlengde daarvan de plaats die hun verklaringen in deze zaak innemen. Onder A, B en C zullen deze vooropgestelde overwegingen worden uitgewerkt. De eerste vooropstelling (A) betreft het medeplegen zoals is ten laste gelegd in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’. Hierin komt de door de officier van justitie aangehangen spel- en complottheorie aan de orde. Bij die beoordeling zal worden geabstraheerd van alle andere bewijsvragen. De tweede vooropstelling (B) betreft de bruikbaarheid van de verklaringen van [kerngetuige 1] en in samenhang daarmee die van [kerngetuige 2]. De laatste vooropstelling (C) betreft de bespreking van het getuigenbeschermingstraject. A. Medeplegen afpersing [kerngetuige 1] 1. Inleiding De zaak Briard, de afpersingsdossiers, de tenlasteleggingen, het requisitoir en de bewijsconstructies van de afpersingszaken, zoals deze door de officier van justitie zijn samengesteld, opgesteld en/of onderbouwd, vinden hun fundament in de theorie dat de verdachte en één of meer van zijn medeverdachten onderdeel zijn geweest van een veel groter verband. Of, zoals de officier van justitie het in haar requisitoir stelt: ‘Er zitten aspecten in de gedragingen van de verschillende verdachten die vragen om een duiding in het totaalplaatje van het afpersingsproces (…). Een zorgvuldig opgebouwd proces, waarbij verschillende verdachten een verschillende rol toebedeeld hebben gekregen en vol verve spelen.’ De officier van justitie heeft in haar requisitoir, in navolging van de politie, deze spel- en complottheorie uitgewerkt en ingekleurd. Zij beschrijft daarbij de fasen van het afpersingsproces. ‘Eerst wordt een probleem gecreëerd bij het slachtoffer of er wordt een feitelijk bestaand probleem aangegrepen (…). De ‘oplossing’ voor dit probleem wordt nadrukkelijk bij het slachtoffer neergelegd in een uitgekiende strategie om het slachtoffer in de hoek te drijven. Er volgt dan een fase waarin het slachtoffer ‘hulp’ krijgt aangeboden om dit probleem op te lossen; die hulp is nooit gratis en levert meestal extra ‘verplichtingen’ op. Ten slotte wordt onder dwang een schuldpositie opgelegd aan het slachtoffer, waarbij in alle gevallen kenmerkend is dat de slachtoffers zich absoluut niet meer vrij voelen zich aan de opgelegde verplichtingen te onttrekken. Daarbij wordt gebruik gemaakt van misleiding, dwang, intimidatie, geweld en dreiging met geweld maar ook met het aanjagen en in stand houden van de vrees voor geweld van de zijde van de daders.’ Bij deze fasen beschrijft de officier van justitie de rolverdeling tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de visie van de officier van justitie kenmerkend en constituerend zijn voor de afpersing. Zij onderscheidt zes rollen die soms door elkaar heen lopen of waarbij één rol door verschillende mensen wordt gespeeld. Die rollen en rolverdeling in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’ luiden volgens de officier van justitie als volgt: ‘ [medeverdachte 1] contactmaker, vertrouwenspersoon en bemiddelaar [medeverdachte 2] vertrouwenspersoon, controleur, bemiddelaar en agressor [medeverdachte 3] regisseur en agressor [verdachte] bemiddelaar, controleur, agressor en regisseur.’ 2. Spel- en complottheorie als uitgangspunt De spel- en complottheorie is voor de officier van justitie - kennelijk - de manier om met name in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’ tot een bewijsconstructie te komen die de integrale bewezenverklaring, waartoe zij heeft gerekwireerd, kan dragen. Slechts in het geval dat (een groot deel van) de vijfentwintig afgedwongen betalingen en drieëndertig bedreigings- en/of geweldshandelingen, zoals deze in de tenlastelegging staan, in een medepleegconstructie met elkaar en met de diverse verdachten kunnen worden verbonden, kan er, andere bewijsvragen daargelaten, een basis voor die integrale bewezenverklaring bestaan. Deze uiterst lastige bewijsopgave voor de officier van justitie wordt voor een deel veroorzaakt door de wijze waarop de tenlastelegging is opgesteld. In de tenlastelegging wordt onder één feit een reeks van vijfentwintig afpersingen beschreven die zouden hebben plaatsgevonden in een periode van bijna vijf jaar met, als gezegd, drieëndertig feitelijkheden, verdeeld over de verdachte en vijf medeverdachten. Dit is op zijn beurt weer een gevolg van de verklaring van [kerngetuige 1] die deze periode grosso modo op die wijze beschrijft. Een tweede oorzaak van het probleem van de officier van justitie is gelegen in de - logischerwijs door de verklaring van [kerngetuige 1] ook noodgedwongen - subtiele wijze waarop de bedreigings- en geweldshandelingen op de tenlastelegging zijn geformuleerd. Slechts wanneer die feitelijke onderdelen in onderlinge samenhang zouden kunnen worden beschouwd, kan mogelijk gekomen worden tot voldoende grondslag voor de bedreigings- en/of geweldskwalificatie die voor de bewezenverklaring van een afpersing noodzakelijk is. Gelet op de prominente plaats die de spel- en complottheorie in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’ inneemt, is het goed om vóór alles te beoordelen of de spel- en complottheorie gebaseerd kan worden op de feiten en omstandigheden die voortkomen uit het strafdossier en het onderzoek op de zitting. Bij die beoordeling zal, als gezegd, geabstraheerd worden van alle andere bewijsvragen en zullen de feiten en omstandigheden die uit het onderzoek op de zitting naar voren zijn gekomen sec worden betrokken. 3. Medeplegen in het requisitoir Wanneer wordt ingezoomd op het requisitoir van de officier van justitie valt direct op, dat het aan de spel- en complottheorie ten grondslag gelegde medeplegen van de verdachte en de medeverdachten in het geheel niet wordt uitgewerkt. De officier van justitie blijft in haar requisitoir steken in het stellen van het bestaan van de spel- en complottheorie, zonder daar verder handen en voeten aan te geven en verwijst de facto slechts naar een proces-verbaal modus operandi van de politie. Exemplarisch voor het gebrek aan uitwerking van het medeplegen, is dat de woorden medepleger, medeplegen, nauwe, bewuste en samenwerking in het bijna honderd pagina’s tellende requisitoir - in dit verband - in het geheel niet voorkomen. Ook is de officier van justitie het antwoord schuldig gebleven op de bij monde van de voorzitter van de meervoudige strafkamer, tijdens het requisitoir op de zitting van 19 maart 2014, gestelde vraag naar de nadere invulling van de aan de spel- en complottheorie ten grondslag liggende medepleegconstructie. Een en ander ondanks de toezegging van de officier van justitie om bij haar repliek hierop terug te komen. Op zichzelf zou, in ieder geval dit laatste, een opmerkelijke gang van zaken zijn geweest ware het niet dat het verzoek aan de officier van justitie niet eenvoudig en welhaast retorisch was. De feiten en omstandigheden, die een alles omvattend medepleegscenario zouden kunnen onderbouwen met een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten binnen een ten laste gelegde periode van bijna vijf jaar, zijn immers niet te geven. Daarvoor bevat het dossier, meer in het bijzonder de verklaring(
- en)van [kerngetuige 1], onvoldoende aanknopingspunten. 4. Verklaringen en conclusies van [kerngetuige 1] Bij eerste lezing van de verklaringen van [kerngetuige 1] dringt de vraag zich direct op wat er eerder was: de spel- en complottheorie of de feiten en omstandigheden, die zouden kunnen leiden tot die theorie. Bij nadere bestudering van met name de aangiften van [kerngetuige 1] wordt duidelijk, dat die verklaringen tot stand zijn gekomen langs een bepaalde richtinggevende verhoorlijn, waardoor genoemde vraag steeds prangender wordt. Uiteindelijk is uit de totstandkoming van de verklaringen meer dan aannemelijk geworden, dat de theorie er eerder was dan de feiten. Ook hierdoor wordt de houdbaarheid van de theorie in het hart geraakt. Voorts moet worden opgemerkt dat wanneer [kerngetuige 1] zelf conclusies in de richting van een/de theorie trekt, deze voor de bewijsvoering geen waarde kúnnen hebben. Het spreekt vanzelf, dat daarvoor de door hem gereleveerde feiten en omstandigheden het fundament zouden moeten vormen, op basis waarvan in dit vonnis de conclusies zouden kunnen worden getrokken. 5. Concrete rollen van de verdachten en wetenschap daarvan Ten aanzien van de rollen die in de spel- en complottheorie aan de diverse verdachten worden toegeschreven, kan worden gezegd dat de diverse verdachten een groot deel van de ten laste gelegde periode die rol in het geheel niet spelen, als de aan hen toegedichte rol al op enig moment door hen is gespeeld. Zoals ook volgt uit de omvang van de feitelijke handelingen per verdachte in de tenlastelegging. Bovendien blijft volstrekt onduidelijk in hoeverre de diverse (mede)verdachten wetenschap zouden kunnen hebben van de rol die de ander zou spelen, laat staan wanneer daarbij de jarenlange periode wordt betrokken. Deze onderlinge wetenschap is voor de spel- en complottheorie een achilleshiel gebleken, omdat dergelijke wetenschap kernvoorwaarde is voor het aannemen van iedere medepleegconstructie. 6. De verdachte en zijn medeverdachten Ten slotte kan bij de beoordeling van de spel- complotheorie niet onbenoemd blijven dat deze door de officier van justitie aangehangen theorie, eigenschappen, cognitieve vaardigheden en organisatietalent bij de verdachten veronderstelt, die niet uit het onderzoek op de zitting naar voren zijn gekomen of anderszins zijn gebleken. 7. Conclusie Zelfs wanneer de belastende feiten en omstandigheden zoals die uit het onderzoek op de zitting naar voren zijn gekomen sec worden beschouwd, vindt de spel- en complottheorie daarin onvoldoende overtuigende onderbouwing en bieden deze onvoldoende grondslag voor de door de officier van justitie voorgestane integrale bewezenverklaring in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’. B. Bruikbaarheid verklaringen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] 1. Inleiding Alvorens toe te komen aan de vraag of het onderzoek op de zitting wél een grondslag kan bieden voor bewezenverklaring van (het medeplegen van) onderdelen van de tenlastelegging in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’ zal eerst de vraag moeten worden beantwoord of de verklaringen van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] voor het bewijs kunnen worden gebruikt, en zo ja op welke wijze. Door de verdediging van de verdachte en door de verdediging van een aantal van de medeverdachten zijn verschillende argumenten naar voren gebracht die zouden dienen te leiden tot uitsluiting van de verklaringen van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2], dan wel tot het behoedzaam gebruik daarvan. Deze argumenten laten zich grofweg opdelen in drie categorieën: - de betrouwbaarheid van de getuigen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] en de geloofwaardigheid van hun verklaringen; - de kroongetuige theorie; - de beperkte gelegenheid tot ondervraging van [kerngetuige 1] en van [kerngetuige 2]. Deze categorieën van argumenten zullen hieronder - zo nodig ambtshalve - in de paragrafen 2 tot en met 4 worden besproken en beoordeeld. Daarbij zullen steeds (tussen)conclusies worden getrokken, waarna in paragraaf 5 een eindconclusie zal volgen. 2. Betrouwbaarheid [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] en geloofwaardigheid van hun verklaringen De verklaringen van [kerngetuige 1] over de afpersingen vormen de kern van het potentiële bewijs tegen de verdachte en zijn medeverdachten. Nu deze hebben ontkend of in elk geval niet hebben bekend [kerngetuige 1] te hebben afgeperst, kunnen de verklaringen van [kerngetuige 1] maar op één manier op juistheid worden geverifieerd: de door hem genoemde feiten en omstandigheden afzetten tegen andere, zelfstandige bronnen die informeren over de desbetreffende gebeurtenissen. Dat is niet een gemakkelijke opgave. Dit hangt in de eerste plaats samen met de aard van afpersingsdelicten waarbij steunbewijs in het algemeen niet ruim voorhanden is. Op die algemene ervaringsregel vormt de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’ niet alleen geen uitzondering, hij is daarvan een schoolvoorbeeld. Het steunbewijs is, zoals op de zitting door de rechtbank en vrijwel alle procesdeelnemers veelvuldig is benadrukt, niet ruim voorhanden. Een tweede reden waarom dit geen gemakkelijke opgave is, is omdat de diverse verdachten een deel van de feiten en/of omstandigheden zoals deze uit de verklaringen van [kerngetuige 1] volgen in het geheel niet betwisten, maar daar wel een hele andere kleuring/duiding aan geven. Daarom is het van groot belang om bij de bron te beginnen en de betrouwbaarheid van [kerngetuige 1] zelf te onderzoeken. Gegeven het onderzoek op de zitting zijn er drie samenhangende domeinen waarop de betrouwbaarheid van [kerngetuige 1] als getuige valt te controleren. Dit betreft [kerngetuige 1] in de persoon van getuige, [kerngetuige 1] in de persoon van zakenman en [kerngetuige 1] als (mogelijke) verdachte van strafbare feiten. Deze drie domeinen worden besproken in de paragrafen 2.1. tot en met 2.3. De vragen die voorliggen zijn, kortom, of [kerngetuige 1] zich een betrouwbare getuige heeft betoond; en een betrouwbare zakenman; en meer in het algemeen een betrouwbaar persoon. Ontkennende beantwoording betekent niet zonder meer dat zijn verklaringen in deze zaak over de verdachten dan ook onbetrouwbaar/ongeloofwaardig zijn. Wel zal het mogelijk zijn schaduw vooruitwerpen ten aanzien van de betrouwbaarheid/geloofwaardigheid van de verklaringen van [kerngetuige 1]. Welke concrete gevolgtrekkingen uit het één en ander moeten worden getrokken, zal in de conclusie in paragraaf 2.4a. worden besproken. In paragraaf 2.4b. zal datzelfde worden gedaan ten aanzien van de verklaringen van [kerngetuige 2]. 