vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/462080 / HA ZA 14-1070 Vonnis van 24 juni 2015 in de zaak van [curator] in hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiser], wonende te Rotterdam, eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. E. Elenbaas, tegen 1 [gedaagde1], wonende te Rotterdam, 2. [gedaagde2], wonende te Rotterdam, gedaagden in conventie, eisers in reconventie, advocaat mr. M.A.T Schroots. Partijen zullen hierna de Curator en (gedaagden gezamenlijk) [gedaagden] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 18 februari 2015; de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende wijziging van eis; het proces-verbaal van comparitie van 24 april 2015. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast. 2.1. De heer [eiser] (hierna: [eiser]) had een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, Thuiszorg Multicare. [eiser] is bij vonnis van 17 juni 2014 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de Curator tot curator. 2.2. In een document, getiteld “Schuldbekentenis Lening” (hierna: de schuldbekentenis), op 5 september 2013 ondertekend door [eiser] en de heer [gedaagde1] (hierna: [gedaagde1]), staat onder meer: “Hierbij verklaar ik [[gedaagde1]] dat ik van [[eiser]] een bedrag van € 50.000 heb geleend ten behoeve van een zakelijke overeenkomst en dat wordt overeengekomen dat terugbetaling zo spoedig mogelijk zal plaats vinden doch uiterlijk bij verkoop van de woning aan de [adres].” 2.3. De heer [gedaagde2] (hierna: [gedaagde2]) heeft op 13 september 2013 een overeenkomst gesloten met de heer Baser, strekkende tot de koop door [gedaagde2] van Baser van een café aan de [adres2] te Rotterdam voor een koopprijs van € 65.000. 2.4. In een document, getiteld “Overeenkomst van geldlening”, op 8 oktober 2013 ondertekend door [gedaagde1] (in het document aangeduid als geldverstrekker) en [gedaagde2] (in het document aangeduid als geldlener), staat onder meer: “Geldlener wil het cafébedrijf ‘Cafe Beukelsbrug’ gevestigd aan de [adres2] 9 te Rotterdam overnemen voor het bedrag van € 65.000,00 Geldverstrekker zal dit financieren. Onder de volgende voorwaarden en bedingen: 1. Op datum ondertekening van deze overeenkomst zal geldverstrekker het bedrag van € 50.000,00 contant aan geldlener overgedragen, die verklaart het te hebben ontvangen 2. Geldlener zal een rentevergoeding aan verkoper betalen van 9 % per jaar 3. De terugbetaling zal geschieden door maandelijks de helft van de nettowinst van het cafebedrijf aan geldlener te betalen totdat het geleende bedrag met rente zal zijn afgelost 4. De (terug) betaling van het geleende bedrag met rente dient te geschieden uiterlijk op 31.12.2014 5. Indien de terugbetalingsverplichting niet uiterlijk op 31.12.2014 zal hebben plaatsgevonden, zal geldlener aan geldverstrekker een eenmalige boete betalen van € 5.000,00 en zal over het restant een rentevergoeding worden betaald van 15 % 6. De geleende som of restant daarvan is zonder enige schriftelijke ingebrekestelling onmiddellijk opeisbaar indien er sprake is van: - overlijden/faillissement/toepassing schuldsanering/aanvraag om surseance van betaling / executoriale of conservatoire inbeslagneming van de woninginboedel / bedrijfsinventaris / auto van geldlener. - Niet nakomen van een termijnbetaling langer dan 14 dagen.” 2.5. In oktober 2013 heeft de politie een inval gedaan in de woning van [gedaagde2]. Daarbij is onder meer € 50.000 in contanten aangetroffen in het bankstel van [gedaagde2]. Het geld is in beslag genomen door het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft het geld overgemaakt aan de Ontvanger van de belastingdienst in verband met een aan [gedaagde2] opgelegde voorlopige aanslag. Inmiddels staat vast dat die aanslag ten onrechte is opgelegd, zodat de Ontvanger het geld aan [gedaagde2] moet terugbetalen. De Curator heeft ten laste van [gedaagde2] beslag doen leggen op de vordering die [gedaagde2] in dit kader op de Ontvanger heeft. 