vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel zaaknummer / rolnummer: C/10/436095 / HA ZA 13-1078 Vonnis van 11 juni 2014 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HYDEPARK INVESTMENTS B.V., gevestigd te Doorn, eiseres, advocaat mr. A.J.W. Brussee te Lieveren, tegen 1DE INSPECTEUR VAN DE BELASTINGDIENST (belastingdienst / Rotterdam / kantoor Rotterdam), kantoorhoudend te Rotterdam, 2. de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën / de Inspecteur van de belastingdienst / Rotterdam / kantoor Rotterdam), gevestigd te 's-Gravenhage, gedaagden, advocaat mr. E.E. Schipper te Amsterdam. Partijen zullen hierna Hydepark, de Inspecteur en de Staat genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 5 februari 2014 en de daarin genoemde processtukken; het proces-verbaal van comparitie van 17 april 2014. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast: 2.1. Hydepark houdt zich bezig met het deelnemen in, het samenwerken met, het financieren van, het administreren van, het voeren van de directie over of het zich op andere wijze interesseren bij andere vennootschappen en/of ondernemingen. Tot 26 maart 2012 was haar naam Holding Calling Card International B.V. (hierna zonder onderscheid: Hydepark). 2.2. Hydepark hield tot 20 juli 2005 alle aandelen in Calling Card International B.V. (hierna: CCI). Zij heeft met CCI tot die datum een fiscale eenheid gevormd. CCI is op 17 januari 2006 gefailleerd. met betrekking tot vennootschapsbelasting 2002 2.3. Op 31 maart 2006 heeft de Inspecteur aan Hydepark een aanslag vennootschapsbelasting 2002 opgelegd van € 173.508,00 naar een belastbaar bedrag van € 506.540,00. De uiterste vervaldag was 31 mei 2006. Hydepark heeft tegen deze aanslag een bezwaarschrift ingediend. Het bedrag is deels voldaan door verrekening met een teruggave vennootschapsbelasting 2001 (genoemd onder 2.12) 2.4. Op 18 augustus 2007 is bij beslissing op bezwaar de aanslag vennootschapsbelasting 2002 verminderd tot € 166.125,00 naar een belastbaar bedrag van € 485.142,00. Hydepark heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld. Het bedrag waarmee de aanslag werd verminderd is terugbetaald en daarover is invorderingsrente vergoed. 2.5. Op 21 februari 2009, 28 februari 2009 en 31 maart 2009 heeft de Inspecteur vanwege verrekening van verliezen het belastbare bedrag van de vennootschapsbelasting 2002 opnieuw vastgesteld waarbij het uiteindelijk op nihil is gesteld. Ook het bedrag van de aanslag is op nihil gesteld. De te verrekenen / terug te geven bedragen waren € 27.322,00, € 113.447,00 respectievelijk € 25.356,00. (hierna: de carry backbeschikkingen). 2.6. Op 21 december 2009 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het beroep tegen de beslissing op bezwaar d.d. 18 augustus 2007 gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 146.525,00. Deze uitspraak is op 22 oktober 2010 bevestigd door het gerechtshof 's-Gravenhage. De definitieve aanslag vennootschapsbelasting 2002 is vastgesteld op € 49.303,00. 2.7. Op 6 september 2011 heeft Hydepark de Ontvanger der rijksbelastingen (hierna: de Ontvanger) verzocht om afgifte van een voor bezwaar vatbare beschikking betreffende aan haar te betalen invorderingsrente over de verminderingen van de aanslag vennootschapsbelasting 2002 (genoemd onder 2.5). 2.8. Op 14 november 2011 heeft de Ontvanger Hydepark meegedeeld dat geen voor bezwaar vatbare beschikking wordt afgegeven omdat er geen wettelijk voorschrift of beleidsregel bestaat op grond waarvan beschikkingen invorderingsrente worden gegeven. Hydepark heeft tegen deze beslissing een bezwaarschrift ingediend, waarin de Ontvanger Hydepark niet ontvankelijk heeft verklaard. Hydepark heeft daartegen beroep ingesteld. 2.9. Op 18 juli 2012 heeft de rechtbank 's-Gravenhage het beroep van Hydepark ongegrond verklaard. Hydepark heeft hierin berust. In het proces-verbaal waarin de uitspraak is opgenomen is onder meer het volgende overwogen: "Gelet op de beperking van de toegang tot de bestuursrechter in artikel 8:5, eerste lid van de Awb en onderdeel I van de bijlage bij de Awb voor ingevolge de Invorderingswet 1990 genomen besluiten, de op deze beperking gemaakte uitzondering voor besluiten genomen op grond van artikel 30 van de Invorderingswet 990 en de nadere beperking van de toegang tot de bestuursrechter in artikel 30, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 gelezen in samenhang met in het bijzonder artikel 26 van de AWR, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de bij de brief van 14 november 2011 bekend gemaakte beschikking een voor bezwaar vatbare beschikking dan wel een schriftelijke weigering om een zodanige beschikking te nemen behelst. