Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: [parketnummer] Datum uitspraak: 28 mei 2014 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [Verdachte], geboren te [Geboorteplaats] op [geboortedatum], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, locatie Scheveningen, raadsman mr. O.J. Much, advocaat te Rotterdam. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 mei 2014. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. EIS OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie mr. M.C. Loman heeft gerekwireerd tot: - bewezenverklaring van het impliciet primair ten laste gelegde (moord); - veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar met aftrek van voorarrest, met als bijkomende straf het vergoeden aan de nabestaanden van de kosten van een grafsteen ad € 5.009,40 . BEOORDELING VAN HET TENLASTEGELEGDE Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich op 6 juni 2013 schuldig heeft gemaakt aan moord op het slachtoffer [slachtoffer], omdat uit de bewijsmiddelen kan blijken dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad: De verdachte heeft meermalen gezegd dat hij het slachtoffer zou vermoorden als hij erachter zou komen dat zij een nieuwe vriend had. Toen hij zich op 7 juni 2013 op het politiebureau meldde, zei hij zelf: “Ik heb mijn ex-vrouw vermoord.” Op de dag van het delict heeft de verdachte tape en touw aangeschaft, ten behoeve van zijn voornemen haar van het leven te beroven. Voorts heeft de verdachte het slachtoffer zeventien keer met een klauwhamer geslagen, heeft hij haar meermalen in het gezicht geslagen en gestompt, heeft hij haar gewurgd, haar mond en neus afgeplakt met tape, haar polsen op haar rug vastgebonden en het slachtoffer op haar buik neergelegd. Gedurende al deze handelingen was er voldoende gelegenheid tot nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Standpunt verdediging De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag. Omdat de verdachte het feit niet heeft gepleegd met voorbedachte raad, dient hij te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde moord. De raadsman heeft bepleit dat de voorbedachte raad, als in een vooropgezet plan, niet bewezen kan worden. Hij heeft dat met drie argumenten onderbouwd. 1. Ondanks dreigementen van de verdachte in het verleden, dat hij zijn ex-vrouw zou vermoorden als ze een nieuwe vriend zou krijgen, heeft hij, juist nadat hij had ontdekt dat zij een nieuwe partner had, de hoop op een relatie met haar niet opgegeven en heeft hij zijn zoon gevraagd daarin te bemiddelen. De verdachte was geschokt, maar niet kwaad, en vroeg zich af hoe hij haar zou kunnen terugwinnen. 2. Na de ontdekking dat zij een nieuwe relatie had, heeft de verdachte zijn ex-vrouw gesmeekt om bij hem terug te komen. Het is aannemelijk dat hij haar mee nam naar zijn huis om haar ervan te overtuigen bij hem terug te komen, niet om haar te vermoorden. 3. Er was geen vooropgezet plan waarin het tape en touw een logische rol spelen. Van de tape en het touw dat de verdachte op 6 juni 2013 gekocht heeft is alleen het touw gebruikt om de handen van het slachtoffer te binden. De verdachte heeft bovendien een aannemelijke verklaring gegeven voor de aanschaf van die spullen. Ook kan er geen sprake zijn van voorbedachte raad die in een kort tijdsbestek is ontstaan, aldus de raadsman. De verdachte heeft namelijk gehandeld in een opwelling, een uitbarsting van woede. Er lijkt een vechtpartij te hebben plaatsgevonden tussen de verdachte en [slachtoffer]. Het gegeven dat de verdachte de polsen van het slachtoffer daarna heeft vastgebonden is eveneens een contra-indicatie voor moord. De verdachte was er op dat moment van overtuigd dat [slachtoffer] nog leefde. Hij wilde haar zodoende beletten zijn woning te verlaten. De verdachte zélf heeft ter terechtzitting verklaard dat hij, nadat hij haar had geslagen met de klauwhamer, de mond en neus van [slachtoffer] had afgeplakt om haar te laten stoppen met roepen en dat hij haar handen had vastgebonden om haar te beletten de woning te verlaten. Hij is nooit van plan geweest het slachtoffer te doden, aldus de verdachte. Oordeel rechtbank De vraag die in deze zaak dient te worden beantwoord is of de verdachte bij de handelingen die hebben geleid tot de dood van mevrouw [slachtoffer], heeft gehandeld in een plotseling bij hem opgekomen woede of dat daarbij sprake was van voorbedachte raad. Het verschil dus tussen doodslag en moord. Voor de beantwoording van deze vraag is het volgende van belang. Na zijn eerste mededeling tegenover de politie heeft de verdachte geen enkele verklaring meer willen afleggen en heeft hij zich steeds beroepen op zijn zwijgrecht. Eerst ter zitting