2.6. [gedaagde1] en [eiser] zijn door de politie gehoord over de herkomst van het bij [gedaagde2] aangetroffen bedrag. Zij hebben onder meer verklaard: ([gedaagde1]) “Aan de verdachte, [gedaagde1], wordt een overeenkomst van een geldlening getoond waaruit blijkt dat hij 50.000,= Euro heeft geleend aan [[gedaagde2]]. Vervolgens worden de volgende vragen gesteld aan de verdachte, [gedaagde1]: Bij het tonen van de overeenkomst verklaarde de verdachte: ‘dat ziet er bekend uit.’ V: Van wie is de handtekening op de overeenkomst? A: De handtekening naast mijn naam is mijn handtekening, V: Waarvan kent u [gedaagde2]? A: lk ken eigenlijk zijn vader, lk had vroeger een schoenenwinkel op de [adres3]. Zijn vader kwam toen regelmatig bij zaak. Verder ken ik hem van het uitgaanscircuit, van onder andere St. Tropez te Rotterdam. [gedaagde2] is daar portier geweest. V: Wat is uw relatie met Erdern? A: Niets. Hij wilde een café overnemen en vroeg aan mij of ik 50.000 Euro kon regelen. Ik heb uitvoerig met hem gesproken en overleg gehad over de zekerheden en de condities, Daarna heb ik besloten het geld voor hem te regelen. V: Wie heeft de overeenkomst opgesteld? A: De overeenkomst heb ikzelf opgesteld. V: Welke personen zijn er nog meer betrokken bij deze lening, buiten de personen op de leenovereenkomst? A: Een zakelijk contact van mij, meneer [eiser]. Ik ken hem vrij goed, want we zien elkaar ook privé. Meneer [eiser] heeft een bedrijfje dat heet Thuiszorg Multicare In Rotterdam. V: In welke hoedanigheid is meneer [eiser] betrokken bij de lening van 50.000 euro? A: Meneer [eiser] heeft het geld, dus de lening van 50.000 Euro beschikbaar gesteld. Ik fungeer bij deze lening namelijk als intermediair bij het verstrekken van krediet.(…) V: Wanneer heeft [gedaagde2] het geld, 50.000,= Euro gekregen? A: Het bedrag is in termijnen uitbetaald aan [gedaagde2], omdat meneer [eiser] dit zo wilde hebben. V: In hoeveel termijnen is het geld aan [gedaagde2] verstrekt? A: ik moet het nakijken, maar ik geloof in 6 of 7 termijnen. V: En zijn de termijnen gelijk geweest? A: Weet ik niet. De heer [eiser] heeft het geld gewoon van zijn rekening opgenomen en via mij in verschillende termijnen contant uitbetaald aan [gedaagde2]. Dit was ook zijn voorkeur. V: Op welke wijze is het geldbedrag van 50.000,= Euro uitbetaald/verstrekt aan [gedaagde2]? A: De uitbetaling van het geld aan [gedaagde2] is daadwerkelijk via mij gelopen. lk kreeg het geld contant van meneer [eiser] en vervolgens gaf ik het ook contant aan Engin [gedaagde2]. (…) V: Tegen welke condities is de lening aan [gedaagde2] verstrekt (onderpand ed.)? A: De rente, de inventaris en voorraad van het café wat [gedaagde2] wil overnemen alsook de woninginboedel en de auto van de geldlener zonder rechtelijke machtiging. [gedaagde2] is nog geen eigenaar van het café wat hij van plan is over te nemen. V: Waarom verstrekt u dan toch een lening van 50.000 Euro op basis van iets wat [gedaagde2] nog [niet] heeft? A: Omdat er een mondelinge overeenkomst was van overname van het café Beukelsbrug, tussen [gedaagde2] en de eigenaar van het café. Maar nu zie ik inderdaad dat het niet een keiharde zekerheid is. V: Waarom neemt u zo een groot risico? A: Wat moet ik daarop zeggen. Het is gebeurd. Mijn inschatting was dat het niet een zo groot risico was en ik ken zijn vader als een zeer betrouwbaar iemand. (…) V: Heeft u ook een overeenkomst met meneer Bárros over de lening van 50.000 Euro aan [gedaagde2]? A: Ja, ik heb met meneer [eiser] een overeenkomst over deze lening. Dit betreft een heel summiere overeenkomst van ongeveer vier regels waarin staat dat hij het geld beschikbaar heeft gesteld. (…) V: Tegen welke condities (onderpand) heeft u de lening gekregen van meneer [eiser]? A: Wij hebben mijn huis als onderpand genomen met betrekking tot deze lening. (…) V: Heeft