Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/995518-13 Datum uitspraak: 23 april 2015 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor economische strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon: [verdachte rechtspersoon], gevestigd: [vestigingsadres], [vestigingsplaats], ter terechtzitting vertegenwoordigd door [naam directeur], directeur van de verdachte rechtspersoon, raadsman mr. F. Schneider, advocaat te Bussum. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 april 2015. TENLASTELEGGING Aan de verdachte rechtspersoon is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. EIS OFFICIER VAN JUSTITIE De officier van justitie mr. L.W. Boogert heeft gerekwireerd tot: - bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde in de opzetvariant; - veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 20.000,--, waarvan € 10.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. MOTIVERING VRIJSPRAAK Namens de verdachte rechtspersoon heeft de raadsman bepleit dat de verdachte rechtspersoon moet worden vrijgesproken van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het door de officier van justitie aan de verdachte rechtspersoon gestelde verwijt op een verkeerde grondslag is gebaseerd. Het bepaalde in artikel 6, derde lid, van de Verordening (EG) nr. 1774/2002 (hierna: de Verordening), beoogt een regeling te bieden voor de activiteiten die plaatsvinden in intermediaire categorie 3-bedrijven waarin het betrokken materiaal, in casu het vossenvet, tussentijds wordt gehanteerd of tijdelijk wordt opgeslagen. Deze bepaling ziet bijgevolg niet op het afgeven van het vossenvet, aan een niet ex artikel 10 van genoemde Verordening erkend bedrijf. De rechtbank stelt vast dat de verdachte rechtspersoon een intermediair categorie 3-bedrijf is dat overeenkomstig artikel 10 van de Verordening is erkend. Aan haar wordt verweten dat zij meermalen in strijd met artikel 6, derde lid van de Verordening, categorie 3-materiaal, te weten vossenvet, heeft afgegeven aan een bedrijf dat die erkenning niet heeft. De rechtbank volgt de raadsman in zijn betoog dat de afgifte van vossenvet door de verdachte rechtspersoon aan [naam rechtspersoon], ook al is dat bedrijf niet overeenkomstig artikel 10 van de Verordening erkend, geen overtreding oplevert van artikel 6, derde lid van de Verordening. In artikel 6, derde lid, van de Verordening is bepaald dat tussentijds hanteren of tijdelijk opslaan van categorie 3-materiaal uitsluitend mag geschieden in intermediaire categorie 3-bedrijven die overeenkomstig artikel 10 zijn erkend. Voor zover de afgifte van het vossenvet is aan te merken als het hanteren daarvan, heeft dit binnen de inrichting van de verdachte rechtspersoon plaatsgevonden en valt daarmee onder haar erkenning. Na afgifte van het vossenvet is de ontvanger, [naam rechtspersoon], aan te wijzen als verantwoordelijke om te voldoen aan de eisen die overeenkomstig de Verordening worden gesteld aan het hanteren en opslaan van het categorie 3- materiaal. Dat [naam rechtspersoon] daaraan niet voldoet kan in dit geval aan de verdachte rechtspersoon niet worden verweten met een beroep op artikel 6, derde lid, van de Verordening. De verdachte rechtspersoon zal daarom worden vrijgesproken van de aan haar onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten. BESLISSING De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte rechtspersoon de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door: mr. M.C. Franken, voorzitter, en mrs. N. Doorduijn en H. de Doelder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Lemm, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 april 2015. De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage bij vonnis van 23 april 2015. TEKST TENLASTELEGGING Aan de verdachte rechtspersoon wordt ten laste gelegd dat 1. zij op of omstreeks 20 februari 2009, in elk geval in de maand februari 2009, te Elsendorp, althans Lexmond, in elk geval in Nederland, opzettelijk, in strijd heeft gehandeld met een of meer bij de Regeling dierlijke bijproducten 2008 aangewezen voorschrift(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.