vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/361655 / HA ZA 10-2619 Vonnis van 9 juli 2014 in de zaak van
- de rechtspersoon naar vreemd recht KERTEN INVESTMENTS S.A.R.L., gevestigd te Luxemburg,
- [eiser2], wonende te [woonplaats], eisers, advocaat mr. E.K. Ditvoorst, tegen [gedaagde] , wonende te Bussum, gedaagden, advocaat mr. J.H. Lemstra. Partijen zullen hierna Kerten c.s. en [gedaagde] genoemd worden. Waar nodig zullen eisers afzonderlijk als Kerten en [eiser2] worden aangeduid. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 9 april 2014; de brief van 22 mei 2014 van mr. Lemstra; de brief van 26 mei 2014 van mr. Ditvoorst 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling van het verzoek om tussentijds hoger beroep 2.
- Bij bovengenoemd tussenvonnis heeft de rechtbank onder meer beslist dat tussen Kerten en [gedaagde] een overeenkomst tot het geven van beleggingsadvies is tot stand gekomen en dat [gedaagde] in de nakoming van die overeenkomst is tekort geschoten. De rechtbank heeft voorts een instructie gegeven voor een voortgezet schriftelijk debat. 2.
- Bij bovengenoemde brief heeft (mr. Lemstra namens) [gedaagde] verzocht om toestemming voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen dit vonnis. Daartoe heeft [gedaagde] aangevoerd, kort weergegeven, dat hij zich met de door de rechtbank genomen beslissingen niet kan verenigen, dat nog een uitvoerig debat zal moeten plaatsvinden over het causaal verband, de toerekenbaarheid, de mate van eigen schuld en de omvang van de schade en dat het al met al de proceseconomie ten goede komt indien tussentijds het oordeel van het hof kan worden verkregen over de door de rechtbank genomen beslissingen. 2.
- Kerten c.s. heeft bezwaar gemaakt tegen het verzoek van [gedaagde]. In dat verband heeft zij aangevoerd dat de door [gedaagde] gestelde omstandigheden geen uitzondering op het wettelijk uitgangspunt rechtvaardigen en dat de proceseconomie gebaat is bij een spoedig eindvonnis in eerste aanleg. 2.
- De rechtbank overweegt als volgt. 2.
- Bij de beoordeling van het verzoek van [gedaagde] moet worden voorop gesteld dat dit verzoek ertoe strekt een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde regel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis. Bij het toestaan van die uitzondering dient de rechter terughoudendheid te betrachten, zo volgt uit de wetsgeschiedenis. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven een uitzondering op de hoofdregel te maken. 2.
- De rechtbank is van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op het wettelijke uitgangspunt rechtvaardigen. Het gaat hier om een complexe en omvangrijke procedure, waarin bij het tussenvonnis enkele cruciale beslissingen door de rechtbank zijn genomen die bepalend zijn voor het verdere verloop van de procedure. De verwachting is gerechtvaardigd dat dit verdere verloop evenzeer complex zal zijn. In het verdere schriftelijke debat moet immers concreet en specifiek gedebatteerd worden over de afzonderlijke beleggingen, over de schade die Kerten c.s. per belegging vordert en over de specifieke normschending door [gedaagde] die tot die schade heeft geleid (zie 6.21 van het tussenvonnis). Bovendien zal het debat gevoerd moeten worden over het causaal verband, de toerekenbaarheid, de eigen schuld en de omvang van de schade (zie 6.20 van het tussenvonnis). Dit verdere debat is niet nodig indien het oordeel van de rechtbank over het bestaan van een overeenkomst tussen Kerten en [gedaagde] en over de tekortkoming van [gedaagde] niet in stand blijft. Hiertegenover staat het belang van Kerten c.s. bij een voortvarende behandeling van de zaak. Dit belang legt naar het oordeel van de rechtbank in dit specifieke geval onvoldoende gewicht in de schaal, alleen al omdat het, gelet op het financiële belang van de zaak, aannemelijk is dat een of meerdere van de partijen hoe dan ook in appel zal gaan. 2.
- Het verzoek zal dus worden toegewezen. 3De beslissing De rechtbank bepaalt dat, voordat het eindvonnis is gewezen, hoger beroep kan worden ingesteld tegen het tussenvonnis van 9 april
- . Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, mr. A.J.J. van Rijen en mr. J.A. Moolenburgh en in het openbaar uitgesproken op 9 juli
- 1980/1354/901 type: coll:
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.