vonnis RECHTBANK ROTTERDAM team handel zaaknummer / rolnummer: C/10/459813 / KG ZA 14-898 Vonnis in kort geding van 28 oktober 2014 in de zaak van 1 [eiser 1], wonende te [woonplaats], 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres 2] , gevestigd te Krimpen aan den IJssel, eisers, advocaat mr. H.J. Smit te Rotterdam, tegen [curator], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 1] en [gedaagde 2], kantoorhoudende te Dordrecht, gedaagde, advocaat mr. G.J.M. Moussault te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiser 1], [eiseres 2] en de curator genoemd worden. [eiser 1] zal ook worden gebruikt als benaming van [eiser 1] en [eiseres 2] samen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding de mondelinge behandeling de pleitnota van [eiser 1] en [eiseres 2] de pleitnota van de curator. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiseres 2] is de persoonlijke holdingmaatschappij van [eiser 1]. [eiser 1] was tot 28 juli 2009 via [eiseres 2] statutair directeur en houder van aandelen van [gedaagde 1] (hierna: [gedaagde 1]). Medeaandeelhouder was [persoon 1]. [gedaagde 1] hield zich bezig met reparatie en levering van onderdelen van turbochargers. Een turbocharger is een zelfstandig draaiende unit, gemonteerd op onder meer dieselmotoren in zeeschepen. Het Zwitserse bedrijf ABB en het Duitse bedrijf MAN zijn de twee grootste, wereldwijd opererende producenten van turbochargers. Daarnaast bestaan er wereldwijd circa 100 kleine onafhankelijke turbochargerbedrijven. 2.2. Op 28 juli 2009 hebben [eiser 1] en [persoon 1] (via hun holdingmaatschappijen) de aandelen in [gedaagde 1] verkocht aan [gedaagde 2]. Van 28 juli 2009 tot 8 november 2012 was [eiser 1] lid van de Raad van Commissarissen van [gedaagde 2]. 2.3. In oktober 2009 is [persoon 2] (hierna te noemen: [persoon 2]) alleen opererend algemeen directeur geworden van [gedaagde 1]. 2.4. [eiser 1] heeft, in zijn hoedanigheid van commissaris, een notitie opgesteld gedateerd 15 september 2012, gericht aan de raad van commissarissen en [persoon 2], waarin [eiser 1] zijn zorgen uit over de continuïteit van de onderneming en waarin hij voorstellen doet om verbeteringen aan te brengen teneinde deze continuïteit (beter) te waarborgen. 2.5. ABB heeft op enig moment vlak na 15 september 2012 conservatoir beslag doen leggen onder [gedaagde 1] op documentatie en tekeningen die afkomstig zouden zijn van ABB. 2.6. Bij verzoekschrift van 23 november 2012 hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 1], middels hun advocaat mr. J.M. Moussault, de rechtbank Rotterdam verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten ten laste van [eiser 1] en [eiseres 2]. In het verzoekschrift wordt [eiser 1] onder meer beschuldigd van wanprestatie, onrechtmatige daad en onbehoorlijke taakuitoefening als commissaris. 2.7. [gedaagde 1] is op 12 januari 2013 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van gedaagde als curator. 2.8. In het Algemeen Dagblad is op enig moment een artikel gepubliceerd over [gedaagde 1] met als titel “[titel].” 2.9. De curator heeft bij e-mailbericht van 20 januari 2013 aan [eiser 1] en [eiseres 2] medegedeeld dat de rechter-commissaris hem machtiging heeft verleend om de procedure strekkende tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, door te zetten. 2.10. [eiser 1] zou in het voorlopig getuigenverhoor als getuige gehoord worden op 4 juli 2013. [eiser 1] is op de desbetreffende terechtzitting niet verschenen. Zijn advocaten hebben ter zitting medegedeeld dat de reden daarvan was dat [eiser 1] toen (nog) niet de beschikking had over een aantal schriftelijke stukken die genoemd werden in het verzoekschrift tot het houden van het voorlopig getuigenverhoor. De zitting is toen aangehouden. 2.11. [eiser 1] heeft een kort gedingprocedure geëntameerd tegen [gedaagde 2] ter verkrijging van voornoemde ontbrekende schriftelijke stukken. Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2013 is [gedaagde 2], uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om aan [eiser 1]: -binnen drie dagen na betekening van het vonnis een afschrift te verstrekken van het proces-verbaal van de door [persoon 3] op 1 juni 2012 bij de rechter-commissaris bij de rechtbank Rotterdam in voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaring en -binnen vier weken na betekening van het vonnis afschriften te verstrekken van alle notities/verslagen met (ex-) werknemers waarin sprake is van de bevestiging van het beeld als door [gedaagde 2] in punt 29 van het rekest voorlopig getuigenverhoor bedoeld, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 100.000,-. Enkele uren voor de terechtzitting in dit kort geding heeft [gedaagde 2] [eiser 1] een aantal van de gevraagde schriftelijke stukken, waaronder twee aanvullende forensische rapporten opgesteld door [persoon 4] en [persoon 5] (hierna: [persoon 4 en 5]), ter beschikking gesteld. 2.12. [gedaagde 2] heeft over het verbeuren van dwangsommen een kort gedingprocedure geëntameerd tegen [eiser 1]. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 30 september 2013 is de vordering van [gedaagde 2] tot opheffing, dan wel vermindering, van de dwangsommen zoals opgelegd in het eerdere kort gedingvonnis van 19 juli 2013, afgewezen. De voorzieningenrechter kwam, kort gezegd, tot het oordeel dat [gedaagde 2] onvoldoende inspanningen had verricht en onvoldoende zorgvuldigheid had betracht in de zin van artikel 611 d Rv., zodat geen grond bestond voor opheffing of vermindering (tot nihil) van de opgelegde dwangsommen. 2.13. Bij dagvaarding van 18 september 2013 hebben [eiser 1] en [eiseres 2] een bodemprocedure bij de rechtbank Amsterdam aanhangig gemaakt tegen onder meer de curator, [gedaagde 2], [persoon 2] en mr. Moussault. In die procedure vorderen [eiser 1] en [eiseres 2] te verklaren voor recht dat de betreffende gedaagden sedert oktober 2012 onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld, te verklaren voor recht dat de aantijgingen en beschuldigingen aan het adres van [eiser 1] en [eiseres 2] kwalificeren als smaad en gedaagden te veroordelen een schriftelijke verklaring af te geven, waarin gedaagden -onder meer- verklaren dat zij alle beschuldigingen en aantijgingen tegen [eiser 1] intrekken. 2.14. [gedaagde 2] is op 21 oktober 2013 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van gedaagde als curator. 2.15. De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 6 augustus 2014 de onder rov. 2.13 aangehaalde vorderingen afgewezen. [eiser 1] en [eiseres 2] zijn bij dagvaarding van 8 oktober 2014 in hoger beroep gekomen van het vonnis. 3Het geschil 3.1. [eiser 1] en [eiseres 2] vorderen om de curator te bevelen om binnen 24 uur ter beschikking te stellen: I. Alle ordners, klappers, bundels en stukken, zoals vermeld in het 2e rapport de dato 2 november 2012 van [persoon 4 en 5], en zoals waarneembaar op de 6 aan [eiser 1] toegezonden foto’s, aangeduid als bijlagen 1, 2, 4, 5, 6 en 7, behorende tot de 13 bijlagen bij het 2e [persoon 4 en 5] rapport; II. Het door mr. G.J.M. Moussault aan de curator uitgebrachte procesadvies jegens [eiser 1]; III. Op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- per dag c.q. per overtreding, met een maximum van € 300.000,-; IV. en met veroordeling van de curator in de kosten van het kort geding. [eiser 1] en [eiseres 2] stellen daartoe het volgende. 