← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2015:2510

Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 1 zaaknummer: ROT 14/5417 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2015 in de zaak tussen [eiseres] , te [vestigingsplaats], eiseres, gemachtigde: mr. D. op de Hoek, en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder, gemachtigde: mr. F.W. Jansen. Procesverloop Bij besluit van 1 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van[belanghebbende] tegen het besluit van 10 januari 2014 (het primaire besluit), waarbij een boete van € 1.200,00 is opgelegd wegens overtreding van de Tabakswet in [bedrijf], gevestigd op het[locatie bedrijf], ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart

  1. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en R.A. Schouten. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar heeft gemaakt.
  3. Uit de stukken is de rechtbank gebleken dat verweerder het voornemen tot oplegging van een boete wegens overtreding van de Tabakswet in [bedrijf] heeft geadresseerd en toegezonden aan[belanghebbende]. Namens deze B.V. is door de gemachtigde een zienswijze ingediend, waarbij bij ‘Inzake’ is vermeld “[bedrijf] / Voedsel- en Warenautoriteit”. Het primaire besluit is eveneens gericht aan [belanghebbende]. De gemachtigde van eiseres heeft namens [belanghebbende] bezwaar gemaakt. Hierbij is bij ‘Inzake’ wederom vermeld “[bedrijf] / Voedsel- en Warenautoriteit”. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat [bedrijf] een handelsnaam is van [belanghebbende]. Verweerder heeft het bestreden besluit gericht aan de gemachtigde en daar in gesteld dat de gemachtigde namens [bedrijf] bezwaar heeft gemaakt.
  4. Niet is gebleken dat eiseres belanghebbende is bij het besluit tot boeteoplegging aan [bedrijf]. Immers eiseres is niet de rechtspersoon waartoe [bedrijf] behoort. Evenmin is gesteld of gebleken dat door eiseres bezwaar is gemaakt tegen het primaire besluit. Gelet hierop kan door eiseres geen beroep worden ingesteld tegen het bestreden besluit.
  5. De stelling van eiseres dat bedoeld is om namens [belanghebbende] beroep in te stellen en dat het pro forma beroepschrift ook zo gelezen kan worden nu zowel eiseres als [belanghebbende] in beroep komen tegen de ‘op hen van toepassing zijnde besluiten’, leidt de rechtbank niet tot een andere conclusie. In het pro forma beroepschrift zijn drie besluiten van verweerder van 1 juli 2014 genoemd waartegen door twee verschillende eiseressen, te weten [eiseres] en [belanghebbende], beroep wordt ingesteld. Ten aanzien van twee van de genoemde besluiten wordt in het pro forma beroepschrift gesteld dat het bezwaar van eiseres als cliënte, gericht tegen een primair besluit van 10 januari 2014 en 24 januari 2014, ongegrond is verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank moet het pro forma beroepschrift aldus gelezen worden dat beroep wordt ingesteld door de cliënte, vermeld bij de omschrijving van het bestreden besluit, en dat is in dit geval dus eiseres. De rechtbank betrekt hier ook bij dat indien de redenering van eiseres wordt gevolgd, het door deze wijze van indienen van beroep de taak van de rechtbank zou worden te onderzoeken welke eiseres tegen welk besluit beoogd beroep in te stellen, terwijl in artikel 6:5 van de Awb onder meer is bepaald dat het beroepschrift ten minste de naam en adres van de indiener en de omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht bevat.
  6. Met betrekking tot het bestreden besluit heeft eiseres als enige grief naar voren gebracht dat verweerder een onjuiste benaming heeft gebruikt door de stellen dat namens [bedrijf] bezwaar is gemaakt. Niet valt uit te sluiten dat deze zin in het bestreden besluit tot verwarring bij [belanghebbende], eiseres of haar gemachtigde heeft geleid. De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze verwarring door [belanghebbende] bij monde van de gemachtigde is veroorzaakt dan wel in de hand is gewerkt door zowel in de zienswijze als in het bezwaarschrift te vermelden dat het onderwerp “[bedrijf] / Voedsel- en Warenautoriteit” is. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat verweerder in het bestreden besluit consequent [bedrijf] als bezwaarmaker noemt bij het verloop van de procedure, zodat voor eiseres, haar gemachtigde en/of [belanghebbende] duidelijk had moeten zijn dat bedoeld werd het bezwaar van [belanghebbende]. In het gegeven dat verweerder in het bestreden besluit een kennelijke verschrijving heeft gemaakt, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat het verweerder te verwijten is dat de verkeerde rechtspersoon beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit.
  7. Gelet op het vorenstaande dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, rechter, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april
  9. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.