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende: 1e. een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 26 van de AWR is een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb, die bij of krachtens de wet als voor bezwaar vatbare beschikking is aangewezen; 2e. in artikel 30, eerste lid, eerste volzin, van de Invorderingswet 1990 is, voor zover hier van belang, uitsluitend de beschikking waarbij het bedrag van de invorderingsrente wordt vastgesteld aangewezen als voor bezwaar vatbare beschikking; 3e. de tweede volzin van artikel 30, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 betreft slechts de bekendmaking van het bedrag van de invorderingsrente en kan niet als aanwijzing van een aparte voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 26 van de AWR worden aangemerkt; 4e. de brief van 14 november 2011 behelst een ambtshalve genomen besluit over de door eiseres gevraagde vermindering of teruggaaf van de bij een eerdere, voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde invorderingsrente, dan wel een ambtshalve gegeven weigering van een zodanig besluit; zij behelst geen op de voet van artikel 30, eerste lid, eerste volzin, van de Invorderingswet 1990 genomen, voor bezwaar vatbare beschikking of een schriftelijke weigering daarvan. 5e. tegen een ambtshalve genomen besluit over de vermindering of teruggaaf van invorderingsrente staat geen beroep open en kan dus evenmin bezwaar worden gemaakt. Hetzelfde geldt voor de ambtshalve gegeven weigering van een zodanig besluit." 2.10. Hydepark heeft bij de kantonrechter Rotterdam een procedure tegen de Ontvanger aanhangig gemaakt, waarbij zij op de grond dat de Ontvanger onrechtmatig zou hebben gehandeld vergoeding van renteschade heeft gevorderd. Op 8 maart 2013 heeft de kantonrechter deze vordering afgewezen. Hydepark heeft in die uitspraak berust. met betrekking tot vennootschapsbelasting 2001 2.11. Op 25 januari 2006 heeft de Inspecteur aan CCI een naheffingsaanslag loonbelasting 2003 van € 253.531,00 opgelegd. Tegen deze naheffingsaanslag is bezwaar gemaakt. Tegen de beslissing op bezwaar is beroep ingesteld. Van de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage is hoger beroep ingesteld. De naheffingsaanslag loonbelasting 2003 is op grond van het arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage verminderd met een bedrag van € 169.044,00. 2.12. Op 12 augustus 2006 heeft de Inspecteur de aan Hydepark opgelegde aanslag vennootschapsbelasting 2001 vanwege verrekening van verliezen verminderd met een bedrag van € 467.140,00. De Ontvanger heeft vervolgens op 14 september 2006 aan Hydepark meegedeeld dat de teruggave aan haar van € 439.346,00 onder meer is verrekend met de naheffingsaanslag loonbelasting 2003 van € 242.309,00 op naam van CCI. 2.13. De Ontvanger heeft bij brief van 23 maart 2010 aan Hydepark meegedeeld dat de vermindering van de naheffingsaanslag loonbelasting 2003 niet wordt uitgekeerd aan Hydepark, maar wordt verrekend met openstaande belastingaanslagen op naam van CCI. 2.14. Hydepark is een procedure tegen de Ontvanger en de Staat gestart waarbij zij - kort samengevat - heeft gevorderd dat aan haar het bedrag wordt (terug)betaald waarmee de naheffingsaanslag loonbelasting 2003 is verminderd omdat zij die naheffingsaanslag door middel van verrekening (zie onder 2.12) heeft betaald. De rechtbank Rotterdam, sector civiel recht, heeft de vordering van Hydepark grotendeels toegewezen. In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Gravenhage, afdeling civiel recht, op 6 juli 2013 de Ontvanger veroordeeld tot betaling aan Hydepark van € 168.211,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 maart 2010. Tegen deze beslissing is beroep in cassatie ingesteld. 