Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: ROT 14/8254 uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juli 2015 in de zaak tussen [eiseres] h.o.d.n. [handelsnaam], wonend te Enschede, eiseres, en Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM), verweerster, gemachtigden: mr. F.E. de Bruijn en mr. J.A. Nijland. Procesverloop Bij besluit van 20 januari 2014 (het primaire besluit) heeft de AFM een aanvraag van [eiseres] om verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:80, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft), afgewezen. Bij besluit van 15 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft de AFM het door [eiseres] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [eiseres] beroep ingesteld bij de rechtbank. De zaak is op 28 mei 2015 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld. [eiseres] is ter zitting verschenen. Namens de AFM zijn verschenen haar gemachtigden, vergezeld door E.A. van der Reijden MSc, werkzaam bij de AFM. Overwegingen 1.1. [eiseres] is eigenaar, feitelijk leidinggevende en beleidsbepaler van [handelsnaam], een eenmanszaak waarvoor zij op 25 mei 2013 een aanvraag heeft ingediend voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:80, eerste lid, van de Wft voor het bemiddelen in financiële producten. 1.2. [eiseres] is in het verleden werkzaam geweest voor [bedrijf 1], [bedrijf 2] en [bedrijf 3], welke ondernemingen bij besluiten van achtereenvolgens [datum 2], [datum 3] en [datum 4] door de AFM zijn beboet wegens overtreding van artikel 4:23, eerste lid, van de Wft. Voorts is [eiseres] werkzaam geweest voor [bedrijf 4], welke onderneming bij brief van [datum 1] door de AFM - wegens het niet voeren van een adequaat beleid dat een integere uitoefening van het bedrijf en/of een integere en beheerste bedrijfsvoering waarborgt - het voornemen tot intrekking van haar vergunning kenbaar is gemaakt, naar aanleiding waarvan deze onderneming - naar de rechtbank begrijpt - haar werkzaamheden heeft gestaakt. 2. Na op 13 september 2013 het voornemen daartoe aan [eiseres] kenbaar te hebben gemaakt en kennis te hebben genomen van de schriftelijke (4 oktober 2013) en mondelinge (9 oktober 2013) zienswijze van [eiseres] daarop, heeft de AFM de vergunningaanvraag bij het - bij het bestreden besluit gehandhaafde - primaire besluit afgewezen, omdat [eiseres], gezien haar (feitelijk) leidinggevende positie binnen voormelde ondernemingen ten tijde van de gesanctioneerde gedragingen, niet voldoet aan het vereiste van geschiktheid als bedoeld in artikel 4:9, eerste lid, van de Wft waaraan zij als beleidsbepaler van [handelsnaam] moet voldoen, zodat niet is aangetoond dat zal worden voldaan aan de in artikel 2:83, eerste lid, van de Wft neergelegde voorwaarden voor verlening van de verzochte vergunning. Het in het voornemen ingenomen standpunt dat de betrouwbaarheid van [eiseres] niet buiten twijfel staat, heeft de AFM niet gehandhaafd in het primaire besluit. 3.1. Op grond van artikel 2:80, eerste lid, van de Wft is het verboden in Nederland zonder een daartoe door de AFM verleende vergunning te bemiddelen. Op grond van artikel 2:83, eerste lid, van de Wft verleent de AFM op aanvraag een vergunning als bedoeld in artikel 2:80, eerste lid, indien de aanvrager aantoont dat zal worden voldaan aan het bepaalde ingevolge: a. artikel 4:9, eerste tot en met derde lid, met betrekking tot de geschiktheid en vakbekwaamheid van de in dat artikel bedoelde personen; (…). Op grond van artikel 4:9, eerste lid, van de Wft wordt het dagelijks beleid van een financiëledienstverlener bepaald door personen die geschikt zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van de financiële onderneming. 3.2. Volgens onderdeel 1.2.1 van de Beleidsregel geschiktheid 2012 (de Beleidsregel) bestaat geschiktheid uit kennis, vaardigheden en professioneel gedrag. De geschiktheid van een beleidsbepaler blijkt in ieder geval uit de opleiding, werkervaring en competenties van de beleidsbepaler en de doorlopende toepassing hiervan. Beleidsbepalers dienen geschikt te zijn met betrekking tot de volgende onderwerpen: A. Bestuur, organisatie en communicatie, waaronder het aansturen van processen, taakgebieden en medewerkers, het naleven en handhaven van algemeen aanvaarde sociale, ethische en professionele normen, waaronder het tijdig, juist en duidelijk informeren van klanten en de toezichthouder; B. Producten, diensten en markten waarop de onderneming actief is, inclusief relevante wet- en regelgeving en financiële (en actuariële) aspecten; C. Beheerste en integere bedrijfsvoering, waaronder de administratieve organisatie en interne controle, de waarborging van geschiktheid en vakbekwaamheid binnen een onderneming, de zorgvuldige behandeling van klanten, het risicomanagement, compliance en de uitbesteding van werkzaamheden; en D. Evenwichtige en consistente besluitvorming, waarbij onder meer de belangen van klanten en andere stakeholders een centrale positie innemen. Volgens onderdeel 1.6.1 van de Beleidsregel en de toelichting daarop neemt de toezichthouder bij het toetsen van geschiktheid van een beleidsbepaler informatie en antecedenten met betrekking tot geschiktheid in aanmerking. Onder dergelijke informatie en antecedenten worden in ieder geval verstaan toezichtinformatie- en antecedenten, waaronder formele en informele toezichtmaatregelen, zoals een normoverdragend gesprek en een voornemen tot het nemen van een formele maatregel. Als een beleidsbepaler wisselt van functie of onderneming dan kan de toezichthouder bij de toetsing voor de nieuwe functie gebruik maken van de toezichtinformatie die is ontstaan gedurende het uitoefenen van zijn of haar vorige functie. Volgens onderdeel 1.7 van de Beleidsregel betrekt de toezichthouder bij de weging van de in onderdeel 1.6 genoemde informatie en antecedenten de volgende factoren: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.