← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2014:7875

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 13/5606 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 september 2014 in de zaak tussen [Naam] handelend onder de naam [Naam], te [plaats], eiser, en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, verweerster, gemachtigde: mr. J.W.R. Markhorst. Procesverloop Bij besluit van 26 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiser tegen het besluit van 13 september 2012 strekkende tot weigering van een partij vis (GDB-nummer 12078188) voor invoer in de Europese Unie (EU) ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College). Het College heeft het beroepschrift op de voet van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden naar de rechtbank. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei

  1. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. De officiële dierenarts van verweerster heeft de partij vis geweigerd op de grond dat een erkenningsnummer vanuit het land van herkomst ontbrak. Eiser betoogt dat verweerster de partij vis ten onrechte voor invoer in de EU heeft geweigerd. Eiser stelt dat in het verslag van de hoorzitting in bezwaar de door eiser gemaakte opmerking dat verweerster al zeven jaar zijn product uit Alaska goedkeurde ontbreekt, terwijl die opmerking aangeeft dat verweerster al die jaren in gebreke is gebleven. Het terugzenden van de partij is volgens eiser in dat licht een bureaucratische handeling waarbij logisch inzicht en realiteitszin voor de specifieke situatie ontbreken. Eiser stelt in dit verband verder dat in het bestreden besluit niet is ingegaan op zijn argument dat op alle verpakkingen stond aangegeven waar het product vandaan kwam voordat het de inrichting verliet: [...].
  3. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c sub i, in verbinding met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, en bijlage II, sectie I, van de in dezen toepasselijke Verordening 853/2004 rust op exploitanten van levensmiddelenbedrijven de verplichting ervoor te zorgen dat producten van dierlijke oorsprong een identificatiemerk dragen in overeenstemming met hetgeen in die sectie van bijlage II is bepaald. Voor zover hier van belang is bepaald dat het identificatiemerk de naam van het land moet vermelden waar de inrichting is gevestigd, voluit geschreven of aangegeven met een uit twee letters bestaande code overeenkomstig de desbetreffende ISO-norm. Tevens moet het merk het erkenningsnummer van de inrichting vermelden. Ten aanzien van het aanbrengen van het identificatiemerk is onder A, punt 1, van Sectie I voorgeschreven dat “[h]et identificatiemerk wordt aangebracht voordat het product de productie-inrichting verlaat”.
  4. Vaststaat dat op de verpakkingen van de partij vis van eiser geen identificatiemerk is aangebracht waarop de naam is vermeld van het land waar de productie-inrichting is gevestigd. Derhalve is niet aan de hiervoor genoemde verplichting voldaan. Dat op de verpakking staat vermeld “[Naam]”, of woorden van die strekking, doet hier niet aan af: dit betreft de naamgeving aan het product en niet het vereiste identificatiemerk.
  5. Ingevolge artikel 17 van Richtlijn (EG) nr. 97/78 (de importrichtlijn) dient in een dergelijk geval – kort gezegd – het product ofwel te worden teruggezonden, ofwel te worden vernietigd. In aansluiting op een uitspraak van het College van 15 september 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:339) is de rechtbank daarom van oordeel dat in gevallen als deze, waarin het gaat om veterinaire controles voor producten uit derde landen en waarin het product niet aan de invoervoorwaarden blijkt te voldoen, slechts de in de importrichtlijn voorziene maatregelen open staan. Hieruit volgt dat verweerster geen andere mogelijkheid had dan invoer van de partij vis in de EU te weigeren.
  6. Dat verweerster heeft verzuimd eerdere partijen te weigeren doet hier niet aan af: zij was gehouden noch bevoegd die fout te herhalen.
  7. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. In de omstandigheid dat, naar verweerder ter zitting heeft erkend, verweerster in het bestreden besluit niet op het onder
  8. besproken argument is ingegaan, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden. Aan het ingediende “formulier proceskosten” gaat de rechtbank voorbij, nu dit – anders dan eiser bij brief van 16 april 2014 en het bijgevoegde formulier was gemeld – blijkens het daarop vermelde ontvangststempel niet uiterlijk bij aanvang van de zitting, maar pas na afloop van de zitting (en niet bij de griffier, maar bij het Informatiecentrum van de rechtbank) is ingediend. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond, - bepaalt dat verweerster aan eiser het door hem betaalde griffierecht van (na correctie) € 156,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september
  9. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.