← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2014:4417

Rechtbank Rotterdam Team Insolventie afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 24 april 2014 [naam] , [adres] [woonplaats], verzoekster. 1De procedure Verzoekster heeft op 12 februari 2014 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter terechtzitting van 17 april

  1. De uitspraak is bepaald op heden. 2De feiten Verzoekster is alleenstaand en heeft de zorg over drie minderjarige kinderen en één meerderjarig kind. Het inkomen van verzoekster bestaat uit een WWB-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring van artikel 285 van de Faillissementswet € 20.096,
  2. 3De beoordeling Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. De rechtbank stelt vast dat verzoekster in bedoelde periode verplichtingen is aangegaan waarvan verzoekster wist of behoorde te weten dat zij deze niet kon nakomen. Ook in 2013 zijn er op deze wijze nog diverse schulden ontstaan. De rechtbank noemt in dit verband de schulden aan T-Mobile Netherlands BV (€ 32,24), Home Shopping Service (€ 158,91), Electrolux (€ 240,33), KPN B.V. (€ 653,07). Bovengenoemde schulden duiden op overbesteding. Tevens wijzen deze schulden erop dat het overbestedingsprobleem – ondanks het feit dat verzoeksters budget wordt beheerd – nog niet onder controle is. Tevens blijkt uit de schuldenlijst van verzoekster dat zij schulden heeft aan het Centraal Justitieel Incassobureau van € 2.742,
  3. Uit het overzicht van het Centraal Justitieel Incassobureau met peildatum 27 maart 2014 blijkt dat verzoekster thans nog openstaande boetes heeft voor een totaalbedrag van € 869,
  4. De boetes betreffen een drietal verkeersovertredingen. Verzoekster heeft ter terechtzitting verklaard dat alle boetes zijn veroorzaakt door haar zoon. Haar zoon heeft twee auto’s, met haar toestemming, op haar naam gezet. Haar zoon heeft vervolgens met deze auto’s boetes laten ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat verzoekster in ieder geval na één boete actie had kunnen en moeten ondernemen. Dit heeft zij echter verzuimd. Aldus is zij niet te goeder trouw ten aanzien van het ontstaan van de boetes. Dit wordt niet anders door de omstandigheden dat verzoekster deze schuld van € 2.742,47 heeft weten terug te brengen naar € 869,
  5. De aflossingen op de boetes zijn immers ten koste gegaan van de andere schuldeisers, die hierdoor geen (gedeeltelijke) aflossingen hebben mogen ontvangen. Tenslotte heeft verzoekster, ondanks de duidelijke aansporing daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief, te weinig sollicitaties overgelegd. Deze omstandigheden maakt dat de rechtbank niet de volle overtuiging heeft dat verzoekster – die naar eigen zeggen al zes jaar lang vruchteloos op zoek is naar werk – gedurende de schuldsaneringsregeling zich tot het maximale zal inspannen om fulltime betaald werk te vinden. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt daarom afgewezen. 4De beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van N.A.L. Westerhuis, griffier in het openbaar uitgesproken op 24 april
  6. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.