vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/447360 / HA ZA 14-324 Vonnis van 4 februari 2015 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] , gevestigd te Zevenhuizen, eiseres, advocaat mr. A.C. van Campen, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde1] , gevestigd te Rotterdam, 2. [gedaagde2], wonende te [woonplaats], gedaagden, advocaat mr. P. van der Mersch. Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde1] en [gedaagde2] genoemd worden. [gedaagde1] en [gedaagde2] zullen gezamenlijk ook worden aangeduid als [gedaagden] 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 11 maart 2014, de conclusie van antwoord tevens voorwaardelijke incidentele vordering ex art. 843a Rv, de conclusie van antwoord in het incident, het proces-verbaal van comparitie van 29 september 2014, de brief van mr. Van Campen van 16 oktober 2014. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. In januari 2010 ontmoette [persoon1] - bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres] - in een café in Rotterdam [persoon2], bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap naar Zweeds recht RVA Holding AB (hierna: “RVA”). [persoon2] vertelde [persoon1] tijdens deze ontmoeting dat hij via RVA financiering zocht voor de participatie in de op handen zijnde beursgang van de vennootschap Greenvironment PLC, een vennootschap naar het recht van Groot-Brittannië. Omdat [persoon2] een zeer omvangrijk rendement in het vooruitzicht stelde, was de interesse van [persoon1] om te investeren gewekt. De volgende ochtend nam [persoon1] voor advies over de investering contact op met [gedaagde2], die werkzaam is bij het accountantskantoor [gedaagde1]. [eiseres] maakt al tientallen jaren gebruik van de diensten van [gedaagde1]. Kort na dit overleg vond op het kantoor van [gedaagde1] een bespreking plaats tussen onder andere [persoon1], [persoon2] en [gedaagde2]. 2.2. Hoewel [persoon2] [persoon1] aanvankelijk had voorgesteld een bedrag te investeren, kwamen partijen uiteindelijk overeen dat [eiseres] RVA ten behoeve van de koop van aandelen in Greenvironment PLC een kortlopende geldlening van € 250.000 zou vertrekken. In de kredietovereenkomst van 23 februari 2010 kwamen partijen overeen dat de lening uiterlijk 8 april 2010 volledig zou worden afgelost. [eiseres] zou bij verkoop van de met het krediet aangekochte aandelen recht hebben op 50% van de winst. Op de kredietovereenkomst werd Zweeds recht van toepassing verklaard en de Zweedse rechter werd als exclusief bevoegde instantie aangemerkt. Voorts werd afgesproken dat de aandelen die met het krediet zouden worden aangekocht op een derdenrekening van mr. Johndotter zouden worden geplaatst. 2.3. Tot zekerheid van terugbetaling van de geldlening stelden [persoon2] en zijn broer [persoon3] zich persoonlijk borg. In een aparte overeenkomst van 18 februari 2010 verstrekte RVA [eiseres] een pandrecht op de door haar in Greenvironment PLC gehouden aandelen. 2.4. Op 8 april 2010 vroeg RVA twee weken uitstel voor de terugbetaling van de geleende geldsom. Na het verstrijken van die termijn vroeg RVA nog diverse keren uitstel en werd zij door [eiseres] veelvuldig aan haar betalingsverplichting herinnerd, zonder dat dit tot betaling heeft geleid. Diverse pogingen van [eiseres] om de borgen te traceren en de schuld op hen te verhalen zijn, ook na inschakeling van een recherchebureau, op niets uitgelopen. 2.5. Bij brief van 12 juli 2013 stelde [eiseres] [gedaagde1] aansprakelijk voor schade die [eiseres] liidt als gevolg van het niet terugbetalen van de geldlening. 3Het geschil in de hoofdzaak 3.1. [eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I Te verklaren voor recht dat [gedaagden] ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens [eiseres] voor de door [eiseres] geleden schade; II [gedaagden] hoofdelijk - zodanig dat wanneer de één betaalt, ook de ander in zoverre zal zijn gekweten - te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag ad € 250.000 te vermeerderen met de advieskosten van [gedaagde1] ad € 7.333,75, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 8 april 2010, zijnde de datum dat de vordering opeisbaar is geworden, althans vanaf de dag der ingebrekestelling, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening van voornoemd bedrag, althans een zodanig bedrag en een zodanige rente als in goede justitie bepaald; III [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen aan [eiseres] te voldoen een bedrag ter zake buitengerechtelijke incassokosten van primair € 3.500, althans een bedrag van € 3.025, althans een in goede justitie te bepalen bedrag; IV [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten alsmede de nakosten. 3.2. [gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] met veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van [eiseres] in kosten van deze procedure. 