3.2. Toen [eiser 1] nog bestuurder was van [gedaagde 1] is geen inbreuk gemaakt op intellectuele eigendomsrechten van ABB. Als wel sprake is geweest van een dergelijke inbreuk dan is [persoon 2], als nieuwe directeur, daarvoor aansprakelijk te houden. Daarom is ten onrechte een procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor -die ertoe strekte om belastend bewijsmateriaal tegen [eiser 1] en [eiseres 2] te verkrijgen- geëntameerd. Uit de getuigenverhoren is niets belastends jegens [eiser 1] naar voren gekomen. Integendeel, de getuigen hebben verklaard dat, zo er inbreuk is gemaakt op de intellectuele eigendomsrechten van ABB, [eiser 1] dat niet heeft geweten. Het viel niet binnen de taak van [eiser 1] om hier iets van af te weten. [eiser 1] was financieel directeur en als zodanig slechts verantwoordelijk voor de financiële rapportage, de jaarrekening en de contacten met de accountant. Thans, twee jaar later, heeft het voorlopig getuigenverhoor nog steeds niet geleid tot het aanhangig maken van een bodemprocedure tegen [eiser 1]. De curator heeft € 100.000,- aan dwangsommen verbeurd, omdat hij niet in staat is gebleken om schriftelijke -voor [eiser 1] belastende- verklaringen van werknemers van [gedaagde 1] te produceren, dit terwijl in het verzoekschrift tot het houden van voorlopig getuigenverhoor wel werd uitgegaan van het bestaan van deze verklaringen. Ook dit wijst er op dat [eiser 1] niets te verwijten valt. De curator heeft tijdens een gesprek op 16 augustus 2013 aan [eiser 1] bevestigd dat het hem, de curator, niet was gebleken dat [eiser 1] wetenschap had van enig onrechtmatig handelen binnen [gedaagde 1]. Thans gooit de curator het over de boeg van de bestuursaansprakelijkheid, met als grondslag dat [eiser 1] als bestuurder op de hoogte had dienen te zijn van de (beweerdelijke) onrechtmatige handelingen vanuit [gedaagde 1]. [eiser 1] betwist de gegrondheid van deze stelling van de curator. [eiser 1] is aangetast in zijn reputatie, eer en goede naam. Het verzoekschrift tot het houden van het voorlopig getuigenverhoor bevat beschuldigingen aan het adres van [eiser 1] die kwalificeren als oplichting, omkoping, bedrog bij verkoop, het opmaken van onjuiste jaarstukken en merkinbreuk. Het verzoekschrift is bekend bij onder meer de ABN AMRO bank, de Deutsche Bank, ABB en bij de getuigen in het voorlopig getuigenverhoor. Het artikel in het Algemeen Dagblad stelt [eiser 1] in een kwaad daglicht. Dit artikel heeft een half jaar prominent op de website van de curator gestaan. Nog tijdens het gesprek op 16 augustus 2013 heeft de curator dit artikel van zijn website verwijderd. Mr. Moussault heeft via zijn advocatenkantoor opdracht gegeven aan het IE-kantoor [persoon 4 en 5] om in kaart te brengen of er bij [gedaagde 1] inbreuk is gemaakt op rechten van ABB. Volgens het eerste rapport van [persoon 4 en 5], gedateerd 10 mei 2012, was dat niet het geval. ABB heeft in september 2012 onder [gedaagde 1] beslag laten leggen op documentatie. Het lijkt hierbij te gaan om manuals en tekeningen van ABB die dateren van voor 29 juli 2009. Toen heeft het advocatenkantoor van mr. Moussault een tweede opdracht aan [persoon 4 en 5] verstrekt. In het tweede rapport, dat dateert van 2 november 2012, staat dat wél sprake was van verboden tekeningen. Het rapport vermeldt dat het 13 bijlagen heeft. [eiser 1] beschikt wel over het tweede rapport van [persoon 4 en 5], maar niet over de 13 bijlagen. [eiser 1] heeft bij e-mails van 8 juli 2014 en van 20 juli 2014 aan de curator en aan mr. Moussault verzocht om de 13 bijlagen aan hem te verstrekken, maar aan deze verzoeken is niet voldaan. [eiser 1] heeft recht op deze stukken, nu hij immers op grond daarvan aansprakelijk dreigt te worden gehouden. 3.3. De curator beroept zich op een procesadvies van mr. Moussault. Volgens dat advies zijn er op grond van de huidige stand van de jurisprudentie inzake bestuurdersaansprakelijkheid voldoende gronden voor een procedure tegen [eiser 1]. [eiseres 2] heeft op [gedaagde 1] een rentevordering van € 682.384,- alsmede een vordering van € 100.000,- aan verbeurde dwangsommen. Als crediteur in het faillissement van [gedaagde 1] heeft [eiseres 2] recht op dit advies. 3.4. Een hoge (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.