Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht Team Bestuursrecht 2 zaaknummers: ROT 14/1798 en ROT 14/2110 uitspraak van de meervoudige kamer van 24 november 2014 in de zaken tussen [eiser] gemachtigde: mr. J.J.M. Vrancken, en het College van Bestuur van [school], te [plaats], verweerder, gemachtigde: mr. S.A. Geerdink. Procesverloop Bij besluit van 17 september 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd. Bij besluit van 27 januari 2014 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit I op 7 maart 2014 beroep ingesteld (zaaknummer AWB 14/1798). Bij besluit van 22 januari 2014 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de aanstelling van eiser per 1 februari 2014 beëindigd wegens ongeschiktheid voor de functie, dan wel wegens gewichtige redenen bestaande uit een impasse die een succesvol functioneren in de weg staat. Eiser heeft met instemming van verweerder tegen het bestreden besluit II op 26 februari 2014 rechtstreeks beroep ingesteld (zaaknummer AWB 14/2110). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [a], voorzitter van het College van Bestuur en[b], adjunct directeur. Overwegingen 1.1 Eiser is door de rechtsvoorganger van verweerder in 1998 aangesteld als leraar aan [school] te [plaats] (de school). 1.2 Naar aanleiding van een melding van de externe vertrouwenspersoon dat eiser mogelijk betrokken is bij een zedendelict, heeft er op 31 mei 2013 een gesprek met eiser plaatsgevonden, waarvan een verslag is gemaakt. Bij besluit van 31 mei 2013 heeft verweerder eiser bij wijze van ordemaatregel geschorst. De school heeft aangifte gedaan bij de politie. 1.3 Eiser heeft op 12 juni 2013 in een schriftelijke reactie op de schorsing gemeld het met de schorsing niet eens te zijn en de aangevoerde gronden daarvoor te bestrijden. Voorts heeft eiser zich beschikbaar gesteld voor werk. Op 21 juni 2013 heeft er tussen verweerder en eiser een gesprek plaats gevonden, waarvan geen verslag is gemaakt. 1.4 Bij brief van 3 juli 2013 heeft verweerder het voornemen tot het opleggen van een disciplinaire sanctie, inhoudend een schriftelijke berisping, aan eiser verzonden. Daarbij is aan eiser de opdracht gegeven zich met ingang van 3 juli 2013 te onthouden van elk één‑op‑één‑contact met leerlingen op school en daarbuiten. Daarnaast dient eiser zich te houden aan de gedragscode 2013 van de medewerker op [school] (gedragscode). In deze gedragscode is onder meer vermeld dat de[medewerker] leerlingen op een prettige respectvolle wijze behandelt, maar niet als vrienden; dat hij zorgt voor een gezonde professionele afstand tot leerlingen, en dat hij vermenging voorkomt van privé en beroepsmatig handelen. 1.5 Bij besluit van 9 juli 2013 heeft verweerder de schorsing van eiser beëindigd. 1.6 Eiser heeft op 18 juli 2013 zijn zienswijze gegeven op het voornemen van 3 juli 2013. 1.7 Eiser heeft met ingang van 1 september 2013 zijn werkzaamheden weer hervat. Op verzoek van verweerder heeft eiser na ongeveer 1,5 week zijn werkzaamheden gestaakt en is hem betaald verlof verleend. 1.8 Vervolgens heeft verweerder op 17 september 2013 het besluit genomen eiser te berispen. 1.9 Bij brief van 27 september 2013 heeft eiser gemotiveerd betwist dat er sprake is van plichtsverzuim en heeft hij verweerder verzocht opnieuw te werk gesteld te worden. Na overleg tussen partijen heeft de gemachtigde van verweerder per e-mail, verzonden op 18 oktober 2013, aan de gemachtigde van eiser de mondelinge afspraak bevestigd over overplaatsing naar een andere locatie. 1.10 Bij brief van 29 oktober 2013 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. 1.11 Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de door verweerder op 7 november 2013 aan eiser voorgelegde concept-vaststellingsovereenkomst, het concept van het gezamenlijk communiqué voor de medewerkers van de school en het concept verbeterplan schooljaar 2013-2014. 1.12 Verweerder heeft eiser op 22 november 2014 telefonisch gemeld dat het Openbaar Ministerie geen aanleiding ziet om verder onderzoek te doen naar de aangifte tegen eiser. 1.13 Bij brief van 26 november 2013 heeft eiser de gronden van zijn bezwaar tegen het primaire besluit aangevuld. 