2.1. [kerngetuige 1] als getuige 2.1.1. Niet verschenen in april 2013: geslapen op de bank [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] zijn voor de zitting van 8 april 2013 opgeroepen om te verschijnen voor de rechtbank Rotterdam. Behalve een aanduiding ‘vestigingsadres, Posthumalaan 74 Rotterdam’ bevatten de oproepingen geen adres. In april 2013 hield de rechtbank Rotterdam in deze zaak zitting in ‘de bunker’ in Amsterdam. Op 17 april 2013 verschenen berichten op Twitter dat [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] op 8 april 2013 in Nederland zouden zijn geweest, op weg naar Rotterdam om aldaar als getuigen te verschijnen. Onderweg vernamen zij, ter hoogte van Leiden, dat de zaak was verplaatst naar Amsterdam. Daarop hebben de getuigen ergens op een bank geslapen en na dat ‘fiasco’ zijn zij weer naar huis gegaan. De rechter-commissaris heeft in opdracht van de rechtbank onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] in Nederland op 8 april 2013. Die aanwezigheid is door de rechter-commissaris op basis van beperkt onderzoek naar aanleiding van door [kerngetuige 1] verstrekte beperkte informatie niet onaannemelijk geoordeeld. Tijdens de zitting in mei 2013 wordt [kerngetuige 1] over dit voorval bevraagd. Hij heeft geantwoord, dat hij en [kerngetuige 2] op 8 april 2013 inderdaad zonder beveiliging op weg waren naar Rotterdam. ‘U houdt mij voor dat u ook verbaasd bent dat u uit mijn mond hoort dat ik op 8 april 2013 in Nederland was, maar niet ben doorgereden naar Amsterdam. Wij zijn enorm gefrustreerd hoe TGB met ons omgegaan is en nog steeds omgaat. Uiteindelijk waren we het zo zat dat we dachten, dan gaan we er maar onaangekondigd naar toe.’ Gegeven de uitermate grote zorgen die [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] gedurende het gehele strafproces hebben geuit over hun persoonlijke veiligheid, is het uiterst onaannemelijk dat zij zonder begeleiding en onaangekondigd de rechtbank hadden willen binnenstappen. Zij zouden dan immers lijfelijk met de verdachten worden geconfronteerd die toentertijd reeds op vrije voeten waren, in het bijzonder met [medeverdachte 1]. [kerngetuige 1] heeft zich dat blijkbaar ook gerealiseerd: ‘Toen ik hoorde dat we in Amsterdam moesten zijn, begon ik mezelf af te vragen hoe we hier (daar: Rb) zouden moeten komen. Onderweg richting de rechtbank begon ik mij af te vragen wat we aan het doen waren en hoe gevaarlijk het was wat we deden.’ Behalve dat het meer dan vreemd is dat de getuigen zich op eigen gelegenheid bij de rechtbank wilden melden en zich pas op het allerlaatste moment zouden hebben gerealiseerd hoe gevaarlijk het was wat zij deden, althans in hun eigen ogen, blijft onvermeld dat [kerngetuige 2] op 8 april 1968 is geboren en de bewuste dag dus jarig was. De vraag is of het bezoek aan Nederland, niet op zijn minst mede daarmee verband heeft gehouden. Anders gezegd, er moet sterk worden getwijfeld aan deze uitspraken van [kerngetuige 1] op de zitting. Niet onaannemelijk wordt geacht dat [kerngetuige 1] deze uitspraken deed in het licht van zijn geschil met de Staat over zijn getuigenbeschermingsprogramma, waarover later meer onder vooropstelling ‘C. Getuigenbeschermingstraject’. 2.1.2. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4]: niet in [bedrijf 2]! Op de zitting van 29 mei 2013 werd [kerngetuige 1] gevraagd naar een brief die hij de toenmalige rechter-commissaris had gestuurd, inhoudende dat ontlastende informatie uit het dossier zou zijn gehouden. Desgevraagd heeft [kerngetuige 1] verklaard dat bepaalde onderdelen uit zijn verklaring om hem onbekende reden niet waren opgenomen in de processen-verbaal van verhoor. ‘Er is ook een aparte getuigenverklaring opgenomen van een waarneming die ik en [kerngetuige 2] in 2005 hebben gedaan in het restaurant van mijn broer te [plaats 1]; [bedrijf 2]. Ik zat daar op een zondagmiddag te lunchen met [kerngetuige 2]. Ik keek links achter mij en zag [betrokkene 3] staan. In de periode daarvoor was hij wel vaker in dat restaurant geweest. Ik herkende hem. [betrokkene 2] was toen ook in [bedrijf 2]. (…) Ik herinner mij dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] er waren. (…) Ik zag dat [betrokkene 2] aan de bar stond en ik zag [betrokkene 4] ook. Ik zei nog tegen [kerngetuige 2] ‘zo die durft’. (…) Ik zag dat er contact was tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Op een gegeven moment zijn [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 3] tegelijkertijd en gezamenlijk [bedrijf 2] uitgelopen. Mijn waarneming was dat zij daar op dat moment gezamenlijk waren geweest en vertrokken.’ Deze verklaring wordt deels ondersteund door [kerngetuige 2]. Zij heeft op 3 februari 2011 bij de politie verklaard dat [kerngetuige 1] haar ‘ergens in 2004/2005’ toen zij samen in [bedrijf 2] waren, [betrokkene 4] had aangewezen die samen met [betrokkene 3] aan een tafeltje zat. [betrokkene 2], die zij van televisie herkende, stond aan de bar. In opdracht van de rechtbank zijn vervolgens de genoemde personen gehoord. Blijkens een proces-verbaal van de officier van justitie mr. Harderwijk van 29 mei 2013 heeft [betrokkene 2] verklaard dat hij nimmer in [bedrijf 2] is geweest. [betrokkene 4] heeft op 30 mei 2013 tegenover de politie verklaard dat hij twee keer met [betrokkene 3] in [bedrijf 2] is geweest, maar dat hij [betrokkene 2] daar nimmer heeft gezien. [broer kerngetuige 1] heeft op 30 mei 2013 verklaard dat hij [betrokkene 2] wel eens in [bedrijf 2] heeft gezien en ook [betrokkene 3] en [betrokkene 4] tezamen, maar niet die drie personen gezamenlijk. Ten slotte, blijkens het proces-verbaal van 31 mei 2013 van verhoor van [betrokkene 3] en [betrokkene 6], heeft [betrokkene 3] verklaard dat hij met [betrokkene 4] wel eens in een grand café in het centrum van [plaats 1] is geweest, maar [betrokkene 2] nooit buiten de rechtszaal heeft ontmoet. Ten slotte heeft [betrokkene 6] verklaard dat hij regelmatig in [bedrijf 2] kwam, maar [betrokkene 2] nooit heeft ontmoet. De conclusie kan niet anders zijn, dan dat de verklaring van [kerngetuige 1] dat [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] elkaar in [bedrijf 2] hebben ontmoet, wordt tegengesproken door de hoofdrolspelers. 2.1.3. Niet nagekomen toezegging(
- en)Toen [kerngetuige 1] in mei 2013 op de zitting als getuige aanwezig was, heeft hij desgevraagd geantwoord, bereid te zijn in een later stadium opnieuw ter zitting te verschijnen. [kerngetuige 1] werd vervolgens voor de zitting van 20 en 24 september 2013 opgeroepen, maar hij en [kerngetuige 2] weigerden te verschijnen wegens een conflict met het onderdeel getuigenbescherming bij het Korps landelijke politiediensten/Landelijke eenheid, Dienst Landelijke Operationele Samenwerking (hierna: team getuigenbescherming). De getuigen werden opnieuw opgeroepen voor de zittingen in maart en april 2014. [kerngetuige 1] is toen evenmin verschenen. Pas in de derde zittingsweek in maart 2014 is [kerngetuige 2] verschenen. [kerngetuige 1] heeft zich er op beroepen dat hem een advocaat was toegevoegd, dat bij de planning van de zitting in maart 2014 geen rekening was gehouden met de verhinderdata van de advocaat en dat hij niet zou verschijnen als zijn advocaat er niet bij zou kunnen zijn. Zijn advocaat heeft in de periode van drie weken waarin de zitting in maart 2014 was gepland, schijnbaar geen ruimte kunnen maken in zijn agenda. In elk geval heeft [kerngetuige 1] geen gevolg gegeven aan de oproeping. Aldus is [kerngetuige 1] zijn meest directe en belangrijkste toezegging aan deze rechtbank om later opnieuw op de zitting te verschijnen niet nagekomen. Dat dit niet de enige toezegging is, die [kerngetuige 1] en in zijn kielzog [kerngetuige 2] niet is nagekomen, zal voor een ieder die - op welke wijze dan ook - bij de zaak Briard betrokken is geweest meer dan duidelijk zijn. Zitting na zitting bleek steeds weer dat toezeggingen en beloften aan de rechter-commissaris en/of aan de officier van justitie bij het landelijk parket, belast met getuigenbescherming (hierna: TGB-officier van justitie) door [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] niet waren nagekomen. Keer op keer was er een probleem dat hun komst naar het kabinet van de rechter-commissaris dan wel de zitting in hun ogen in de weg stond. Dit alles moet steeds worden bezien in het licht van de verplichting om te komen getuigen, die voor een ieder onder de Nederlandse jurisdictie geldt, maar die in het geval van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] ook nog nadrukkelijk was overeengekomen. De TGB-officier van justitie heeft het op de zitting van 12 april 2013 als getuige zelfs uitgesproken: ‘[kerngetuige 1] is een onbetrouwbare onderhandelingspartner. Elke keer als we ergens afspraken over hadden gemaakt, had hij weer nieuwe eisen.’ 2.1.4. Tussenconclusie In de hoedanigheid van getuige is [kerngetuige 1] op niet onbelangrijke onderdelen niet steeds betrouwbaar gebleken. Dit beperkt zich niet tot zijn toezegging aan de rechtbank weer te zullen verschijnen, maar ook onderdelen van zijn op de zitting afgelegde verklaring blijken dubieus of staan haaks op verklaringen van anderen. Ook in de communicatie met de rechter-commissaris en met de officier van justitie van het team getuigenbescherming is [kerngetuige 1] als getuige op zijn zachtst gezegd niet altijd even betrouwbaar gebleken. 2.2. [kerngetuige 1] als zakenman 2.2.1. Andere oorzaken financiële ellende/volledige openheid van zaken? Vast staat dat [kerngetuige 1] persoonlijk en (enkele van) diens bedrijven, zoals [bedrijf 3], [bedrijf 4] en [bedrijf 5] failliet zijn verklaard. In het eindverslag van 30 juli 2013 inzake het persoonlijk faillissement van [kerngetuige 1] heeft de curator vorderingen van bijna € 9.000.000,-- geïnventariseerd. De belastingdienst had een vordering van ruim € 700.000,--; de preferente crediteuren hebben gezamenlijk een vordering ingediend van ruim € 8.200.000,--. Daar tegenover heeft een bedrag van een kleine € 40.000,-- beschikbaar gestaan voor uitdeling. Daarnaast had [kerngetuige 1] een hypotheek van € 1.325.000,-- en is de desbetreffende woning uiteindelijk verkocht voor € 540.000,--. Uit het eerste faillissementsverslag van 8 juni 2009 blijkt dat het faillissement is aangevraagd door een investeerder die $ 5.000.000,-- had geïnvesteerd in Amerikaans vastgoed. Uit de verklaringen die [kerngetuige 1] in maart en september 2010 tegenover de politie heeft afgelegd, wordt duidelijk dat dit ene [betrokkene 7] is geweest. Verder wordt in het faillissementsverslag vastgesteld, dat er geen administratie op de gebruikelijk wijze is gevoerd. [kerngetuige 1] heeft, aldus nog steeds dit verslag, geclaimd dat hij recht had op belastingrestitutie. Op 18 juni 2010 blijkt uit het faillissementsverslag evenwel het tegendeel. [kerngetuige 1] heeft na 2005 ten onrechte aanzienlijke belastingrestituties gevraagd én gekregen. Per saldo is er uiteindelijk de bovengenoemde belastingschuld blijven bestaan van ruim € 700.000,--. [kerngetuige 1] claim dat hij geen belastingschuld had, maar een vordering op de belastingdienst, mag dus op zijn best wishfull thinking worden genoemd. Een berekening van de hoogte van de bedragen, die [kerngetuige 1] aan de verdachten zou hebben betaald, afgezet tegen de omvang van de bedragen die [kerngetuige 1], ook naar eigen zeggen, zou hebben gekregen van diezelfde verdachten, levert de conclusie op dat [kerngetuige 1] per saldo waarschijnlijk wel geld heeft afgedragen, maar waarschijnlijk niet veel meer dan € 100.000,-- en in elk geval geen bedrag dat een zakelijk fiasco en een schuld van € 9.000.000,-- kan verklaren. [kerngetuige 1] heeft op diverse momenten verklaard dat zijn zaken zijn misgelopen, omdat hij werd afgeperst door de verdachten in deze zaak. Bovenstaande bevindingen uit het faillissement en de berekening omtrent de afgeperste bedragen doen de vragen rijzen of, zo er al sprake is geweest van afpersing, er niet op zijn minst andere oorzaken van de zakelijke problemen zijn en of [kerngetuige 1] wel volledige openheid van zaken heeft gegeven. Het voorgaande wordt nog eens versterkt door het gegeven dat van de bedragen die volgens [kerngetuige 1] van hem zouden zijn afgeperst door de verdachte en zijn medeverdachten bijna geen papierspoor voorhanden is. Uit het onderzoek op de zitting is op een enkel bankafschrift na niet gebleken van geschriften, boekhouding, reçuutjes, bonnetjes of wat dan ook dat de beweerde geldstromen van [kerngetuige 1] naar de verdachte en zijn medeverdachten zouden kunnen bevestigen. De rechtbank heeft daarom nader onderzoek gedaan naar de zakelijke activiteiten van [kerngetuige 1]. Daaruit is gebleken dat hij in dienst is geweest van de rechtsvoorganger van [bedrijf 6], waarbij het hem financieel voor de wind is gegaan. Na zijn vertrek bij [bedrijf 6] heeft hij een serie bedrijven opgericht, voor projecten van allerlei soort. Eén van de eerste projecten, voor zover de rechtbank kan nagaan, is het project in [project 1] in de Verenigde Staten van Amerika geweest. In dat project is geïnvesteerd door de al eerder genoemde [betrokkene 7]. Het project werd een groot fiasco (paragraaf 2.2.1a.) en leverde [kerngetuige 1] een slepend conflict op met [betrokkene 7] (paragraaf 2.2.1b.), dat in het zojuist besproken faillissement is geëindigd. 