3Het geschil 3.1. Hydepark vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: a. voor recht verklaart dat de handelwijze van de Inspecteur en de Staat, althans de Inspecteur dan wel de Staat, jegens Hydepark onrechtmatig is en dat de Inspecteur en de Staat hoofdelijk, althans de Inspecteur dan wel de Staat, daarom jegens Hydepark aansprakelijk zijn/is voor de door Hydepark geleden en nog te lijden schade; de Inspecteur en de Staat hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, althans de Inspecteur dan wel de Staat, primair veroordeelt tot het vergoeden van schade met betrekking tot de vermindering van de aanslag vennootschapsbelasting 2002, primair te berekenen op een bedrag van € 17.065,00, subsidiair op een bedrag van € 14.981,00, dan wel meer subsidiair op een bedrag van € 14.876,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 november 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel subsidiair veroordeelt tot een in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening; de Inspecteur en de Staat hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, althans de Inspecteur dan wel de Staat, primair veroordeelt tot het vergoeden van schade met betrekking tot de vermindering van de aanslag vennootschapsbelasting 2001, primair te berekenen op een bedrag van € 34.329,00, subsidiair op een bedrag van € 31.841,00, dan wel meer subsidiair op een bedrag van € 27.929,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 maart 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel subsidiair veroordeelt tot een in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening; met veroordeling primair van de Inspecteur en de Staat hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, althans de Inspecteur dan wel de Staat, primair in de werkelijke kosten van deze procedure ten bedrage van € 5.162,00 plus nog nader te begroten, dan wel subsidiair op een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in de artikelen 6:119 en 6:120 lid 1 BW over deze proceskosten (primair) vanaf veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis dan wel (subsidiair) vanaf veertien dagen na de datum van de betekening van het te wijzen vonnis; met veroordeling primair van de Inspecteur en de Staat hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, althans de Inspecteur dan wel de Staat, primair van de daadwerkelijke buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 2.265,00, subsidiair vergoeding van die kosten volgens Rapport Voorwerk II en meer subsidiair vergoeding op basis Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten, plus vergoeding over het aldus vast te stellen bedrag van de wettelijke rente ter zake tot aan de dag der algehele voldoening; met veroordeling van de Inspecteur en de Staat hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de nakosten van deze procedure waaronder te verstaan het nasalaris van de advocaat te begroten op een bedrag van € 131,00 zonder betekening of een bedrag van € 199,00 met betekening, dan wel in geval van een conventionele en reconventionele vordering te begroten op een bedrag van € 205,00 zonder betekening of een bedrag van € 273,00 met betekening, deze genoemde nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in de artikelen 6:119 en 6:120 lid 1 BW over deze proceskosten (primair) vanaf veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis dan wel (subsidiair) vanaf veertien dagen na de datum van de betekening van het te wijzen vonnis, dan wel - indien veroordeling in de nakosten niet mogelijk of toewijsbaar is - op grond van het bepaalde in artikel 237 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering afgifte van een bevelschrift waarin de Inspecteur en de Staat hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, worden veroordeeld tot betaling van de bedoelde nakosten vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in de artikelen 6:119 en 6:120 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek over deze proceskosten (primair) vanaf veertien dagen na de datum van het te geven bevelschrift dan wel (subsidiair) vanaf veertien dagen na de datum van de betekening van het te geven bevelschrift betreffende de conventionele en een mogelijke reconventionele vordering; 3.2. Het verweer van de Inspecteur en de Staat strekt tot afwijzing van de vorderingen en - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Hydepark in de kosten van het geding. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling inleiding 4.1. Hydepark stelt dat de Inspecteur onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.