← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2014:7644

vonnis RECHTBANK [woonplaats2 2] Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/343223 / HA ZA 09-3431 Vonnis van 3 september 2014 in de zaak van 1 [eiser1], wonende te [woonplaats1],

  1. de rechtspersoon naar het recht van Luxemburg [eiser2] , gevestigd te Luxemburg, eisers, advocaat mr. E.K. Ditvoorst, tegen
  2. de rechtspersoon naar het recht van de Kaaiman Eilanden SELECTICA FUND LTD, gevestigd te George Town, gedaagde, advocaat voorheen mr. N.M. Jonker, thans niet langer vertegenwoordigd,
  3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DIVERSICA FINANCIAL GROUP B.V., gevestigd te [woonplaats2 2], gedaagde, advocaat mr. N.M. Jonker,
  4. [gedaagde1], wonende te[woonplaats2 1], gedaagde, advocaat mr. J.H. Lemstra,
  5. ANTHONY YUPANQUI WARNAARS, wonende te [woonplaats2 2], gedaagde, advocaat mr. N.M. Jonker, 5.[gedaagde3], wonende te[woonplaats3], gedaagde, advocaat mr. N.M. Jonker,
  6. [gedaagde4], wonende te[woonplaats4], gedaagde, advocaat mr. J.H. Stek, 7.[gedaagde5], wonende te[woonplaats5], gedaagde, advocaat mr. G. te Winkel. 1De procedure 1.
  7. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 9 juli 2014 en de daaraan ten grondslag liggende stukken; de akte van eisers; de akte van gedaagde sub 6 (hierna: [gedaagde4]); de akte van gedaagde sub 7 (hierna: [gedaagde5]). 1.
  8. Ten slotte is vonnis bepaald op heden. 2De verdere beoordeling 2.
  9. Bij bovengenoemd tussenvonnis heeft de rechtbank gedaagde sub 3 (hierna: [gedaagde1]) toestemming gegeven om tussentijds te appelleren tegen het tussenvonnis van 9 april
  10. Gelet op het bepaalde in artikel 350 Rv is de procedure, voor zover deze betrekking heeft op het geschil tussen eisers en [gedaagde1], sindsdien van rechtswege geschorst. 2.
  11. In het tussenvonnis van 9 juli 2014 heeft de rechtbank, in het licht van de toestemming aan [gedaagde1] om tussentijds in appel te gaan, tevens overwogen voornemens te zijn om in de procedure tegen de andere gedaagden eindvonnis te wijzen. Gedaagden sub 2, 4 en 5 (hierna: DFG c.s.) hadden hier al om gevraagd. De rechtbank heeft eisers, [gedaagde4] en [gedaagde5] in de gelegenheid gesteld zich over dit voornemen uit te laten. [gedaagde4] en [gedaagde5] ondersteunen het voornemen van de rechtbank, eisers refereren zich. 2.
  12. Gelet hierop en op de in het tussenvonnis van 9 juli 2014 (onder 2.9) genoemde omstandigheden, zal de rechtbank thans overgaan tot het wijzen van eindvonnis in het geschil tussen eisers en alle gedaagden behalve [gedaagde1]. In dit verband overweegt de rechtbank verder als volgt. 2.
  13. In het tussenvonnis van 13 februari 2013 (zie onder 5.4) is overwogen en beslist dat de vordering van eisers op gedaagde onder 1 (hierna: Selectica) voor toewijzing in aanmerking komt. Selectica zal in de proceskosten van eisers worden veroordeeld. Nu Selectica geen verweer heeft gevoerd, komen voor vergoeding in aanmerking het door eisers betaalde griffierecht, de exploot- en beslagkosten voor zover betrekking hebbend op Selectica (in totaal € 581,88) en het advocaatsalaris ter zake het beslagrekest en de dagvaarding (2 punten, tarief VIII). 2.
  14. Bij tussenvonnis van 13 februari 2013 (onder 5.10) heeft de rechtbank tevens beslist dat eiser sub 1 (hierna: [eiser1]) bij eindvonnis niet-ontvankelijk verklaard zal worden. 2.
  15. Bij tussenvonnis van 9 april 2014 heeft de rechtbank beslist dat de vorderingen van eiseres sub 2 (hierna: Kerten) op DFG c.s., [gedaagde4] en [gedaagde5] zullen worden afgewezen. 2.
  16. Eisers zullen in de proceskosten van DFG c.s., [gedaagde4] en [gedaagde5] worden veroordeeld. Omdat Selectica, DFG c.s. en [gedaagde4] met dezelfde advocaat in deze procedure zijn verschenen en dus in totaal slechts één keer griffierecht hebben betaald, ziet de rechtbank aanleiding om eenvijfde deel van het griffierecht voor rekening van Selectica te brengen. Drievijfde deel moet aan DFG c.s. worden toegerekend en dat dient door eisers vergoed te worden. Eenvijfde deel moet aan [gedaagde4] worden toegerekend en ook dat deel dient door eisers vergoed te worden. De proceshandelingen van alle hier bedoelde gedaagden die bij de begroting van het advocaatsalaris een rol spelen zijn de volgende: conclusie van antwoord