heeft hij meer willen vertellen over hetgeen zich op 6 juni 2013 in zijn huis zou hebben afgespeeld. Kort gezegd komt zijn verklaring erop neer dat het slachtoffer vrijwillig met hem is meegegaan naar zijn huis, dat zij daar een woordenwisseling hebben gehad en dat die is uitgemond in een vechtpartij. Daarbij heeft de verdachte het slachtoffer uit boosheid meermalen met een klauwhamer onder andere op haar hoofd en lichaam geslagen. Verdachte zegt in paniek te zijn geraakt toen het slachtoffer de naam van hun beider kleinzoon riep en ook nog haar telefoon ging. Hij liet toen het slachtoffer los om - naar aannemelijk is - uit de keukenla een rol duct tape te pakken. Hij heeft daar een stuk van afgescheurd en dat op haar mond en neus geplakt. Hij heeft haar lichaam op haar buik gedraaid, haar handen naar achteren gehaald en die vervolgens vastgebonden met touw. Vervolgens heeft hij het slachtoffer naar de slaapkamer gesleept en haar daar in die toestand laten liggen. Daarna heeft hij de woning verlaten. Naar het oordeel van de rechtbank vallen de gebeurtenissen in twee delen uiteen. Tijdens het eerste deel vindt een vechtpartij plaats, waarbij de verdachte het slachtoffer uit boosheid met de klauwhamer heeft geslagen en het slachtoffer zich - gelet op het bij haar geconstateerde afweerletsel en de krassen op het lichaam van de verdachte - stevig heeft geweerd. Uit het sectierapport blijkt dat het slachtoffer niet aan de gevolgen van de op dat moment opgelopen letsels is overleden. Maar daar is het niet gestopt. Naar het oordeel van de rechtbank vindt er dan de kanteling plaats, waarna niet meer kan worden aangenomen dat de verdachte in een plotselinge woede heeft gehandeld.. Uit wat zich daarna heeft afgespeeld leidt de rechtbank af dat de verdachte vervolgens - dus na de vechtpartij - met kalm beraad en in rustig overleg is gaan handelen en het opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Immers, nadat de verdachte de keel van het slachtoffer had dichtgeknepen - volgens de verdachte omdat zij de naam van hun kleinzoon riep - hoorde hij haar nog kuchen en wist hij dus dat zij nog in leven was. Hij is toen naar de keuken gelopen, heeft daar duct tape uit de lade gepakt, er een stuk van afgescheurd en heeft dat op de mond en de neus van het zwaar gewonde en hevig bloedende slachtoffer geplakt. De verklaring van de verdachte ter zitting dat hij daarbij in paniek handelde en haar slechts wilde laten stoppen met het roepen om haar kleinzoon, wordt niet aannemelijk geacht, nu dit niet strookt met het gegeven dat hij daarna nog een aantal handelingen met het slachtoffer heeft uitgevoerd, en in het bijzonder niet met de complexiteit van de knopen die hij in het touw heeft gemaakt, waarmee hij de handen van het slachtoffer op de rug heeft vastgebonden. Op enig moment heeft de verdachte het slachtoffer naar zijn slaapkamer gesleept. Hij heeft haar daar laten liggen en is weggegaan. Toen hij pas uren later in zijn woning terugkeerde, constateerde hij dat het slachtoffer was overleden. Onder de geschetste omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte voldoende momenten heeft gehad waarin hij heeft kunnen nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen, en heeft hij zich daarvan rekenschap kunnen geven. De rechtbank acht het, gezien het afplakken van de mond en de neus, het op de buik draaien van [slachtoffer] en het vastbinden van de handen op de rug met een uiterst complexe knoop, onaannemelijk dat de verdachte in paniek of in een opwelling heeft gehandeld. Uit het sectierapport blijkt ook dat de dood bij het slachtoffer als gevolg van verstikking is ingetreden en dus ten gevolge van de handelingen die de verdachte ná de vechtpartij heeft uitgevoerd. De verdachte heeft voldoende tijd gehad zich rekenschap te geven van waar hij mee bezig was en is in plaats van te stoppen, toen hij merkte dat het slachtoffer nog in leven was, doorgegaan met handelingen die uiteindelijk tot hebben geleid tot haar dood. Het kan niet anders dan dat de opzet van de verdachte, die na de vechtpartij merkte dat het slachtoffer nog in leven was en die vervolgens handelde zoals hij heeft gedaan, was gericht op de dood van [slachtoffer]. De voorbedachte raad wordt daarom wettig en overtuigend bewezen geacht. Het andersluidende verweer wordt verworpen. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de bewezenverklaring van moord. BEWEZENVERKLARING Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij in of omstreeks de periode van 06 juni 2013 tot en met 07 juni 2013 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (met kracht) - meermalen met (een) hard(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.