u nog andere inkomsten? A: Nee. V: Maar u heeft toch inkomsten uit de rente van de lening van 50.000,= Euro aan [gedaagde2]? A: Nee, de inkomsten uit rente gaan naar [eiser]. lk heb slechts 200 Euro gekregen met betrekking tot deze lening.” ([eiser]) “V: [gedaagde1] heeft verklaard dat u geld aan hem hebt geleend. Hoe groot is dit geldbedrag? A: Ja, dat klopt. Ik heb [[gedaagde1]] 50.000 euro geleend. V: Heeft u voor deze lening een overeenkomst opgesteld en ondertekend met [gedaagde1]? A: Ja, want [[gedaagde1]] heeft een overeenkomst opgemaakt waarin staat dat ik hem 50.000 Euro leen tegen een rente van 9% per jaar. De overeenkomst zowel door mij als [betokkene1] opgemaakt. (…) V: Wie hebben een exemplaar van de overeenkomst en uit hoeveel pagina's bestaat de overeenkomst? A: Zowel [[gedaagde1]] als ik hebben een overeenkomst. De overeenkomst bestaat uit 1 pagina. (…) V: Wat hebben jullie allemaal opgenomen in de leenovereenkomst van de lening van 50.000,= Euro? A: ik heb de overeenkomst niet bij me en ik ken het niet uit mijn hoofd. Het was voor mij ook niet zo belangrijk om vragen te stellen aan [[gedaagde1]], want ik ken hem al lang en te goed. Ik vertrouw hem. Ik kreeg verder een goede rente, 9%. Waar krijg je tegenwoordig 9%. (…) V: Wanneer heeft [[gedaagde1]] het geld, 50.000,= Euro gekregen? A: lk heb het geldbedrag in delen aan [[gedaagde1]] gegeven. Dit varieerde in bedragen van 5.000 en 10.000 Euro. (…) V: Op welke wijze is het geldbedrag van 50,000,= Euro uitbetaald/verstrekt aan [gedaagde1]? A: Ik heb het geld contant gegeven aan [[gedaagde1]]. (…) V: Tegen welke condities is de lening aan [[gedaagde1]] verstrekt (onderpand ed.)? A: Als onderpand dient de woning van [[gedaagde1]] (…) V: Waarom neemt u zo een groot risico door zo een groot geldbedrag uit te lenen? A: Ik zie het niet als risico. Ik ken [[gedaagde1]] en weet dat ik het geld terug krijg. (…) V: Heeft [[gedaagde1]] al afgelost op de lening van 50.000 Euro? A: Nee. V: Wat is de einddatum van de overeenkomst (datum van aflossing)? A: weet ik niet. V: Stond wel een aflosdatum in de leenovereenkomst genoemd? A: Zou ik niet durven zeggen. V: Zij er sancties opgenomen in de leenovereenkomst bij niet voldoen aan betalingsverplichting? A: Nee. V: Wat heeft [[gedaagde1]] verteld over het doel van de lening van 50.000 Euro? A: Hij zei het was om iemand te helpen die een bar wilde overnemen. (…)” 2.7. Per brief van 22 september 2014 heeft de Curator [gedaagde1] gesommeerd een bedrag van € 50.000 over te maken op de boedelrekening. Hierop heeft [gedaagde1] de Curator (per brief van 24 september 2014) onder meer geschreven: “Met verbazing heb ik uw brief van 22 september 2014 gelezen inzake een lening aan mij van de heer [eiser]. Wat mij betreft is er helemaal geen sprake meer van een lening aan mij en voor zover er sprake is van geldleningen tussen de heer [eiser] en mij zijn deze reeds in mei 2014 verrekend en is dit schriftelijk vastgelegd. Wel is het zo dat ik destijds als tussenpersoon een schuldbekentenis heb getekend ter zekerheidstelling voor de investering van de heer [eiser]. In het verleden heb ik de heer [eiser] meerdere malen geholpen om zijn bedrijf overeind te houden en ten behoeve van dat doel gelden beschikbaar gesteld soms ging dat in contanten en soms via de Bank. (…)” Bijlage bij de brief is een document, gedateerd 31 mei 2014 en ondertekend door [eiser], waarin staat: “Beste [betokkene1] Hierbij de verrekening van de over en weer geleende gelden als afrekening van de lening ten behoeve van de aankoop café beukelsbrug. Ik Nilton [eiser] (…) verklaar hierbij dat na jouw recente betaling wij over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben en dat de uitstaande schulden tussen jou en mij hiermee zijn verrekend. Nogmaals dank voor de bemiddeling.” 2.8. De Curator heeft beslag doen leggen ten laste van [gedaagde1] onder [gedaagde2], op de vordering die [gedaagde1] op [gedaagde2] heeft. 