2.2.1a. Fiasco [project 1] In het project [project 1] heeft [kerngetuige 1] hfl. 3.000.000,-- geïnvesteerd van [betrokkene 1]. Dit bedrag is de vordering van [betrokkene 1] waarmee volgens de officier van justitie de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’ is begonnen. In een van zijn verklaringen wordt op aangeven van de politie door [kerngetuige 1] een korte analyse gegeven van zijn financiële situatie en de oorzaak van de financiële ellende waarin hij verkeert. ‘M (…) je bent uiteindelijk begonnen met (geld: Rb) van [betrokkene 1]: Rb), daar is alle ellende mee begonnen eigenlijk. G nou ik ben niet ‘[bedrijf 7]’ begonnen met dat geld van [betrokkene 1], [betrokkene 1] zijn geld is een onderdeel van het project in '[project 1]' daarna is er nog veel meer in ‘[bedrijf 7]’ gegaan. Er zijn tientallen miljoenen in ‘[bedrijf 7]’ gegaan. M ja maar het geld van [betrokkene 1] wat op een bepaald moment terug moest, G ja; M dat is uiteindelijk begin van alle ellende geweest? G ja.’ In het vervolg van deze paragraaf zal duidelijk worden dat, anders dan de analyse van [kerngetuige 1] luidt, de oorzaak van al zijn financiële ellende niet, of in ieder geval niet helemaal, is gelegen in het terugbetalen van het geld aan [betrokkene 1], maar veel meer in het zakelijk fiasco [project 1] en de rol van - onder meer - [betrokkene 7] daarin. 2.2.1b. Opgelicht en/of oneerlijk spel Toen [kerngetuige 1] was begonnen met het ontwerpen van een huis op de grond in [project 1], is hij in contact gekomen met [betrokkene 8]. Ook zij zou (laten) investeren in het vastgoedbedrijf van [kerngetuige 1]. [kerngetuige 1] heeft op verzoek van [betrokkene 8] een bedrag van $ 85.000,-- als advance fee aan haar had overgemaakt om de beloofde financiering te krijgen. Later bleek dat het $ 85.000,-- waren verdwenen. ‘Achteraf ben ik in een advance fee scam gelopen. (…) Dat geld (was) weg en die financiering kreeg ik niet. (Ik) had meerdere grondposities in optie genomen dus. (…) Ik had nog een stuk grond in [project 2] gekocht ik was de bouw begonnen bijna in [project 1] van het huis. En ik was volledig verrast dat die transactie niet doorging. Dat is dan december 2002/januari 2003. Dus ik krijg voor het eerst te maken met een grote tegenslag want ik moest wel die grondposities afnemen.’ In maart 2003 is [kerngetuige 1] in contact gekomen met vermogensbeheerder [betrokkene 9], werkzaam bij [bedrijf 8] Eén van de klanten van [bedrijf 8] is [betrokkene 7]. [betrokkene 9] zou geïnteresseerd zijn in het concept [project 1] van [kerngetuige 1], die in die periode de wereld afreisde om dit concept te slijten. [betrokkene 9] deed een toezegging dat [betrokkene 7] zou investeren. Later zou, aldus [kerngetuige 1], zijn gebleken dat [betrokkene 9] de toezegging had gedaan zonder rugdekking van [betrokkene 7]. Hoe dan ook heeft de investering door [betrokkene 7] tot grote vertraging geleid. Pas in februari 2004 heeft [betrokkene 7] de beloofde $ 5.000.000,-- betaald en pas nadat [kerngetuige 1] een advocaat in de arm had genomen. Vervolgens heeft, aldus [kerngetuige 1], [betrokkene 7] er alles aangedaan om [bedrijf 7] (lees: [kerngetuige 1]) onderuit te halen en zijn geld terug te krijgen. ‘Ik heb het huis gedwongen moeten verkopen omdat ik door [betrokkene 7] en dergelijke financieel in de problemen kwam.’ En omdat [kerngetuige 1] voor de projecten privé garant heeft gestaan, komt hij ook privé in de problemen. ‘Omdat ik vanaf 2004, 2005, zelf te maken kreeg met die persoonlijke garantie en dat er bij mij beslag gelegd werd. Dus vanaf 2004 had ik geen bankrekening meer. Ik had geen bezittingen meer eigenlijk.’ De eerder genoemde financiële problemen hebben er toe geleid dat [kerngetuige 1] het personeel in een van zijn BV’s, [bedrijf 3], niet meer kon betalen. Twee personeelsleden hebben vervolgens het faillissement van [bedrijf 3] aangevraagd. Dat heeft het einde betekend van [bedrijf 7] [kerngetuige 1] heeft vervolgens besloten zijn verlies te nemen en de vastgoed projecten te verkopen. Dat bleek, in elk geval wat betreft [project 1], geen sinecure. Want behalve met mevrouw [betrokkene 8], [bedrijf 8] en [betrokkene 7], bleek [kerngetuige 1] ook problemen te hebben met de bouwer. Er zou bij de bouw voor $ 600.000,-- zijn gefraudeerd. Om het huis niet te verliezen, heeft [kerngetuige 1] zich genoodzaakt gezien een lening af te sluiten bij een bank. Maar ook dat ging niet goed. ‘De contracten die ik voorgeschoteld kreeg, waren in die tijd Predatory lending genoemd. Daar zat een hele hoge rente op, later is dit bij wet verboden. Ik moest 12 procent rente betalen maar het kwam neer op 33 procent. In de kleine lettertjes stonden verschillende clausules. Als je bijvoorbeeld zo'n lening wil verlengen moet je 5 procent extra betalen. Dat speelt in 2006 een belangrijke rol. Door die clausules trok die bank bijna de hele waarde van dat huis naar zich toe, ze hebben er 4,9 miljoen uitgetrokken. Ik ben een procedure begonnen tegen de bank en ik had volgens de advocaat kans om te winnen. Ik moest wel de advocaat betalen. (…) Ik ben de procedure gestart maar na verloop van tijd had ik er geen geld meer voor. Ik heb die papieren wel. Het geld van [betrokkene 1] zat in die grond waar dat huis op staat. (…) De bank diende dus een fors hogere aflossing in dan overeengekomen. Ik nam een advocaat in [project 1] die stuurde een brief naar de bank. (…) Toen hebben we besloten om een kort geding te voeren tegen de bank. Deze hebben we verloren.’ Opgelicht en/of oneerlijk spel dus door [betrokkene 8], [betrokkene 7], [bedrijf 8], de bouwer en zelfs door de bank. 2.2.2. Tussenconclusie Kortom, [kerngetuige 1] is als zakenman in het project [project 1] mislukt. Dit heeft geleid tot het slepende conflict met [betrokkene 7] dat de oorzaak van de financiële ellende van [kerngetuige 1] is geweest en waaraan [kerngetuige 1] naar eigen zeggen ook nog meer dan een miljoen euro heeft uitgegeven aan advocaatkosten. Waar [kerngetuige 1] in zijn verklaringen wil doen voorkomen dat er een korrelatie, sterker nog, rechtstreeks causaal verband bestaat, tussen zijn financiële ellende en de eventuele afpersing door de verdachte en zijn medeverdachten, geeft hij duidelijk geen volledige openheid van zaken. Hiermee bewijst hij zijn (intrinsieke) betrouwbaarheid geen dienst. 2.3. [kerngetuige 1] verdachte? Uit het onderzoek op de zitting is gebleken dat een aantal verdenkingen van strafbare feiten als een donkere schaduw over [kerngetuige 1] heen hangt. Anders, formeler gezegd: in meer of in mindere mate is er sprake van een redelijk vermoeden van schuld dat [kerngetuige 1] voorafgaand aan en in de ten laste gelegde periode zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Gedoeld wordt op: het aannemen van een bedrag van hfl. 3.000.000,-- van [betrokkene 1] dat [kerngetuige 1] heeft doorgeleid naar zijn Amerikaanse project (paragraaf 2.3.1.); de investering van een bedrag van € 250.000,-- ten behoeve van de aankoop van een pand, waarin een coffeeshop zou worden gevestigd (paragraaf 2.3.2.); het verduisteren van gelden van neef [betrokkene 10] (paragraaf 2.3.3.); het verduisteren van gelden van [broer kerngetuige 1] en van zijn ouders (paragraaf 2.3.4.); het informeren naar de mogelijkheden om tot een (bom)aanslag op [betrokkene 7] te komen (paragraaf 2.3.5.); de aangifte van bedrieglijke bankbreuk bij de afhandeling van faillissementen (paragraaf 2.3.6.). Opgemerkt wordt dat het vervolgingsmonopolie bij de officier van justitie ligt en dit vonnis - mede daarom - niet de plek is voor een (hard) oordeel over de feiten en omstandigheden die [kerngetuige 1] als eventuele verdachte aangaan. De feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot deze verdenkingen zullen daarom kort worden uiteengezet, met hier en daar een lichte duiding. 2.3.1. Hfl 3.000.000,-- van [betrokkene 1] Ten aanzien van de miljoenen van [betrokkene 1] die [kerngetuige 1] heeft doorgeleid naar een Amerikaans project moet het voor [kerngetuige 1] overduidelijk zijn geweest dat dit geld niet van iedere verdenking was ontbloot. In 2001 heeft immers een strafrechtelijk onderzoek gelopen naar witwassen door [betrokkene 1]. In dat kader is, behalve [betrokkene 1], ook [broer kerngetuige 1] aangehouden. Volgens [kerngetuige 1] heeft hij naar aanleiding van dat onderzoek gesproken met zijn broer [broer kerngetuige 1] over het bedrag van hlf. 3.000.000,-- van [betrokkene 1], dat op een bankrekening in Zwitserland zou staan en in beheer was bij [broer kerngetuige 1]. Een medewerker van de bank zou in november 2001 hebben verzocht het geld van de rekening op te nemen, omdat: ‘er een gerucht ging dat er een onderzoek werd gedaan naar [betrokkene 1]: Rb) en dat hij dat geld niet meer in zijn bank wilde hebben en of [broer kerngetuige 1] dus een oplossing wist.’ [kerngetuige 1] was op verzoek van [broer kerngetuige 1] bij dat gesprek aanwezig. Hij was bezig met het opzetten van het hiervoor besproken project in [project 1]. [kerngetuige 1] heeft met [broer kerngetuige 1] besproken dat het geld in het project zou kunnen worden belegd. Dat geld is vervolgens, zonder overleg met [betrokkene 1] die toentertijd was gedetineerd, rechtstreeks door [kerngetuige 1] en dus niet door tussenkomst van een van zijn BV’s, naar Amerika overgeboekt. ‘Het is geen slechte investering het geld is in ieder geval beschermd want ik begon me wel af te vragen of mijn broer er zo verstandig aan had gedaan om iets met [betrokkene 1] te doen omdat hij steeds groter in de markt kwam als een crimineel of een zware crimineel zelfs.’ Het leidt geen twijfel dat de boven geschetste omstandigheden waaronder het geld is overgedragen aan [kerngetuige 1] en diens broer en de twijfels over de herkomst van het geld, op zijn minst tot vermoedens van witwassen hadden kunnen leiden. Die vermoedens hadden kunnen worden versterkt, met de wetenschap dat de broers [kerngetuige 1] op nog meer manieren met de zaken van [betrokkene 1] waren verweven, zoals uit de volgende paragraaf kan blijken. 2.3.2. De coffeeshop van de familie [betrokkene 1] Op 14 september 2010 heeft [kerngetuige 1] verklaard over een lening die [betrokkene 1] bij hem zou zijn aangegaan. Het zou gaan om een bedrag van € 250.000,-- ten behoeve van de aankoop van een pand, waarin een coffeeshop zou worden gevestigd. Via de nodige omwegen van BV’s, waaronder [bedrijf 9], hebben [kerngetuige 1] en [broer kerngetuige 1] een bedrag van € 250.000,-- geleend aan [betrokkene 1] en diens familieleden, aldus [kerngetuige 1]. Naar aanleiding van de aanvraag van de vergunning voor een coffeeshop door mevrouw [betrokkene 1] heeft de gemeente een Bibob-onderzoek gedaan. Het Bureau Bibob heeft, zo kan worden afgeleid uit het besluit van de gemeente Amsterdam d.d. 1 februari 2007, sterke aanwijzingen dat het geïnvesteerde geld eigenlijk afkomstig is van [betrokkene 1]. Deze aanwijzingen worden gevoed door een eerder politieonderzoek in het jaar 2000 naar [betrokkene 1], waarbij het vermoeden is ontstaan dat [broer kerngetuige 1] bij de aankoop van een horecabedrijf gefinancierd werd door [betrokkene 1]. Dit laatste, zo blijkt uit deze zaak, is trouwens juist. De gevraagde vergunning werd niet verleend. 2.3.3. Verdwenen gelden van neef [betrokkene 10]? Op 6 oktober 2011 heeft [betrokkene 10], een neef van [kerngetuige 1], tegenover de politie verklaard dat hij, op aandringen van [kerngetuige 1], de hypotheek op zijn huis had verhoogd en op 27 februari 2002 een bedrag van € 75.000,-- had overgemaakt naar [kerngetuige 1] om te investeren. In oktober 2004 heeft [betrokkene 10], blijkens zijn verklaring, nog eens een krediet afgesloten van € 45.000,-- en dat geld aan [broer kerngetuige 1] overgemaakt, die hem later zou hebben verteld dat het een lening voor [kerngetuige 1] was geweest. [kerngetuige 1] heeft hem nimmer terugbetaald. In december 2009 heeft [betrokkene 10] tenslotte zijn auto aan [kerngetuige 1] ter beschikking gesteld. [betrokkene 10] heeft verklaard dat hij deze auto wilde verkopen, waarop [kerngetuige 1] zou hebben aangeboden de auto voor hem in te ruilen waardoor hij een hoger bedrag kon krijgen. Uit de verklaringen van [betrokkene 10] leidt de rechtbank af dat hij zijn geld nooit van [kerngetuige 1] heeft teruggekregen. ‘Ik ben in december 2009 daarvoor bij [kerngetuige 1] thuis geweest. Ik heb deze auto uitgeleend en nooit weer wat ontvangen.’ [betrokkene 10] is op 19 april 2012 bij de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft verklaard: ‘Iedere keer in de periode 2007-2008 als ik [kerngetuige 1] aan de telefoon had of als ik daar was geweest, heb ik meerdere keren aan hem gevraagd om mijn geld. Ik kreeg dan iedere keer een lulverhaal te horen. (…) Ik ben vaak huilend bij [kerngetuige 1] weggelopen. Ik kreeg namelijk geen duidelijkheid. Hij vertelde zoveel verhalen en ik had daar echt verdriet om.’ 2.3.4. ( (Verdwenen) gelden van broer [broer kerngetuige 1] Op 9 november 2011 hebben de verhorende rechercheurs aan [broer kerngetuige 1] gevraagd naar een door de belastingdienst bij [bedrijf 2] begin oktober 2008 gelegd beslag vanwege openstaande vorderingen voor een totaalbedrag van ongeveer € 400.000,--. ‘Ik wist niet beter dan dat [kerngetuige 1] de boekhouding deed en de betalingen had verricht. [kerngetuige 1] zou ook reserveringen voor de belastingdienst gedaan hebben. Ik had er dan ook geen idee van dat er geen geld naar de belastingdienst was gegaan.’ [broer kerngetuige 1] heeft op 19 juni 2012 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij aangifte heeft gedaan van oplichting en valsheid in geschrifte door [kerngetuige 1]. [kerngetuige 1] zou hem hebben benadeeld door zich de overwaarde van zijn hypotheek toe te eigenen. Verder heeft [kerngetuige 1], aldus nog steeds [broer kerngetuige 1], hun ouders benadeeld door geld te lenen en niet terug te betalen en door zich hun auto toe te eigenen. ‘Ik weet dat het spaargeld van mijn ouders is verdwenen en hun auto is verdwenen.’ 2.3.5. De ‘(bom)aanslag’ op [betrokkene 7] Op de zitting van 24 september 2013 heeft [betrokkene 11] als getuige verklaard: ‘Op een gegeven moment zei [kerngetuige 1] dat hij gehoord had dat ik een bom kon maken. Hij vroeg aan mij of ik die voor hem zou kunnen maken, wat hem dat zou kosten en of ik de bom onder een auto zou kunnen plaatsen. Ik heb daar geen direct antwoord op gegeven omdat ik met stomheid geslagen was. [kerngetuige 1] vertelde mij dat hij problemen had met iemand en dat die persoon een Nederlander was die in België woonde. De naam van die persoon is niet genoemd. (…) Ik ben naar mijn auto teruggegaan en heb in de auto een gesprek gehad met [medeverdachte 1]. Ik verweet hem dat hij mij in contact had gebracht met [kerngetuige 1] en dat hij [kerngetuige 1] had verteld dat ik een bom zou kunnen maken.’ Op de zitting van 3 maart 2014 heeft [medeverdachte 1] als getuige verklaard dat hij achteraf van [betrokkene 11] in de auto van het verzoek van [kerngetuige 1] heeft gehoord. Op de zitting van 11 maart 2014 heeft de verdachte verklaard: ‘Ik wist dat het foute boel was toen [kerngetuige 1] mij vroeg of ik [betrokkene 7] kon doen. Hij maakte daarbij een schietbeweging met zijn hand.’ In een brief van [betrokkene 12] van 24 februari 2014 verklaart deze over ontmoetingen die hij heeft gehad met [kerngetuige 1]: ‘De tweede ontmoeting was meer een verdieping van het eerste gesprek en wat meer persoonlijke achtergronden over [kerngetuige 1] zijn verblijf in amerika waar die naar eigen zeggen zeer succesvol is geweest en veel geld had verdient en waarna hij besloten had om voor zichzelf te beginnen wat uiteindelijk geleid heeft tot het debacle met die in België woonachtige Nederlandse investeerder in dat investeringsfonds ik merkte wel dat de nood hoog was en er een hele grote frustratie was naar de persoon die hij verantwoordelijk zag voor al zijn misere en dat die een ‘lesje’ nodig had en of ik geen mensen kon die eens bij die man aan de deur daarover wat wilde gaan zeggen en wat indruk konden maken om zo die man te dwingen te stoppen claims te leggen bij [kerngetuige 1].’ Tenslotte wordt hier vermeld dat [betrokkene 13] aan de politie een uitdraai heeft overhandigd van een kopie van een e-mailbericht dat [kerngetuige 1] op 3 maart 2008 aan [betrokkene 7] heeft gestuurd. ‘Beste [betrokkene 7], Ik heb de afgelopen jaren geconstateerd dat je graag een persoonlijk conflict uitvecht. Ik heb wel eens begrepen dat je links en rechts zelfs praat over mensen ‘een lesje leren’. Een dergelijke strijd ga ik volgaarne aan en we zullen wel zien wie aan het eind van de dag nog over eind staat en wie wie uiteindelijk ‘een lesje leert’. (…) Denk echter goed na over de gevolgen op korte, midden en ook lange termijn. Ik zou het professioneel en zakelijk houden. Dat is slechts een advies. Wij zullen nooit voor jou buigen. Onthou dat goed.’ 2.3.6. Bedrieglijke bankbreuk In het faillissementsverslag van 12 december 2011 staat vermeld: ‘In het onderhavige faillissement ([kerngetuige 1]: Rb) en in de gerelateerde faillissementen van [bedrijf 4] en [bedrijf 5] is door de curator tegen curandus aangifte gedaan van bedrieglijke bankbreuk.’ Bedrieglijke bankbreuk is strafbaar gesteld in artikel 341 Sr als een vorm van faillissementsfraude. Het proces-verbaal van de officier van justitie van 16 april 2013 geeft ook blijk van deze verdenking van faillissementsfraude. 2.3.7. Tussenconclusie Kort en goed rusten op [kerngetuige 1] (stevige) verdenkingen van (zeer) ernstige strafbare feiten die hun grondslag vinden in en rondom de feiten in de ten laste gelegde periode en die daarmee ook in meer of mindere mate een raakvlak hebben. Het behoeft geen betoog dat dergelijke verdenkingen [kerngetuige 1] als getuige niet betrouwbaarder maken. 2.4a. Conclusie ten aanzien van [kerngetuige 1] is als getuige op de zitting niet volledig betrouwbaar gebleken. Als zakenman is hij mislukt en hij heeft daarover in zijn verklaringen niet altijd openheid van zaken gegeven. Zeer aannemelijk is dat de bron van alle financiële ellende van [kerngetuige 1] niet, of niet alleen, de gestelde afpersing door de verdachte en zijn medeverdachten is, maar dat [kerngetuige 1] grote zakelijke problemen en zijn daaruit voortvloeiende geschil met [betrokkene 7] hier de oorzaak van zijn. Ten slotte rusten er (stevige) verdenkingen van ernstige strafbare feiten op [kerngetuige 1] die zijn ontstaan, of hun oorsprong vinden, in of rondom de feiten in de ten laste gelegde periode. Kortom, [kerngetuige 1] is intrinsiek niet de meest betrouwbare persoon gebleken. Als gezegd behoeft dit niet zonder meer te betekenen dat zijn verklaringen over de verdachte en de medeverdachten dan ook onbetrouwbaar en/of ongeloofwaardig zijn. Al hetgeen hiervoor is besproken werpt echter wel een schaduw vooruit over die betrouwbaarheid/ geloofwaardigheid. Een schaduw die mogelijk zou/had kunnen worden weggenomen door het toetsten van bovenstaande bevindingen bij [kerngetuige 1]. Daar is het niet van gekomen. Daarover zal hierna het een en ander worden overwogen. Voor nu kan de conclusie geen andere zijn dan dat de bovengenoemde bevindingen reeds op zichzelf moeten leiden tot gepaste terughoudendheid bij het gebruik van de verklaringen van [kerngetuige 1]. 2.4b. Conclusie ten aanzien van [kerngetuige 2] De verklaringen van [kerngetuige 2] zijn, gelet op haar positie als echtgenote van [kerngetuige 1] en gelet op het gegeven dat zij nauwelijks direct betrokken is geweest bij de ten laste gelegde feitelijkheden, voor het overgrote deel afkomstig van de bron [kerngetuige 1] of hangen daar heel dicht tegenaan. Daarbij komt dat haar keuzes in het gehele traject steeds de keuzes van [kerngetuige 1] lijken te volgen. Dit maakt dat de bovengenoemde conclusies ook te trekken zijn over haar verklaringen. 3. Kroongetuige theorie 3.1. Formeel géén kroongetuige Het antwoord op de vraag of in deze zaak sprake is van één of meer kroongetuigen is even kort als eenvoudig: neen! Dat andere afspraken zijn gemaakt dan een getuigenbeschermingsovereenkomst is immers gesteld noch gebleken. Er is dus geen afspraak met getuigen in de zin van artikel 226g Sv. Aan het gebruik van de verklaringen van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] kleven dan ook niet de beperkingen van de artikelen 344a lid 4 en 360 lid 2 Sv, respectievelijk een bewijsminimumregel en een nadere motiveringsverplichting. 3.2. Materieel wel een kroongetuige? De vraag die in deze zaak door velen, vele malen is opgeworpen en die bijna als rode draad door de zittingsdagen heeft gelopen, is of [kerngetuige 1] door zijn plek binnen het getuigenbeschermingsprogramma niet materieel te beschouwen is als kroongetuige. De volgende twee hoofdargumenten zijn hieraan ten grondslag gelegd: [kerngetuige 1] ontloopt door zijn gedwongen vertrek strafvervolging van meerdere strafbare feiten; [kerngetuige 1] ontloopt door zijn gedwongen vertrek vele schuldeisers. Vastgesteld wordt dat uit het voorgaande is gebleken dat van [kerngetuige 1] vele schuldeisers heeft met aanzienlijke vorderingen en dat er stevige verdenkingen van ernstige strafbare feiten tegen hem bestaan. 3.3. Conclusie Het is niet goed mogelijk en gaat binnen dit vonnis ook te ver om op grond van die vaststellingen te constateren dat [kerngetuige 1] met zijn vertrek strafvervolging en/of zijn schuldeisers heeft willen ontlopen. Daarmee zou onvoldoende recht worden gedaan aan het primaire belang dat [kerngetuige 1] had bij zijn vertrek: zijn veiligheid. Bovendien zou [kerngetuige 1] dan hieromtrent dienen te worden bevraagd. Zoals al is gememoreerd, is het daar niet van gekomen. Echter, gelet op al hetgeen hiervoor reeds is overwogen, kan met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat het vertrek van [kerngetuige 1] voor hem niet vrij was van ieder subsidiair belang. Dit leidt ertoe dat ook om deze reden de verklaringen van [kerngetuige 1] met gepaste terughoudendheid dienen te worden gebruikt. 4. Beperkte gelegenheid tot ondervraging 4.1. Inleiding Duidelijk is dat het toetsen van de betrouwbaarheid van de getuigen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] en met name de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van hun verklaringen van eminent belang is en steeds is geweest. Dit is voor de rechtbank vanaf de eerste zittingsdag duidelijk geweest en dat belang is als zodanig steeds onderkend. Vervolgens is op dit uitgangspunt gedurende bijna veertig zittingsdagen geen duimbreed toegeven en is dit tot aan de laatste zittingsdag leidend geweest. 4.2. Adequate and proper? De vraag is, is dit toetsen gelukt en/of heeft de verdediging de ruimte gehad om - samen met de rechtbank en ook de officier van justitie - de vragen daartoe te stellen zodat er ten aanzien van de beide getuigen een ‘adequate and proper opportunity’ is geweest ‘to challenge the statements’? (zie o.m. EHRM 20 november 1989, appl. no. 11454/85 (Kostovski), § 41 en bijv. EHRM 15 december 2011 appl. nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery)). Vast staat dat bij beide getuigen de ‘opportunity’ heeft bestaan. De getuige [kerngetuige 1] is tijdens de zitting in mei 2013 gedurende vier dagen beschikbaar geweest om te worden gehoord. De getuige [kerngetuige 2] is op de zitting van maart 2014 gedurende twee dagen beschikbaar geweest om te worden gehoord. Op de beschikbare dagen zijn de getuigen steeds gedurende een aantal uur gehoord. Op de vierde respectievelijk tweede dag zijn de verhoren, om uiteenlopende redenen, vroegtijdig afgebroken en beëindigd. Daarnaast staat vast dat een ieder: de rechtbank, de officier van justitie, de verdediging en - opmerkelijk genoeg - ook de getuigen zelf, steeds van oordeel is geweest dat de getuigenverhoren niet waren afgerond. Nominaal gezien is een periode van drie dagen respectievelijk een dag voor het horen van een getuige substantieel te noemen. Dat is het in het onderhavige geval echter niet. Daarvoor zijn in de eerste plaats de volgende argumenten te noemen: Het aantal en de omvang van de tenlastegelegde feiten zijn groot. Het betreft een reeks afpersingen in een periode van bijna vijf jaar met drieëndertig feitelijkheden, verdeeld over de verdachte en vijf van zijn medeverdachten. Het aantal en de lengte van de verklaringen van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] zijn enorm. [kerngetuige 1] is vijfentwintig keer gehoord en [kerngetuige 2] negen keer. In totaal bijna 700 pagina’s schriftelijke weergave van de verklaringen. De verklaringen van [kerngetuige 1], en in mindere mate van [kerngetuige 2], vormen de ruggengraat of liever nog, het gehele skelet van de verdenkingen tegen de verdachte en zijn medeverdachten wat betreft de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’. Het aantal verdachten is groot. Vrijwel alle tien verdachten hadden (groot) belang bij het horen van [kerngetuige 1]. De wijze van beantwoording van de vragen door [kerngetuige 1]. Niet zelden was met name [kerngetuige 1] wijdlopig in zijn antwoorden. Voor een deel lag dit probleem besloten in de door hem eerder afgelegde verklaringen, voor een ander deel in de persoon [kerngetuige 1] en voor een deel in het geschil dat [kerngetuige 1] heeft met de Staat over zijn getuigenbeschermingsovereenkomst. In de tweede plaats moet worden bedacht dat al hetgeen hiervoor in de paragrafen 2 ‘Betrouwbaarheid [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] en geloofwaardigheid van hun verklaringen’ en 3 ‘Kroongetuige theorie’ is overwogen met de getuigen diende, of beter gezegd: dient, te worden besproken. Naast het gegeven dat de verdediging heeft aangegeven nog lang niet klaar te zijn geweest met de ondervraging van de getuigen geldt dit, gelet op het voren overwogene, in ieder geval ook voor de rechtbank en mogelijk ook voor de officier van justitie. Kortom, de verhoren zijn dan ook geen ‘proper and adequate’ opportunity gebleken. 4.3. Toetsingskader Bij de beoordeling van de consequentie van het voorgaande geldt het toetsingskader dat hiervoor in de rechtspraak wordt gehanteerd als houvast. Dit toetsingskader is gebaseerd op de Europese rechtspraak en is betrekkelijk recent wederom aangepast aan de Straatsburgse ontwikkelingen. Dit kader luidt: ‘In een geval waarin de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad een persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, staat art. 6 EVRM niet in de weg aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van de politie met een dergelijke verklaring, indien de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist.’ 4.4. Tussenconclusie Het onderhavige geval onderscheidt zich van het bovengenoemde toetsingskader in die zin dat niet gezegd kan worden dat de verdediging in het geheel geen gelegenheid heeft gehad tot ondervraging. De facto komt de situatie in de onderhavige zaak echter op hetzelfde neer, zeker wanneer dit in Europeesrechtelijk perspectief wordt bezien. De tussenconclusie kan dan ook geen andere zijn dan dat het in onvoldoende mate horen van de getuigen ook dient te leiden tot terughoudend gebruik van de verklaringen van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2]. 5. Eindconclusie Zoals in de (tussen)conclusies in de paragrafen 2 tot en met 4 steeds is aangegeven, dwingt hetgeen aldaar is besproken omtrent