4Het geschil in het incident 4.1. In het incident vorderen [gedaagden] veroordeling van [eiseres] tot afgifte van afschriften van alle aan [eiseres] c.q. [persoon1] c.q. de raadsman van [eiseres] gerichte afschriften van rapportages c.q. brieven c.q. berichten van IRS, Recherchebureau De Koter B.V., Ultrascan en/of andere direct of indirect door [eiseres] ingeschakelde bureaus en/of personen inzake: - de gang van zaken rond de door [personen 2 en 3]/RVA voorgenomen investering in Greenvironment (waaronder in het bijzonder ook de vraag wat mr. Johnsdotter/Grunberger Advocaten en RVA daadwerkelijk met het geleende bedrag hebben gedaan en met betrekking tot de vraag, of daadwerkelijk aandelen in Greenvironment zijn verworven door RVA), - de (mogelijke) aansprakelijkheid van de [personen 2 en 3], mr. Johnsdotter en/of Grunberger Advocaten en - de verhaalsmogelijkheden op RVA, aan RVA gelieerde ondernemingen, de [personen 2 en 3], mr. Johnsdotter c.q. haar erven c.q. haar assuradeuren en Grunberger Advocaten c.q. haar assuradeuren, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag of een gedeelte daarvan dat [eiseres] in gebreke blijft aan het te wijzen vonnis te voldoen, zulks met een maximum van € 250.000. 4.2. [eiseres] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de incidentele procedure. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5De beoordeling in de hoofdzaak 5.1. [eiseres] grondt haar vordering jegens [gedaagde1] op wanprestatie. Zij stelt dat [gedaagde1] bij de uitvoering van de adviesopdracht niet heeft gehandeld zoals in de gegeven omstandigheden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend accountant had mogen worden verwacht. Zij had als accountant moeten afzien van advisering over de juridische aspecten van de kredietovereenkomst en de in dat kader verstrekte zekerheden. In haar advisering heeft [gedaagde1] bovendien fouten gemaakt en heeft zij nagelaten [eiseres] op de grote financiële risico’s te wijzen. [gedaagde1] is daarmee tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de adviesovereenkomst en zij is aansprakelijk voor de hierdoor door [eiseres] geleden schade. De schade is gelijk aan het geleende bedrag (€ 250.000) aangezien [eiseres] bij een juiste advisering had afgezien van het verstrekken van een geldlening. Gelet op artikel 7:404 en artikel 6:162 BW is [gedaagde2] als uitvoerend accountant hoofdelijk aansprakelijk voor de als gevolg van de genoemde beroepsfouten geleden schade. Omdat [eiseres] de overeenkomst van opdracht op 12 juli 2013 heeft ontbonden, is volgens [eiseres] ook een ongedaanmakingsverbintenis ontstaan en dient [gedaagde1] de door [eiseres] betaalde facturen terug te betalen. 5.2. [gedaagden] voeren verweer. Volgens [gedaagden] zijn de vorderingsrechten van [eiseres] vervallen, in de eerste plaats op grond van de algemene voorwaarden van [gedaagde1] (op grond waarvan [eiseres] een gebrek op straffe van verval van alle rechten binnen dertig dagen na de ontdekking dient te reclameren) en in de tweede plaats op grond van de klachtplicht ex artikel 6:89 BW (op grond waarvan [eiseres] binnen bekwame tijd tegen de beweerdelijk onjuiste advisering bezwaar dient te maken). Voorts betwisten [gedaagden] dat zij bij de uitvoering van de adviesopdracht niet hebben gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur mag worden verwacht. Volgens [gedaagden] heeft [gedaagde2] [eiseres] wel degelijk vooraf voor de financiële risico’s van de investering gewaarschuwd en heeft hij bij de uitvoering van de adviesopdracht geen fouten gemaakt. Subsidiair voeren [gedaagden] aan dat er geen causaal verband bestaat tussen de beweerde beroepsfouten en de door [eiseres] geleden schade. Meer subsidiair voeren zij aan dat een eventuele schadevergoeding geheel of gedeeltelijk dient te worden gematigd nu de schade het gevolg is van omstandigheden die aan [eiseres] zelf kunnen worden toegerekend; ook heeft [eiseres] nagelaten haar schade te beperken. Om de hiervoor genoemde redenen is evenmin sprake van onrechtmatig handelen door [gedaagde2] op grond van artikel 6:162 en 7:404 BW. In de algemene voorwaarden is bovendien de toepasselijkheid van artikel 7:404 BW uitgesloten. 5.3. Niet in geschil is dat tussen [gedaagde1] en [eiseres] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde1] is tekortgeschoten in de nakoming van deze overeenkomst, komt het aan op de vraag of [gedaagde1] in de gegeven omstandigheden heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur mag worden verwacht. De stelplicht en bewijslast ter zake dit punt rust op [eiseres]. Indien die vraag negatief moet worden beantwoord, is sprake van een beroepsfout en is [gedaagde1] aansprakelijk voor de door [eiseres] als gevolg daarvan geleden schade. Indien niet komt vast te staan dat [gedaagde1] niet heeft gehandeld als redelijk handelend en redelijk bekwaam adviseur, zal de vordering tegen haar worden afgewezen. Aangezien voor de beoordeling van de vordering jegens [gedaagde2] ook de toetsingsmaatstaf van een redelijk handelend en redelijk bekwaam adviseur geldt, zal de vordering tegen [gedaagde2] in dat geval evenmin toewijsbaar zijn. 5.4. Voor de stelling dat bij de uitvoering van de adviesopdracht beroepsfouten zijn gemaakt, geeft [eiseres] de navolgende onderbouwing:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.