3Het geschil in conventie 3.1. De Curator vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: primair: - voor recht verklaart dat de Curator een vordering op [gedaagde1] heeft van € 50.000, vermeerderd met 9% rente per jaar vanaf 5 september 2013; - voor recht verklaart dat de Curator een vordering op [gedaagde2] heeft van € 50.000, vermeerderd met 9% rente per jaar vanaf 8 oktober 2013; - [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de Curator van € 50.000, vermeerderd met 9% rente per jaar vanaf 8 oktober 2013; subsidiair: - de tussen [eiser] en [gedaagde1] gesloten geldleningsovereenkomst vernietigt; - voor recht verklaart dat de Curator een vordering op [gedaagde1] heeft van € 50.000; - voor recht verklaart dat de Curator een vordering op [gedaagde2] heeft van € 50.000; - [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de Curator van € 50.000; met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten, inclusief de beslagkosten. 3.2. [gedaagden] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de Curator bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente. [gedaagden] meent dat de Curator daarbij moet worden veroordeeld tot betaling aan iedere gedaagde afzonderlijk van een voor iedere gedaagde afzonderlijk te begroten bedrag aan proceskosten. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.4. [gedaagde2] vordert – samengevat – opheffing van het door de Curator gelegde conservatoir beslag op de vordering van [gedaagde2] op de Ontvanger van de belastingdienst, alsmede veroordeling van de Curator tot betaling van € 6.195,90, vermeerderd met contractuele rente van 15% en kosten. 3.5. [gedaagde1] vordert – samengevat – opheffing van het door de Curator gelegde beslag op de vordering van [gedaagde1] op [gedaagde2], alsmede veroordeling van de Curator tot betaling van de rente van 2% over € 50.000 vanaf 26 september 2014, vermeerderd met kosten. 3.6. De Curator voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten. 3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.1. De Curator heeft zijn eis ter comparitie gewijzigd. [gedaagden] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis. Nu de rechtbank de eiswijziging ook ambtshalve niet in strijd acht met de beginselen van een goede procesorde, zal zij recht doen op de aldus gewijzigde (hierboven onder 2. weergegeven) eis. 4.2. De vordering tegen [gedaagde1] is (primair) gebaseerd op nakoming; de Curator vordert terugbetaling van het door [eiser] aan [gedaagde1] uitgeleende bedrag. Voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat de vordering van de Curator op [gedaagde1] uit hoofde van de leningsovereenkomst niet opeisbaar is, vordert de Curator vernietiging van de leningsovereenkomst op grond van de pauliana. De Curator grondt zijn vordering tegen [gedaagde2] op ongerechtvaardigde verrijking. Hij stelt daartoe dat [gedaagde2] – via [gedaagde1] – geld van [eiser] heeft geleend voor de aankoop van een café, dat het café niet is of zal worden overgenomen en dat daarmee [gedaagde2] ten koste van [eiser] is verrijkt met een bedrag van € 50.000. De Curator heeft ten aanzien van [gedaagde2] (subsidiair) betoogd dat sprake is van een schijnconstructie, waarbij [eiser] op onrechtmatige wijze € 50.000 heeft onttrokken aan zijn eenmanszaak Thuiszorg Multicare, en dat [gedaagde2] niet mag profiteren van deze onrechtmatige gedraging. Ten slotte heeft de Curator betoogd dat voor zover [gedaagde1] zijn verplichtingen jegens [eiser] niet nakomt (terugbetaling van de lening), de Curator krachtens 7:421 BW bevoegd is zijn rechten uit de overeenkomst met [gedaagde1] jegens [gedaagde2] uit te oefenen. 4.3. Ten aanzien van [gedaagde1] wordt het volgende overwogen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [eiser] € 50.000 heeft uitgeleend aan [gedaagde1]. In geschil is (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.