← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2014:578

vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team Handel zaaknummer / rolnummer: C/10/399705 / HA ZA 12-342 Vonnis van 22 januari 2014 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] , gevestigd te Rotterdam, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. L.A. Dutmer, tegen de stichting STICHTING BOOR, gevestigd te Rotterdam, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. M.A. Jacobs. Partijen zullen hierna [eiseres] en BOOR genoemd worden. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 21 augustus
  2. de brief van BOOR van 12 november 2013 de brief van [eiseres] van 19 november 2013 de brief van [eiseres] van 19 december
  3. 1.
  4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling in conventie en in reconventie 2.
  5. In het tussenvonnis heeft de rechtbank BOOR zowel in conventie als in reconventie een bewijsopdracht gegeven. Op die onderdelen bevat het tussenvonnis derhalve bindende eindbeslissingen. 2.
  6. In de brief van 12 november 2013 heeft BOOR verzocht om tussentijds appel toe te staan tegen het tussenvonnis op de grond dat een na het wijzen van het tussenvonnis bekend geworden proces-verbaal van politie (hierna: “het politie-p.v.”) er toe leidt dat het tussenvonnis niet in stand kan blijven. [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de in artikel 337, tweede lid Rv genoemde voorwaarden voor het kunnen toestaan van tussentijds beroep. 2.
  7. Bij de beoordeling van het verzoek van BOOR moet worden voorop gesteld dat dit verzoek ertoe strekt een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde regel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis. Bij het toestaan van die uitzondering dient de rechter terughoudendheid te betrachten, zo volgt uit de wetsgeschiedenis. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven een uitzondering op de hoofdregel te maken. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan de zich hier niet voordoende omstandigheid dat beide partijen tussentijds hoger beroep bepleiten. 2.
  8. Het politie-p.v. is in deze procedure eerder onderwerp van debat geweest in verband met de vraag of de rechtbank diende te wachten met het wijzen van een tussenvonnis totdat het politie-p.v. beschikbaar zou zijn. Omdat er geen enkel zicht was op het moment waarop dat wel het geval zou zijn, is de rechtbank overgegaan tot het wijzen van het tussenvonnis. 2.
  9. Partijen verschillen thans van mening over de vraag of de in het politie-p.v. opgenomen informatie ertoe dient te leiden dat het tussenvonnis niet in stand kan blijven. Hoewel in het kader van de beoordeling van onderhavig verzoek geen ruimte bestaat voor het nemen van een beslissing omtrent die vraag, blijkt wel dat het politie-p.v. informatie bevat die relevant kan zijn voor de in het tussenvonnis gegeven bewijsopdrachten. BOOR heeft onder die omstandigheden een rechtens te honoreren belang om tegen de beslissingen van de rechtbank in beroep te kunnen gaan. 2.
  10. Het verzoek zal worden toegewezen. 3De beslissing De rechtbank in conventie en in reconventie 3.
  11. bepaalt dat, voordat het eindvonnis is gewezen, hoger beroep kan worden ingesteld tegen het tussenvonnis van 21 augustus
  12. Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema, mr. J.W. van den Hurk en mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 22 januari
  13. [427/2537/476]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.