- a)de betrouwbaarheid van de getuigen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] en de geloofwaardigheid van hun verklaringen
- b)de kroongetuige theorie en
- c)de beperkte gelegenheid tot ondervraging van de getuigen tot terughoudend gebruik van die verklaringen. Hoe dient dit terughoudende gebruik concreet te worden ingevuld? Hetgeen in de paragrafen 2 ‘Betrouwbaarheid [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] en geloofwaardigheid van hun verklaringen’ en 3 ‘Kroongetuige theorie’ is verwoord heeft een directe relatie met hetgeen is besproken in paragraaf 4 ‘Beperkte gelegenheid tot ondervraging’. Deze drie paragrafen versterken elkaar over en weer. Een en ander leidt ertoe dat de verklaringen van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] over de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit, meer in het bijzonder de diverse aan de verdachte toegeschreven gedachtestreepjes, in voldoende mate steun moet vinden in andere bewijsmiddelen. Voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte daarbij wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Slechts als dergelijk steunbewijs voorhanden is, vinden de verklaringen in voldoende mate steun in andere bewijsmiddelen en kan op grond van die verklaring en dat steunbewijs gekomen worden tot bewezenverklaring van onderdelen van de ten laste gelegde afpersingen. 6. Voorwaardelijk verzoek horen compensatiegetuigen 6.1. . Standpunt verdediging Aangevoerd is dat een aantal compensatiegetuigen moet worden gehoord tenzij de verklaringen van de getuigen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] met zeer grote terughoudendheid en behoedzaamheid worden beoordeeld. 6.2. Beoordeling Slechts in die gevallen waarin voldoende steunbewijs ontbreekt, dient aan de verdachte een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende compensatie te worden geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot daadwerkelijke ondervraging Daarvan is ten aanzien van de bewezenverklaring, zoals we hierna zullen zien, geen sprake. 6.3. Conclusie Er zullen geen compensatiegetuigen worden gehoord. C. Getuigenbeschermingstraject 1. Inleiding Hiervoor zijn de feiten en omstandigheden rond [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] uitvoerig besproken en beoordeeld. Ook zijn de rechtsgevolgen ten aanzien van het gebruik van hun verklaringen vastgesteld. Na deze laatste vooropstelling zullen deze rechtsgevolgen worden doorgetrokken in de bewijsbeoordeling en de bewijsbeslissing. Het traject van de getuigenbescherming is tot nu toe zoveel mogelijk buiten beschouwing gebleven. De rechtbank heeft daarover immers in beginsel niet te oordelen. Dat neemt niet weg dat een groot deel van de - tientallen - pagina’s die zijn voorafgegaan, zijn oorsprong vindt in de positie en de rol van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] binnen het getuigenbeschermingstraject. De wijze waarop dit traject is verlopen en het conflict waarin de getuigen, de TGB-officier van justitie en het team getuigenbescherming verzeild zijn geraakt, heeft onmiskenbaar zijn weerslag gehad op deze zaak. Zonder een oordeel te geven over de inspanningen en rol van de TGB-officier van justitie en/of het team getuigenbescherming in deze zaak en zonder een nader oordeel te geven over de verplichtingen die op [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] als getuigen rus(t)ten, kan/moet over het getuigenbeschermingstraject - voor een deel in zijn algemeenheid - het volgende worden gezegd. 2.1. Uitgangspunt bij inzet getuigenbescherming Wanneer gebruik wordt gemaakt van een (bijzondere) getuige die bescherming behoeft in een getuigenbeschermingstraject - of dit nu een kerngetuige, bedreigde getuige, kroongetuige of criminele burgerinfiltrant zal zijn - moet het getuigenbeschermingstraject zodanig worden ingericht dat het strafproces in het algemeen en de verdedigings- en vervolgingsbelangen daarbinnen in het bijzonder, niet in het gedrang komen. 2.2a. De beschermde getuige in het algemeen Een getuige in een getuigenbeschermingstraject heeft naar zijn aard bijna altijd een cruciale rol in de bewijsvoering van de officier van justitie tegen een verdachte. Hij zal daarom ook vaak een belangrijke en dominante rol spelen in het voorbereidende onderzoek en/of het onderzoek op de zitting. Niet zelden speelt hij deze rol bovendien in grote zaken met grote belangen. De onderhavige zaak maar ook het Passageproces (ook wel liquidatieproces genoemd) zijn hier duidelijke voorbeelden van. Het is ter waarborging van bovengenoemde belangen essentieel, dat degenen die namens politie en justitie zijn belast met de getuigenbescherming, in zo een relatie tot de getuige staan dat deze relatie de basis kan vormen voor het vervullen van de rol die de getuige heeft. Voorkomen dient te worden, dat die relatie door de getuige en/of door zijn beschermers wordt gebruikt voor andere doelen, dan waar die relatie primair op gericht dient te zijn: het vervullen van de rol van getuige. Daarnaast zal het zo dienen te zijn, dat wanneer een getuige binnen de relatie uiteindelijk niet meer gebracht kan worden tot zijn verplichtingen, (altijd) dwangmiddelen kunnen worden toegepast en geëxecuteerd. 2.2b. De beschermde getuige(
- n)in de onderhavige zaak Zonder een volledig beeld te hebben van de relatie tussen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] enerzijds en de TGB-officier van justitie en/of het team getuigenbescherming anderzijds in de onderhavige zaak, heeft het er alle schijn van, dat in deze zaak het traject van getuigenbescherming op enig moment de belangen in het strafproces voor een deel is gaan overschaduwen. Dit heeft een zeer nadelige invloed gehad op de loop van het strafproces. De conclusie dringt zich op dat dit in de eerste plaats wordt veroorzaakt door de huidige rolverdeling waarbij de TGB-officier van justitie een hoofdrol heeft, naast de zaaksofficier van justitie die verantwoordelijk is voor het strafproces. In dit verband valt op dat [kerngetuige 1] en later ook [kerngetuige 2] op de zitting zijn verschenen, pas nadat de rechtbank de rechter-commissaris had belast met de organisatie van het verhoor van de getuigen tijdens het onderzoek op de zitting van mei 2013. In de tweede plaats lijkt dit overschaduwen van de strafvorderlijke belangen van het strafproces door het getuigenbeschermingstraject te worden veroorzaakt, door de wijze waarop de geschilbeslechting tussen de getuige en zijn beschermers door middel van arbitrage is georganiseerd. De arbitrageprocedure die in déze zaak bij voortduring op de achtergrond speelde, vormde vaak een barrière in het strafproces en stond niet - in ieder geval voor een groot deel niet - in het teken van het afmaken van waar het allemaal om begonnen is: het vervullen van de rol van getuige. 3. Toekomstmuziek Voor een goed verloop van een zaak waarin een getuige die is opgenomen in het getuigenbeschermingstraject een zeer wezenlijke rol speelt, is het noodzakelijk dat zo veel als mogelijk wordt voorkomen, dat het gevaar van de hiervoor geschetste overschaduwing van het strafproces door het beschermingstraject zich realiseert. In het verlengde hiervan zal een voorziening dienen te worden getroffen voor het geval dat zich (toch) problemen voordoen. Gelet op de ervaringen in deze zaak zou een oplossing kunnen worden gevonden in het toekennen van een belangrijkere rol aan de rechter-commissaris bij - de totstandkoming van - het getuigenbeschermingstraject en in de daaronder liggende relatie tussen openbaar ministerie (TGB-officier van justitie en team getuigenbescherming) en de beschermde getuige. Een goed geoutilleerde rechter-commissaris, of een andere strafrechter, zou bovendien een rol kunnen spelen in de geschillen, die voortvloeien uit de (thans civielrechtelijke) overeenkomst tussen de beschermde getuige en het openbaar ministerie. Zeker voor de periode van het strafproces omdat in die fase de rechtsbetrekkingen tussen de betrokkenen dan immers toch voor groot deel strafrechtelijk van kleur zijn. 4. Conclusie Kortom, rechterlijke betrokkenheid in het hart van de getuigenbescherming als de sleutel om het strafproces - in een tijd waarin het voornemen bestaat om de mogelijkheden tot gebruik van de kroongetuige uit te breiden en de criminele burgerinfiltrant weer in te voeren - in lijn te houden met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Het is zeker niet ondenkbaar dat binnen een kader als hiervoor als toekomstmuziek geschetst, de gang van zaken met [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] een andere geweest zou zijn. Conclusie De bewijsbeslissing in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’ zal worden genomen tegen de achtergrond van hetgeen bij de vooropstellingen A, B en C is overwogen. VRIJSPRAKEN Feit 4: afpersing/bedreiging [slachtoffer 3] Beoordeling Het onder 4 ten laste gelegde feit is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Nu ten aanzien van de primair ten laste gelegde afpersing zowel de officier van justitie als de raadsman daartoe hebben geconcludeerd, zal dit oordeel niet nader worden gemotiveerd. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde bedreiging heeft de officier van justitie geen uitdrukkelijk gemotiveerd standpunt ingenomen zodat ook dit oordeel niet nader zal worden gemotiveerd. Feit 5: afpersing [slachtoffer 1]/[slachtoffer 2] 1. Standpunt officier van justitie 1.1. Ter zake afpersing [slachtoffer 1] Het bewijs van de afpersing van [slachtoffer 1] volgt uit vastgestelde ontmoetingen tussen [slachtoffer 1] enerzijds en de verdachte en [medeverdachte 3] anderzijds en daarbij waargenomen lichaamshouding alsmede uit sms-jes en telefoongesprekken. Die ontmoetingen zijn bedoeld om [slachtoffer 1] grote geldbedragen te laten betalen dan wel om met [slachtoffer 1] te praten over zijn financiële verplichtingen en hem erop te wijzen dat hij op dat punt tekort schiet. Die sms-jes en telefoongesprekken betreffen contacten tussen de verdachte en [slachtoffer 1] en tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. In het bijzonder gaat het om: een sms van 12 februari 2010 waaruit volgt dat [slachtoffer 1] op dat moment in drie keer € 325.000,-- heeft betaald; de omstandigheid dat [slachtoffer 1] in maart 2010 bezig is om € 10.000,-- uit zijn coffeeshop te halen om aan de verdachte en [medeverdachte 3] te betalen; contacten tussen de verdachte en [slachtoffer 1] in september 2010 waarin [slachtoffer 1] zich beklaagt over zijn te zware verplichtingen tegenover de verdachte en zegt dat hij het gevoel heeft dat hem een te zware deal door de strot wordt geduwd; gesprekken tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van 30 augustus, 3 en 8 september 2010; een ontmoeting van 24 september 2010 tussen [slachtoffer 1] enerzijds en de verdachte en [medeverdachte 3] anderzijds, in aanwezigheid van [betrokkene 14] en het daarop volgende telefoongesprek van dezelfde dag tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]; maatregelen, die na de gesprekken van september 2010 door [slachtoffer 1] worden genomen om zichzelf min of meer onzichtbaar te maken (zoals wegblijven bij Ajax, in een andere auto gaan rijden, zijn huis in Spanje laten overschrijven, het te koop zetten van zijn boot en van kunstwerken); telefoontaps waaruit volgt, dat in november 2010 de druk op [slachtoffer 1] wordt opgevoerd doordat [betrokkene 15] naar de coffeeshops van [slachtoffer 1] wordt gestuurd met de dringende opdracht dat [slachtoffer 1] contact moet zoeken met de verdachte; een gesprek tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van 24 februari 2011 waaruit volgt dat de arrestatie van de verdachte hen een hoop geld scheelt. 1.2. Ter zake afpersing [slachtoffer 2] Uit (telefoon)gesprekken blijkt dat [slachtoffer 2] slachtoffer van afpersing is geweest: telefoongesprekken van 3 en 24 september 2010 tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]; telefoongesprekken van 24 en 25 september 2010 tussen [slachtoffer 2] en [betrokkene 16]; OVC-gesprekken van 15 december 2010 en 31 januari 2011 tussen [slachtoffer 2] en [betrokkene 16]; de verklaring van [kerngetuige 1] dat de verdachte van het afgeperste bedrag van 7,5 miljoen zijn woonboerderij heeft gekocht. 1.3. Ter zake afpersing [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] Uit de aangehaalde gesprekken die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met elkaar en met hun omgeving voeren, volgt dat zij zwaar onder druk gezet worden of zijn gezet om te betalen en dat zij ervoor gekozen hebben dat te doen, maar in het geheel niet vrijwillig. Zij ervaren geen andere keus te hebben. De omstandigheid dat er geen verklaringen zijn afgelegd door de slachtoffers en de getuigen is typerend voor dit soort afpersingen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn zo terughoudend omdat zij bang zijn, zwaar onder druk gezet worden en veel te verliezen hebben, want zij zitten zelf tot ver over hun oren in de winstgevende en lucratieve criminaliteit. 