(1), conclusie van dupliek
(1)en het pleidooi
(2). Tarief VIII is toepasselijk. In het voegingsincident tussen eisers en DFG c.s. (vonnis van 8 december 2010) blijven de proceskosten voor rekening van beide partijen, nu DFG c.s. weliswaar in het gelijk is gesteld, maar eisers tegen de incidentele vordering geen verweer hebben gevoerd. Terzake het vrijwaringsincident tussen eisers en [gedaagde5] (vonnis van 30 juni 2010), waarin [gedaagde5] ondanks het verweer van eisers in het gelijk is gesteld, heeft [gedaagde5] aanspraak op € 452,-- (1 punt tarief II) voor advocaatsalaris. Eisers zullen worden veroordeeld in de nakosten zoals in het dictum omschreven. 3De beslissing De rechtbank 3.
  1. veroordeelt Selectica tot betaling aan eisers van € 4.579.648,80 (vier miljoen vijfhonderdnegenenzeventigduizend zeshonderdachtenveertig euro en tachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 2.079.648,80 vanaf 31 augustus 2008 en over € 2,5 miljoen vanaf 30 september 2008, tot aan de dag van gehele voldoening; 3.
  2. veroordeelt Selectica in de proceskosten van eisers, tot op heden begroot op € 4.938,-- aan griffierecht, € 581,88 aan explootkosten en € 6.422,-- aan advocaatsalaris, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis; 3.
  3. wijst af het meer of anders gevorderde in het geschil tussen eisers en Selectica; 3.
  4. verklaart [eiser1] niet-ontvankelijk in het geschil tussen eisers en DFG c.s., [gedaagde4] en [gedaagde5]; 3.
  5. wijst de vorderingen van Kerten op DFG c.s., op [gedaagde4] en op [gedaagde5] af; 3.
  6. veroordeelt eisers in de proceskosten van DFG c.s., tot op heden begroot op € 2.962,80 aan griffierecht en € 12.844,-- aan advocaatsalaris, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis; 3.
  7. veroordeelt eisers in de nakosten van DFG c.s., begroot op € 131,-- dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, € 199,--; 3.
  8. veroordeelt eisers in de proceskosten van [gedaagde4], tot op heden begroot op € 987,50 aan griffierecht en op € 12.844,-- aan advocaatsalaris, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis; 3.
  9. veroordeelt eisers in de nakosten van [gedaagde4], begroot op € 131,-- dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, € 199,--; 3.
  10. veroordeelt eisers in de proceskosten van [gedaagde5], tot op heden begroot op € 1.185,-- aan griffierecht en op € 13.296,-- aan advocaatsalaris, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis; 3.
  11. veroordeelt eisers in de nakosten van [gedaagde5], begroot op € 131,-- dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, € 199,--; 3.
  12. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 3.
  13. verstaat dat de procedure tussen eisers en [gedaagde1] is geschorst. Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, mr. A.J.J. van Rijen en J.A. Moolenburgh en in het openbaar uitgesproken op 3 september
  14. 1980/1354/901

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.