1.14 Bij brief van 29 november 2013 heeft eiser gesteld geen reden meer te zien om mee te werken aan de tewerkstelling op een andere locatie of aan een verbetertraject. 1.15 Op 16 december 2013 heeft voornemen tot ontslag bekend gemaakt. 1.16 De hoorzitting in verband met het bezwaar tegen de berisping heeft op 18 december 2013 plaatsgevonden. 1.17 Vervolgens heeft verweerder op 22 januari 2014 het ontslagbesluit (bestreden besluit II) genomen. 1.18 De beslissing op bezwaar inzake de berisping heeft verweerder op 27 januari 2014 genomen (bestreden besluit I). De schriftelijke berisping 2. Aan het bestreden besluit I heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim door het onderhouden van privécontacten met een minderjarige leerling van de school, onder meer door het maken van een gezamenlijke reis naar de Verenigde Staten van Amerika, zonder dat de ouders daarbij aanwezig waren. Eiser heeft door zijn handelen de schijn van een niet-passende relatie gewekt, die een negatieve uitstraling heeft op de professionaliteit van eiser en op de school. 3. Volgens artikel 9.a.7, tweede lid, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs (de CAO VO) wordt onder plichtsverzuim verstaan het overtreden van de voor de werknemer geldende voorschriften, het niet nakomen van hem opgelegde verplichtingen, alsmede het doen of nalaten van datgene dat de werknemer bij een goede uitoefening van zijn functie behoort na te laten of te doen. 4. Eiser betoogt tevergeefs dat hij zich niet aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Het contact van eiser met de minderjarige leerling ging naar het oordeel van de rechtbank verder dan in het algemeen gebruikelijk is in een verhouding tussen leraar en minderjarige leerling, zoals met name blijkt uit het ondernemen van een gezamenlijke reis buiten Europa zonder de ouders van de minderjarige. Dat deze contacten voortkwamen uit de vriendschap van eiser met de moeder van de leerling maakt het ontstaan van dit contact wellicht verklaarbaar, maar doet niet af aan het ongebruikelijke karakter ervan. Eiser had gelet op het ongebruikelijke karakter van deze privécontacten verweerder in ieder geval over de gezamenlijke reis met de leerling moeten informeren, juist ter vermijding van de schijn van een niet-geoorloofde relatie. Voor een goede uitoefening van zijn functie was dit melden noodzakelijk, zoals eiser had kunnen en moeten begrijpen. Dat de ouders van de minderjarige leerling toestemming hadden gegeven voor de reis en op de hoogte waren van de overige privécontacten van eiser met de minderjarige leerling, zoals eiser stelt, leidt volgens de rechtbank niet tot een andere conclusie, nu eiser hierin ook een verantwoordelijkheid had jegens de school. Verweerder heeft terecht aan eiser verweten dat (mede) door het niet-melden van de privécontacten de schijn van een ongeoorloofde relatie is ontstaan. Eiser heeft nagelaten hetgeen hij als goed werknemer bij de uitoefening van zijn functie had behoren te doen, zodat verweerder terecht heeft geconstateerd dat er sprake is van plichtsverzuim. Gesteld noch gebleken is dat eiser daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Dat niet is gebleken van grensoverschrijdend gedrag in de relatie tot de leerling en dat de verdenking van een seksuele relatie naar eiser stelt slechts is ontstaan door een melding van een rancuneuze collega, doet niet af aan eisers verantwoordelijkheid om verweerder te informeren over de (voorgenomen) reis. Verweerder heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegd eiser disciplinair te straffen wegens plichtsverzuim en stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat een schriftelijke berisping evenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. 5. Hetgeen eiser overigens tegen het bestreden besluit I heeft aangevoerd, behoeft in dit licht geen bespreking. Het beroep tegen het bestreden besluit I is ongegrond. Het ontslag 6. Aan het bestreden besluit II heeft verweerder ten grondslag gelegd dat er sprake is van een impasse, nu uit de gronden van het bezwaar van 26 november 2013 en de brief van eiser van 29 november 2013 voortvloeit dat eiser meent dat het bij de uitoefening van zijn functie past (of geoorloofd
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.