2. Beoordeling 2.1. Ter zake afpersing [slachtoffer 1] [slachtoffer 2] Vooropgesteld wordt dat [slachtoffer 1] tegenover de politie heeft verklaard niet te zijn afgeperst door [medeverdachte 3] en de verdachte, alsmede dat hij [medeverdachte 3] kent op een vriendschappelijke basis. [slachtoffer 2] heeft verklaard geen aangifte van afpersing te willen doen. De omstandigheid dat degene die zou zijn afgeperst, verklaart niet te zijn afgeperst door de vermeende afpersers, respectievelijk geen aangifte daarvan wenst te doen, draagt niet bij aan het bewijs dat sprake is geweest van afpersing. Sterker nog, het levert in bewijstechnische zin een contra-indicatie op. Voorts is bij de beoordeling van belang dat de tap- en OVC-gesprekken zoals deze hierboven onder het kopje ‘standpunt officier van justitie’ zijn aangehaald onder meer door onverstaanbare delen en het gebruik van versluierd taalgebruik, niet zo eenduidig zijn, dat hieruit maar één conclusie kan worden getrokken wat betreft de strekking van deze gesprekken. Derhalve dient mede aan de hand van de overige inhoud van het dossier de strekking te worden vastgesteld. Daarbij wreekt zich dat het overgrote deel van het door de officier van justitie gepresenteerde bewijsmateriaal nu juist uit dit soort gesprekken bestaat. Gesprekken die in veel gevallen slechts flarden van een groter geheel lijken te bevatten. Met inachtneming van het voorgaande zal hieronder zowel wat betreft de afpersing [slachtoffer 1] als wat betreft de afpersing [slachtoffer 2] nader worden ingegaan op de vraag of afpersing door de verdachte en zijn medeverdachten bewezen kan worden verklaard. 2.1.1. Ter zake afpersing [slachtoffer 1] Ten laste gelegde bedragen onder 1 tot en met 3 Wat betreft de ten laste gelegde afgeperste bedragen onder 1 tot en met 3 (€ 200.000,--, € 50.000,-- en € 50.000,--) in de periode van 1 juni 2009 tot en met februari 2010 volgt uit het dossier op geen enkele wijze dat [slachtoffer 1] door geweld en/of bedreiging met geweld is gedwongen om deze bedragen te betalen, als hij al heeft betaald. Dit bewijs wordt ook niet geleverd door de sms-jes tussen [slachtoffer 1] en de verdachte van 12 februari 2010 waarnaar de officier van justitie verwijst. In deze sms-jes lijkt het uitsluitend te gaan om de betaling van bedragen zonder enige uiting van bedreiging met geweld. Ten laste gelegde bedrag onder 4 De officier van justitie leidt, zo begrijpt de rechtbank, uit een verslag van een ontmoeting op 24 september 2010 tussen [slachtoffer 1], de verdachte, [medeverdachte 3] en [betrokkene 14], een tapgesprek van diezelfde dag op een later tijdstip tussen [slachtoffer 1] en een werknemer van zijn koffieshop, een en ander in combinatie met tapgesprekken tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van 24 september 2010, af dat [slachtoffer 1] door geweld of bedreiging met geweld gedwongen is om een bedrag van € 21.000,-- te betalen. Op basis van deze stukken noch op basis van andere stukken uit het dossier kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] een bedrag van € 21.000,-- aan de verdachte en/of [medeverdachte 3] heeft moeten betalen en, als dat al vast zou komen te staan, ook daadwerkelijk (via [betrokkene 14]) heeft betaald. Het tapgesprek van 24 september 2010 tussen [slachtoffer 1] en een werknemer van zijn coffeeshop met de enkele tekst ‘16. Morgen middag. Halen we net gelukkig. 21 lukt ook wel.’ is volstrekt onvoldoende als bewijs hiervoor. Als dit tapgesprek al gaat over betaling van € 21.000, is het nog maar zeer de vraag of het een betaling aan de verdachte en/of [medeverdachte 3] betreft. Dit wordt niet anders in combinatie met de overige door de officier van justitie in dit verband genoemde bewijsmiddelen en de overige inhoud van het dossier. In dit verband is ook relevant dat [betrokkene 14] tegenover de politie heeft ontkend € 21.000,-- aan [medeverdachte 3] te hebben gebracht met als motivering dat hij zich er niet voor laat lenen om spullen van A naar B te brengen. Ten laste gelegde bedrag onder 5 De officier van justitie heeft in haar requisitoir geen bewijsmiddelen genoemd waaruit zou volgen dat [slachtoffer 1] omstreeks 24 december 2010 een bedrag van € 14.000,-- via NN (waarmee [betrokkene 14] bedoeld zou zijn) aan [medeverdachte 3] en/of de verdachte heeft betaald. De stukken in het dossier die in aanmerking zouden kunnen komen als bewijs voor betaling van dit bedrag zijn een tapgesprek van 21 december 2010 tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], een tapgesprek van 23 december 2010 tussen [slachtoffer 1] en zijn werknemer [M.] en een observatieverslag van een ontmoeting tussen [slachtoffer 1], [betrokkene 14] en een onbekende man op 24 december 2010. Op basis van deze stukken kan op geen enkele wijze worden vastgesteld dat een betaling van € 14.000,-- is gedaan aan de verdachte en/of [medeverdachte 3], al dan niet via [betrokkene 14]. Ten laste gelegde bedrag/bedragen onder 6 Het in de tenlastelegging genoemde bedrag van € 645.000,-- komt als zodanig niet voor in het dossier en de officier van justitie heeft in haar requisitoir hierop zelfs geen toelichting gegeven. De periode waarin betaling van dit bedrag of deze bedragen volgens de tenlastelegging zou hebben plaatsgevonden, strekt zich uit over een lange tijd, namelijk van 1 januari 2008 tot en met 4 oktober 2011. De officier van justitie heeft in haar requisitoir niet concreet aangegeven wanneer welk (deel van het) bedrag is betaald en waar dit uit volgt. Voor zover de officier van justitie als bewijs voor dit onderdeel van de tenlastelegging het oog heeft gehad op het tapgesprek van 24 september 2010 tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waaruit zou kunnen worden afgeleid dat wordt gesproken over betaling van een bedrag van € 680.000,-- door [slachtoffer 1] aan degenen die hij kort daarvoor heeft gesproken, alsmede op de daaraan voorafgaande tapgesprekken en ontmoetingen en daarop volgende maatregelen, overweegt de rechtbank als volgt. De inhoud van de genoemde tapgesprekken is niet zo duidelijk dat hieruit zonder twijfel kan worden afgeleid wat er precies wordt bedoeld. Zo worden de gesprekspartners van [slachtoffer 1] niet met naam genoemd, wordt niet duidelijk benoemd wat er betaald moet worden en waarom en aan wie en wordt er geen melding gemaakt van gebruikt geweld of bedreiging met geweld. Datgene dat mogelijk zou kunnen worden aangemerkt als dreigement dat zou zijn geuit door de gesprekspartners van [slachtoffer 1], namelijk ‘als vriend adviseer ik je dan om maar te vertrekken’ is voor meerdere uitleg vatbaar, ondanks het feit dat dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dit in het telefoongesprek als dreigement benoemen. Dat er toch sprake van (dreiging met) geweld zou zijn, kan niet worden gevonden in het observatieverslag van de ontmoeting van 24 september 2010, nu hieruit geen geweldshandelingen volgen of handelingen die op enige bedreiging met geweld duiden. Evenmin volgt dit uit hetgeen [betrokkene 14] heeft verklaard over deze ontmoeting. Integendeel. Hij heeft verklaard dat hij niet weet of tijdens die ontmoeting over afpersing is gesproken maar dat de sfeer van het gesprek zo vriendelijk was dat het meer leek op een knuffelclub. Dit volgt evenmin uit de gestelde maatregelen die volgens de officier van justitie na de gesprekken van september 2010 door [slachtoffer 1] zijn genomen om zichzelf min of meer onzichtbaar te maken (zoals wegblijven bij Ajax, in een andere auto gaan rijden, zijn huis in Spanje laten overschrijven, het te koop zetten van zijn boot en kunstwerken). Met onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat deze maatregelen door [slachtoffer 1] zijn genomen om zich onzichtbaar te maken en, als dat al zo zou zijn, dat dit te maken heeft met de gestelde afpersing door de verdachte en zijn medeverdachten. De officier van justitie heeft in haar requisitoir, mogelijk ter onderbouwing van dit onderdeel van de tenlastelegging, gewezen op stukken waaruit volgt dat in november 2010 de druk op [slachtoffer 1] wordt opgevoerd doordat [betrokkene 15] naar de coffeeshops van [slachtoffer 1] wordt gestuurd met de dringende opdracht dat [slachtoffer 1] contact moet zoeken met de verdachte, alsmede op een gesprek tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van 24 februari 2011 waaruit zou volgen dat de arrestatie van de verdachte hen een hoop geld scheelt. De inhoud van deze tapgesprekken is onvoldoende duidelijk om (mede) op basis daarvan afpersing van de wel ten laste gelegde bedragen aan te nemen. De officier van justitie heeft in haar requisitoir, eveneens mogelijk ter onderbouwing van dit onderdeel van de tenlastelegging, ook nog gewezen op de omstandigheid dat [slachtoffer 1] in maart 2010 bezig is geweest om € 10.000,-- uit zijn coffeeshop te halen om aan de verdachte en/of zijn medeverdachte(
- n)te betalen. Deze omstandigheid leidt zij blijkbaar af uit een telefoongesprek van 4 maart 2010 tussen [slachtoffer 1] en [betrokkene 17]. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat deze € 10.000,-- is bedoeld voor de verdachte en/of [medeverdachte 3], laat staan dat is komen vast te staan dat [slachtoffer 1] door geweld of bedreiging met geweld gedwongen was dit bedrag te betalen. Ten laste gelegde onroerend goed in Spanje onder 7 De officier van justitie heeft over dit onderdeel van de tenlastelegging niets gezegd in haar requisitoir. De rechtbank begrijpt de tenlastelegging aldus dat de verdachte en de mede-verdachten [slachtoffer 1] hebben gedwongen door geweld en/of bedreiging met geweld om zijn onroerend goed in Spanje over te schrijven op naam van [betrokkene 16] en/of [slachtoffer 2]. Voor zover als bewijs voor dit onderdeel van de tenlastelegging het tapgesprek van 1 oktober 2010 tussen [betrokkene 16] en [slachtoffer 2] en het OVC-gesprek van 17 november 2010 dienen, is dit volstrekt onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het voorgaande te kunnen concluderen. Ander bewijs hiervoor heeft de rechtbank niet in het dossier aangetroffen. 2.1.2. Ter zake afpersing [slachtoffer 2] Blijkens het requisitoir van de officier van justitie wordt het bewijs voor de afpersing van € 7.500.000,-- nagenoeg uitsluitend gevormd door tap- en OVC-gesprekken. De aangehaalde gesprekken zijn als gezegd, onder meer door onverstaanbare delen en het gebruik van versluierd taalgebruik, niet zo eenduidig dat hieruit maar één conclusie kan worden getrokken wat betreft de strekking van deze gesprekken. Zo worden de personen over wie zij het hebben niet bij naam genoemd en wordt er weliswaar gesproken over afpersing en een bedrag van 7,5 miljoen maar wordt dit niet in enig kader geplaatst qua tijd en plaats noch wordt aangegeven waaruit de afpersingshandelingen zouden hebben bestaan. De uitleg/duiding die de officier van justitie aan deze gesprekken geeft, dient derhalve onderbouwing te vinden in de overige inhoud van het dossier. Deze onderbouwing volgt niet uit de verklaring van [kerngetuige 1] waarnaar de officier van justitie in dit verband verwijst. [kerngetuige 1] heeft verklaard over een afpersing van 7 à 7,5 miljoen euro in het Amsterdamse bos, maar naar eigen zeggen heeft hij deze informatie allemaal van [slachtoffer 1]. Nog daargelaten dat de bewijswaarde van een zogenoemde de-auditu verklaring gering is, is de verklaring van [kerngetuige 1] over deze afpersing fragmentarisch, onduidelijk en warrig en verklaart hij met name dat ene [betrokkene 18] voor genoemd bedrag is afgeperst terwijl onduidelijk blijft of en zo ja in hoeverre zijn verhaal ook betrekking heeft op [slachtoffer 2]. 3. Conclusie Het onder 5 ten laste gelegde feit is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Feit 6: afpersing [slachtoffer 5 en 6] 1. Standpunt officier van justitie Aangevoerd is dat bewezen kan worden verklaard dat de verdachte samen met een ander door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] hebben gedwongen om geldbedragen aan hen af te geven. Het bewijs daarvoor bestaat uit een verslag van de verklaring van [slachtoffer 5], een verklaring van [slachtoffer 6] bij de rechter-commissaris, de verklaring van [betrokkene 19] en de verklaring [medeverdachte 4]. Daarnaast zijn er telefoongesprekken, sms’jes en een aantal betalingsbewijzen. Voor de afpersing van de Porsche 911 Carrera 4S dient vrijspraak te volgen. 2. Beoordeling 2.1. Porsche 911 Carrera 4S De ten laste gelegde afpersing van een Porsche 911 Carrera 4S is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Nu zowel de officier van justitie als de raadsman daartoe hebben geconcludeerd, zal dit oordeel niet nader worden gemotiveerd. 2.2. Gedwongen afgifte geldbedragen De in de tenlastelegging uitgewerkte feitelijkheden zijn geen geweldshandelingen. Ook zijn de meeste van de feitelijkheden niet direct/intrinsiek bedreigend van aard. Bij bewezenverklaring van meerdere feitelijkheden, waaronder feitelijkheden die wel bedreigend zijn, kan de conclusie zijn dat het samenstel van deze feitelijkheden zodanig bedreigend van aard is geweest, dat de afgifte van de geldbedragen het gevolg is van deze feitelijkheden. Wanneer nader wordt ingezoomd op de feitelijkheden is de enige daadwerkelijk bedreigende feitelijkheid het tegen [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] zeggen dat ‘wanneer hij met 1 man zou komen, hij, [verdachte], met 2 man zou komen, wanneer hij met 5 man zou komen, hij, [verdachte], met 10 man zou komen, wanneer hij met 10 man zou komen, hij, [verdachte], met 20 man zou komen en dat hij, [verdachte], het langer vol zou houden.’ Deze feitelijkheid is hoogstwaarschijnlijk in de tenlastelegging opgenomen omdat deze in het ‘Ambtelijk verslag gesprekken met [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6]’ staat. Dit proces-verbaal van 5 december 2011 relateert de bevindingen van de gesprekken tussen de politie en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] op 31 oktober 2011, 10 november 2011 en 17 november 2011. Daarin is als uitspraak van [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] opgenomen dat: ‘[verdachte] meerdere keren zei van: Kom jij met 1, kom ik met 2, kom jij met 5 man kom ik met 10, kom jij met 10 kom ik met twintig. Ik hou het langer vol’. Bij de rechter commissaris is [slachtoffer 6] bevraagd over deze passage en hij heeft daarop geantwoord: ‘Hij ([verdachte]) heeft weleens gezinspeeld op zijn reputatie in de zin van ‘als jij met tien mensen komt, kom ik met twintig mensen’. Die opmerking maakte hij volgens mij een keer in mei 2008 dus nog voor het conflict speelde.’ Bij die stand van zaken kan deze feitelijkheid niet bewezen worden verklaard. Daarvoor is de verklaring bij de rechter-commissaris te duidelijk en te expliciet. Te meer, wanneer daarbij wordt betrokken, dat het proces-verbaal van 5 december 2011 een verslag is van meerdere gesprekken met meerdere personen en geen verklaring van de betrokkenen. Voorts wordt in dat verslag niet aangegeven waar, wanneer en/of hoe de bewuste opmerking zou zijn gemaakt. Hiermee komt de enige echte bedreigingshandeling aan een eventuele bewezenverklaring te ontvallen. Wat resteert is een aantal feitelijkheden, die - bij bewezenverklaring - niet tot de conclusie kunnen leiden, dat de verdachte en een medeverdachte [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] hebben gedwongen tot afgifte van de geldbedragen. 3. Conclusie Het onder 6 ten laste gelegde feit is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. BEWIJS Feit 1: witwassen [plaats 2] 1. Standpunt officier van justitie Aangevoerd is dat de verdachte van geld dat hij heeft verkregen door afpersing van ene ‘[betrokkene 18]’ een woonboerderij in [plaats 2] heeft gekocht. Hij heeft het geld dat nodig was voor die aanschaf in contanten naar Spanje gebracht, naar [betrokkene 20]. Die heeft het geld als hypotheek terug ‘geleend’ aan [medeverdachte 5], de partner van de verdachte. Bewijs hiervoor wordt gevonden in de verklaring van [kerngetuige 1] dat de verdachte met het geld dat hij samen met [betrokkene 21] van ‘[betrokkene 18]’ heeft afgeperst naar Spanje is gereden; in de vreemde constructie van de hypotheek waarbij geen rente behoefde te worden betaald; in de toename van het vermogen van [betrokkene 20] terwijl een afname mocht worden verwacht; in het feit dat het hypotheekrecht pas werd gevestigd 160 dagen na de verstrekking van de lening; in de leeftijd van [betrokkene 20]; in de contante aflossingen; in het ontbreken van een legaal inkomen van de verdachte en [medeverdachte 5], waarmee aan de aflossing van de hypotheek en aan de verbouwingen van de woning kon worden voldaan; en in de tegenstrijdige verklaringen over de stand van terugbetaling van [medeverdachte 5] enerzijds en [betrokkene 20] anderzijds. 2. Beoordeling 2.1. Vrijspraak witwassen woning en hypotheek Vooropgesteld wordt dat op basis van het dossier en het onderzoek op de zitting niet is komen vast te staan dat alle in de tenlastelegging genoemde gelden rechtstreeks uit misdrijf afkomstig zijn. Echter, indien uit feiten en omstandigheden blijkt van een vermoeden van witwassen van bepaalde gelden, kan van de verdachte worden gevergd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van dit geld. Die verklaring zal concreet moeten zijn en een min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst van het geld dienen te noemen. Als de verdachte zo’n verklaring niet geeft, kan witwassen bewezen worden geacht omdat het (dan) op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is (HR 13 juli 2010, LJN BM0787 – Air Holland). Op zichzelf doen de door de officier van justitie genoemde omstandigheden het vermoeden van witwassen rijzen. Evenwel is op geen enkele wijze komen vast te staan dat rond de periode waarin de lening is verstrekt een bedrag van € 350.000,- in het vermogen van [betrokkene 20] is gevloeid, laat staan dat dit van de verdachte afkomstig zou zijn. Dat blijkt in het bijzonder niet uit de verklaring van [kerngetuige 1] dat de verdachte naar Spanje zou zijn gereden met het geld. Deze is van horen zeggen. Niet blijkt waar de wetenschap omtrent het vervoeren van geld vandaan komt. Vast staat daarentegen dat [betrokkene 20] over genoeg vermogen heeft beschikt om een dergelijk bedrag uit te lenen. De hypotheek is ook overigens op juiste wijze tot stand gekomen. Niet bewezen wordt geacht dat de hypotheek in werkelijkheid geld is dat van misdrijf afkomstig is. Daarmee is evenmin bewezen dat de woning aan het [plaats 2] is witgewassen. 2.2. Witwassen enig geldbedrag 2.2.1. Witwasvermoeden De boven bedoelde feiten en omstandigheden doen echter (ook) vermoeden dat de aflossingen van de hypotheek worden gedaan met geld dat van misdrijf afkomstig is. Immers, de aflossingen worden gedaan met contant geld en noch de verdachte en [medeverdachte 5], noch [betrokkene 20] houden een gedegen administratie met kwitanties bij. [medeverdachte 5] heeft op 11 oktober 2011 verklaard dat zij de aflossingen van de lening aan [betrokkene 20] heeft bijgehouden in een blauw aantekenboekje. Daarin heeft zij, volgens de bedoelde verklaring, de verschuldigde termijnen onder elkaar opgeschreven en telkens als een aantal termijnen werd betaald een streep onder de laatst betaalde termijn gezet. De aantekeningen stoppen bij september 2010. Volgens de door [medeverdachte 5] bijgehouden administratie en gelet op haar verklaring, heeft zij 13 maandelijkse termijn van € 1.000,-- betaald, laatstelijk op 20 januari 2010, waarbij vier termijnen in een keer, dus € 4.000,-- zou zijn overhandigd, in totaal derhalve € 13.000,--. [medeverdachte 5] heeft verder verklaard dat zij zou achterlopen met betalingen. De verdachte zou kort daarvoor nog naar Spanje zijn gegaan om [betrokkene 20] te ontmoeten. Hij had volgens [medeverdachte 5] echter geen geld meegenomen. [betrokkene 20] heeft daarentegen op 14 oktober 2011 verklaard dat de verdachte en [medeverdachte 5] bij zouden zijn met hun betalingen. Op dat moment hadden zij reeds € 34.000,-- betaald. De laatste betaling zou € 1.000,-- zijn geweest en had plaatsgevonden op 4 september 2011. De verdachte heeft, geconfronteerd met laatst bedoelde tegenstrijdigheid, op de zitting als verklaring gegeven dat hij, zonder dat [medeverdachte 5] dat wist, [betrokkene 20] had betaald. Hij had [medeverdachte 5] niet op de hoogte gesteld van de betalingen om haar te verrassen. De verdachte heeft verder enerzijds verklaard dat hij, telkens als hij wat had gespaard dat geld naar [betrokkene 20] had gebracht, anderzijds heeft hij verklaard dat hij dat geld nog had liggen. Het kwam van een overwaarde van € 100.000,-- uit de verkoop van onroerend goed in 2002 en van een bedrag van Hfl. 50.000,-- en goud dat hij had overgehouden aan een overeenkomst met de belastingdienst in 1995. De bedoelde verkoop van onroerend goed is gedocumenteerd, de overeenkomst met de belastingdienst niet. Nu in elk geval uit de wijze waarop de aflossingen van de hypotheek werden gedaan en uit de tegenstrijdige verklaringen die daarover zijn afgelegd door [medeverdachte 5] en [betrokkene 20] het vermoeden van witwassen voortvloeit, rijst de vraag of de verklaring van de verdachte omtrent de herkomst van het geld als volslagen onwaarschijnlijk terzijde moeten worden gesteld. 2.1.2. Inkomsten Uit gegevens van de belastingdienst is gebleken dat de verdachte in de jaren 2003-2005 geen inkomen had, in 2006 met zijn eenmanszaak [bedrijf 10] een verlies heeft geleden van € 13.214 en in de jaren 2007 t/m 2010 het volgende heeft verdiend in zijn onderneming: 2007 6.397,-- 2008 67.751,-- 2009 39.633,-- 2010 3.706,-- [medeverdachte 5] heeft in de jaren 2003 tot en met 2009 het volgende inkomen gehad: 2003 293,-- 2004 14.187,-- 2005 22.974,-- 2006 31.094,-- 2007 22.960,-- 2008 16.042,-- 2009 8.195,-- Er zijn geen gegevens bekend over de inkomsten van [medeverdachte 5] in de jaren 2010 en 2011, terwijl er geen inkomensgegevens bekend zijn van de verdachte over 2011. Wel heeft de verdachte in een telefoongesprek met zijn boekhouder op 26 oktober 2010 gezegd dat hij sinds april geen inkomen meer heeft. De verdachte en [medeverdachte 5] hebben in de jaren 2008 t/m 2010 blijkens opgave van de belastingdienst de volgende saldi op diverse bankrekeningen: 2002 1.901,-- 2003 10.752,-- 2004 3.642,-- 2005 7.483,-- 2006 16.700,-- 2007 17.910,-- 2008 19.631,-- 2009 7.303,-- 2010 4.707,-- 2.1.3. Belastingfraude Uit het voorgaande vloeit voort dat, mocht de verklaring van de verdachte dat hij ruim € 100.000,-- had bewaard, juist zijn, hij dat vermogen dan in elk geval voor de belasting heeft verzwegen, zodat in de jaren 2010 en 2011 in elk geval een deel van dat vermogen uit belastingfraude afkomstig moet zijn geweest. 2.1.4. Andere uitgaven De boerderij in [plaats 2] is in de periode van 8 november 2008 tot en met 4 oktober 2011 ingrijpend verbouwd. Volgens het ‘rapport schouw verbouwing [plaats 2]’ van 13 augustus 2012 heeft de verbouwing ten minste € 257.184,-- gekost. De verdachte heeft op 23 november 2009 een Volkswagen Golf GTI bezeten met een waarde van ongeveer € 40.000,-- . Op 8 juli 2011 heeft de verdachte een BMW gekocht van het type 550i Security voor een bedrag van € 51.000,--, die hij in 51 maandelijkse termijnen zou afbetalen. Kennelijk zijn bij de aanhouding van de verdachte op 3 oktober 2011 drie termijnen afbetaald. Verder heeft de verdachte, kennelijk om [slachtoffer 4] een schadevergoeding te kunnen betalen, bij diverse personen een bedrag van € 113.500,-- geleend. Er wordt tussen 25 mei 2011 en 1 augustus 2011 evenwel een bedrag van ruim € 150.000,-- op de zakelijke rekening van [bedrijf 10] gestort, waarvan ruim € 145.000,-- wordt doorgeboekt naar de derdenrekening van een advocaat. Uit een telefoongesprek dat de verdachte heeft gevoerd, blijkt dat de verdachte ‘eruit is gekomen met de verzekering en de rechtbank en dat hij de beslaglegging gaat betalen’. De verdachte heeft gezegd dat hij het geld van heel veel mensen heeft geleend en dat het allemaal netjes op papier staat. Hij moest alles op de bank storten bij de advocaat en die zou het aan de verzekering geven. Het verschil tussen de leningen en het bedrag dat op de bank wordt gestort is € 36.850,--. Ten slotte wordt nog gewezen op het feit dat de verdachte blijkens zijn balans over het jaar 2010 bij diverse personen en bedrijven een schuld had uitstaan van € 40.100,--. De financiële positie van de verdachte en [medeverdachte 5] in met name de jaren 2010 en 2011, afgezet tegen de omvang van de geldleningen enerzijds en de diverse omvangrijke uitgaven anderzijds, maakt het volstrekt onwaarschijnlijk dat de verdachte bedragen van Hfl. 50.000,- en van € 100.000,-- benevens een onbekende hoeveelheid goud, sinds de periode tussen 1995 en 2002 contant heeft bewaard, om dit pas aan te wenden bij de aflossing van een hypotheek. Het kan niet anders of de verdachte heeft de aflossingen van de hypotheek uit een verborgen, alternatieve bron van inkomsten betaald, die, gelet op de vermoedens van witwassen en bij gebrek aan een aannemelijke verklaring, niet legaal kan zijn. 2.2. Conclusie Nu er sprake is van een vermoeden van witwassen in verband met de aflossingen van de hypotheek en de verdachte een verklaring heeft gegeven voor de herkomst van althans een deel van die aflossingen die als volslagen onwaarschijnlijk ter zijde moet worden geschoven, kan het niet anders dan dat dit geld uit enig misdrijf afkomstig is. Door enerzijds de herkomst van dit geld verborgen te houden en anderzijds met dit geld de hypotheek af te betalen, heeft de verdachte het geld witgewassen. Het onder feit 1 ten laste gelegde witwassen kan deels worden bewezenverklaard. Feit 2: afpersing [kerngetuige 1] 1. Inleiding De verklaringen van [kerngetuige 1] bieden een basis voor een bewezenverklaring van het medeplegen van een afpersing door de verdachte en [medeverdachte 2] in de periode van 17 december 2009 tot en met 22 februari 2010. Die verklaringen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen op een wijze zoals beschreven in paragraaf 5 van vooropstelling B. ‘Bruikbaarheid verklaringen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2]’. 2. Beoordeling Op basis van deze bewijsmiddelen wordt van het volgende uitgegaan. [kerngetuige 1] heeft in de periode van 12 december 2009 tot en met 22 februari 2010 twee geldbedragen (€ 14.000,-- en € 45.000,--) afgegeven aan de verdachte. Deze afgifte komt tot stand na bedreigingen en gewelddadigheden van de verdachte en/of [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] en de verdachte trekken daarbij voorafgaand, tijdens en na de concrete afpersingen in nauwe en bewuste gezamenlijkheid op. De verdachte en [medeverdachte 2] worden daarom als medeplegers van de afpersingen aangemerkt. Een van de bewezenverklaarde gewelddadigheden heeft plaats kort na de afgifte van het laatste door [kerngetuige 1] ‘betaalde’ geldbedrag en heeft als zodanig niet bijgedragen aan de concrete afgifte daarvan. Toch is deze gewelddadigheid opgenomen in de bewijsmiddelen. Deze gewelddadigheid valt immers in tijd bijna samen met de afgifte van het laatste geldbedrag. Ook past deze gewelddadigheid naadloos in de afpersingssfeer die tussen de verdachte, [medeverdachte 2] en [kerngetuige 1] in die periode heeft geheerst. In de bewijsmiddelen zijn daarnaast ook feiten en omstandigheden opgenomen die vallen buiten/na de ten laste gelegde periode. Deze feiten en omstandigheden vormen de nadere onderbouwing van de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 2], nu daaruit blijk van een, nog steeds voortdurende samenwerking. 3. Conclusie De onder feit 2 ten laste gelegde afpersing van [kerngetuige 1] kan deels worden bewezenverklaard. Feit 3: afpersing [slachtoffer 3] 1. Bewijsuitsluiting video’s 1.1 Standpunt verdediging In het kader van de ontvankelijkheid van de officier van justitie is aangevoerd dat de officier van justitie doelbewust heeft samengewerkt met een private partij ‘[bedrijf 1]’ die - onder meer - opnames heeft gemaakt in de zaken [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]. Hierdoor zijn (wettelijke) waarborgen omzeild en zijn vormen onherstelbaar verzuimd. Aldus zijn doelbewust de belangen van de verdachte gefrustreerd. Een en ander dient subsidiair te leiden tot uitsluiting van de video’s als bewijs of in elk geval terughoudend gebruik van dit bewijsmateriaal. 1.2. Beoordeling Zoals hiervoor bij de beoordeling van het ontvankelijkheidsverweer reeds is overwogen, is dit verweer in de kern gebaseerd op de stelling dat de officier van justitie een private partij heeft gebruikt ten einde opnamen te kunnen maken van de verdachte die op grond van Sv niet gemaakt hadden kunnen worden. Dit standpunt komt niet verder dan het opwerpen van de suggestie dat daarvan sprake is. Niet blijkt dat de officier van justitie en/of de politie bemoeienis en of (actieve) betrokkenheid hebben gehad bij de totstandkoming van de video’s met de opnamen. Dat de officier van justitie en/of de politie mogelijk wetenschap hebben gehad van het gegeven dat [bedrijf 1] voor [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] een dienst leverde, maakt niet dat de officier van justitie (mede)verantwoordelijkheid draagt voor de totstandkoming van de dvd’s. Voor die stelling is geen begin van aannemelijkheid. 1.3. Conclusie Gelet op het voorgaande kunnen de opnames meewerken tot het bewijs in de zaken [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en zonder terughoudendheid worden gebruikt. 1.4. Voorwaardelijk getuigenverzoek Gelet op bovengenoemd oordeel dat ieder begin van aannemelijkheid van de stelling dat de officier van justitie (mede)verantwoordelijkheid draagt voor de totstandkoming van de opnames ontbreekt, bestaat geen noodzaak de (voorwaardelijk) verzochte getuigen te horen. Dit verzoek wordt daarom afgewezen. 2. Bewijsverweer 2.1. Standpunt verdediging Aangevoerd is dat de verdachte geen geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer 3] en daarmee ook niet heeft gedreigd. De verdachte heeft slechts aangegeven dat derden [slachtoffer 3] zouden benaderen vanwege de lening aan [betrokkene 22] en de verdachte maakte geen deel uit van het door hem aan [slachtoffer 3] geschetste scenario. Daarnaast is de afgifte van het geld geen gevolg van de handelingen van de verdachte. 2.2. Beoordeling Op basis van de bewijsmiddelen wordt van het volgende uitgegaan. De verdachte is op 8 februari 2010 in het kantoor van [slachtoffer 3] geweest. De verdachte heeft daar tegen [slachtoffer 3] gezegd: ‘Als die criminelen op je af komen ben je echt alles kwijt. [betrokkene 22] moet veel geld betalen aan zware criminelen en dit lukt [betrokkene 22] niet. Het zijn heel zware criminelen daar win je niet van. Je bent alles kwijt. Als je dan belt kan ik niks meer voor je doen. Die mensen die ik bij jou weg hou, hebben echt een enorme hekel aan jou.’ De verdachte heeft tijdens die gelegenheid ook naar voren gebracht dat hij het probleem voor [slachtoffer 3] kon oplossen als [slachtoffer 3] € 122.000,-- zou betalen. Ten slotte heeft de verdachte aangegeven dat hij alles wist en overal informanten had. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte, mits [slachtoffer 3] € 122.000,-- aan hem zou betalen, kon voorkomen dat [slachtoffer 3] alles kwijt zou raken aan zware criminelen, die het op [slachtoffer 3] voorzien hadden. De verdachte is daarmee een onmisbare schakel in de dreiging met toepassing van zwaar geweld op [slachtoffer 3] geweest en maakte derhalve - anders dan de verdediging heeft betoogd - met zijn handelen een belangrijk onderdeel uit van deze dreiging met gewelddadigheden. Ook kan hieruit wordt afgeleid dat de afgifte van het bedrag van € 122.000,-- het resultaat is van de dreiging met deze gewelddadigheden. Anders gezegd: zonder de dreiging met gewelddadigheden zou de afgifte van het geld niet zijn gevolgd. 2.3. Conclusie Het verweer wordt verworpen en de onder feit 3 ten laste gelegde afpersing van [slachtoffer 3] kan worden bewezenverklaard. Feit 7: afpersing [slachtoffer 4] 1. Bewijsuitsluiting video’s Zie voor de behandeling van dit verweer ‘Feit 4: afpersing [slachtoffer 3]’ paragraaf 1. 2. Ontbreken oogmerk 2.1. Standpunt verdediging Aangevoerd is dat de poging afpersing niet kan worden bewezen omdat het gepleegde geweld niet is gebruikt om [slachtoffer 4] te bewegen tot betalen maar juist een reactie was op het feit dat [slachtoffer 4] zich niet aan de afspraak tot betaling aan de verdachte hield. Anders gezegd: het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling kan niet worden bewezen. Er bestond immers in concreto een recht op betaling door [slachtoffer 4] en met het handelen van de verdachte zijn de grenzen van het maatschappelijk betamelijke niet verre overschreden. 2.2. . Beoordeling Op grond van de bewijsmiddelen wordt van het navolgende uitgegaan. De verdachte is na een zeer onvriendelijk telefoontje bij de winkel van [slachtoffer 4] aangekomen. De verdachte vroeg aldaar om € 80.000,-- en zei dat hij anders de hele zaak zou verbouwen. De verdachte heeft de daad bij het woord gevoegd en de tentoongestelde voorraad vernield. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte en de uitlatingen die hij tijdens dat handelen heeft gedaan, volgt dat de verdachte de afgifte van geld kracht wilde bijzetten door de vernieling. Een klassiek oogmerk op wederrechtelijke bevoordeling in een afpersingszaak. Zo de verdachte al recht zou hebben op een bedrag van € 80.000,-- dan moet hij hebben beseft dat de grenzen van het maatschappelijk betamelijke door zijn handelen ver zijn overschreden. Daarmee heeft de verdachte ook dan het oogmerk gehad op wederrechtelijke bevoordeling. 3. Conclusie Het verweer wordt verworpen en de onder feit 7 ten laste gelegde poging tot afpersing van [slachtoffer 4] kan worden bewezenverklaard. Feit: beïnvloeding getuigen (960211-12) 1. Standpunt verdediging Aangevoerd is dat [getuige 2] op 28 juni 2012 is gehoord en nadien geen verklaring meer heeft afgelegd. Nu de verdachte de getuige [getuige 2] telefonisch heeft benaderd op 16, 18 en 19 juli 2012, kan het bestanddeel ‘terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd’ niet worden bewezen. 2. Beoordeling De verdachte en [medeverdachte 5] hebben op 16 juli 2012 een telefoongesprek gevoerd waarin [medeverdachte 5] aan de verdachte heeft verteld dat de recherche langs zou komen bij [getuige 2] omdat er iets was aangepast in de (schriftelijke weergave van
- de)verklaring van laatstgenoemde en dat zij opnieuw moest tekenen. De verdachte heeft daarop gezegd: ik ga haar wel even bellen. In dat aansluitende gesprek met [getuige 2] heeft de verdachte, in de wetenschap dat de recherche bij [getuige 2] zou langskomen, er op aangedrongen dat [getuige 2] een schriftelijke verklaring zou opstellen dat zij ontoerekeningsvatbaar was en zou zeggen dat zij de (schriftelijke weergave van haar) verklaring niet wilde tekenen: ‘Jij mag ook tegen hun gewoon zeggen maar luister ik heb hun een brief gegeven en ik heb verklaard en dat is het en hier laat ik het bij want zo is het namelijk en is niet anders.’ Indien een dergelijke mededeling tegenover een opsporingsambtenaar zou worden afgelegd, is dat aan te merken als een verklaring. De verdachte heeft dus niet alleen geweten dat de getuige een verklaring zou afleggen, hij heeft er zelfs bij de getuige op aangedrongen dat te doen. 3. Conclusie De verdachte heeft geweten dat de getuige [getuige 2] een verklaring zou gaan afleggen. De onder dit feit ten laste gelegde beïnvloeding van de getuige [getuige 2] kan daarom worden bewezen. Feit: witwassen [bedrijf 10] (960049-12) 1. Standpunt verdediging In de eerste plaats is aangevoerd dat met het gebruik van de verklaringen van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] als bewijsmiddelen met behoedzaamheid dient te worden omgegaan. Daarbij is verwezen naar hetgeen door de verdediging is aangevoerd in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’. In de tweede plaats is aangevoerd dat op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet de conclusie kan worden getrokken dat het niet anders kan zijn, dan dat de ten laste gelegde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. 2. Beoordeling 2.1. Betrouwbaarheid verklaringen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] Voor het bewijs van dit feit wordt gebruikt gemaakt van de verklaringen van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2]. Die verklaringen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen op een wijze zoals beschreven in paragraaf 5 van vooropstelling B. ‘Bruikbaarheid verklaringen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2]’. 2.2. Bewijsoverweging Vast staat dat de verdachte in de ten laste gelegde periode een geldbedrag van € 59.000,--heeft afgeperst van [kerngetuige 1] (zie: zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’). Op grond van de bewijsmiddelen wordt voorts van het volgende uitgegaan: De verdachte heeft aan zijn boekhouder gevraagd hoe boekhoudkundig te handelen wanneer een BV klokken zou kopen. De verdachte heeft vervolgens over het eerste kwartaal van 2010 een verkoop van klokken ad € 30.000,-- in de boeken opgenomen. Deze verkoop zou inhouden dat [bedrijf 4] met als bestuurder [kerngetuige 2] klokken zou hebben gekocht van de verdachte. Van een dergelijke aankoop zijn [kerngetuige 2] noch [kerngetuige 1] op de hoogte. Tegen de achtergrond van het gegeven dat de verdachte in het eerste kwartaal van 2010 van misdrijf afkomstig geld voorhanden had, heeft hij zich met het in de boeken opnemen van een niet bestaande transactie schuldig gemaakt aan het witwassen van een deel van het bedrag van € 59.000,--. 3. Conclusie Het onder dit feit ten laste gelegde witwassen van geldbedragen kan deels, namelijk voor het ten laste gelegde bedrag van € 30.000,--, worden bewezenverklaard. Bewezenverklaring Op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden (als bijlage II aan dit vonnis gehecht) is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/600187-09, 1, 2, 3, en 7 ten laste gelegde en het onder de parketnummers 10/960049-12 en 10/960211-12 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: Parketnummer 10/600187-09 Feit 1: witwassen [plaats 2] hij in de periode van 1 september 2010 tot en met 4 september 2011 in Nederland en Spanje, (van) geldbedragen de herkomst heeft verborgen terwijl hij, verdachte wist dat voornoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk afkomstig waren van enig misdrijf; en heeft overgedragen terwijl hij, verdachte, ten tijde van het overdragen van bovengenoemde geldbedragen, wist dat bovengenoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk -afkomstig waren van enig misdrijf; Feit 2: afpersing [kerngetuige 1] hij in de periode van 17 december 2009 tot en met 22 februari 2010, te Nieuw-Buinen en te Amsterdam, tezamen en in vereniging met één ander met het oogmerk om zich en één ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en bedreiging met geweld [kerngetuige 1] en [broer kerngetuige 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen te weten: omstreeks 4 februari 2010 een bedrag van 14.500,- aan [verdachte] en in februari 2010 een bedrag van 45.000,- euro aan [medeverdachte 5] toebehorende aan die [kerngetuige 1] of aan die [broer kerngetuige 1], bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte, of zijn mededader: [verdachte] - tijdens een ontmoeting aan die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat er voor 4 januari 2010 uiterlijk een bedrag van 45.000,- moest zijn betaald en dat [broer kerngetuige 1] ingeschakeld moest worden om bij te dragen in de financiële verplichtingen en [medeverdachte 2] - tijdens een ontmoeting tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij, [kerngetuige 1], samen met [broer kerngetuige 1] nog diezelfde avond naar Drenthe moet rijden om te laten zien bereid te zijn alles te brengen wat zij, [kerngetuige 1] en [broer kerngetuige 1], op dat moment bezitten. Auto's, geld, sieraden, klokjes en alles wat maar enige waarde vertegenwoordigd, zodat [verdachte] tevreden wordt gesteld en ziet dat zij er alles aan doen en[verdachte] - tijdens een ontmoeting tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat [broer kerngetuige 1] moest komen en dat als hij, [broer kerngetuige 1] niet komt, hij hem zou laten halen en heeft hij, [verdachte] tegen die [kerngetuige 1] gezegd dat hij, [verdachte], zijn klokken ging verkopen waardoor [kerngetuige 1] zijn schulden bij [medeverdachte 3] kon inlossen en dat die klokken 4 ton waard waren en dat dat het bedrag was waar [kerngetuige 1] met [broer kerngetuige 1] de tijd voor kreeg om na te denken, maar dat die [kerngetuige 1] niet weg mocht gaan tot hij en [broer kerngetuige 1] gingen vertellen hoe ze het gingen betalen en [verdachte] - op woedende toon tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij, er helemaal klaar mee was en afscheid nam en dat hij, [kerngetuige 1], maar langs moest komen en - hij, [verdachte], 30 tot 40 keer heeft gebeld met [kerngetuige 1] en hem, [kerng