RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 3327046 MB VERZ 14-908 en 3023144 MB VERZ 14-522 cjib-nummer: [CJIB-nummer] registratienummer: BS6796 uitspraak: 30 januari 2015 beslissing van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht, ex artikel 13 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) in de zaak van: betrokkene: *** gemachtigde: *** 1Het verloop van de procedure De initiële beschikking Bij initiële beschikking van 13 maart 2013 is aan betrokkene een sanctie opgelegd van € 51,00, vermeerderd met € 7,00 administratiekosten, ter zake van “overschrijding van de maximum snelheid binnen de bebouwde kom”, begaan op 9 januari 2013 om 12:23 uur te Alblasserdam aan de Edisonweg (feitcode VA008). Administratief beroep Tegen deze beschikking is betrokkene op 4 april 2013 bij de officier van justitie in beroep gekomen. De officier van justitie heeft betrokkene in de gelegenheid gesteld de gronden van zijn beroep aan te vullen. Betrokkene heeft hierop niet gereageerd. De officier van justitie heeft het beroep van betrokkene bij beslissing van 21augustus 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Beroep bij de kantonrechter Tegen deze beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene op 27 augustus 2013 beroep aangetekend. Verzoek tot herziening Betrokkene heeft bij brief van 9 oktober 2013 de officier van justitie verzocht de initiële beschikking te vernietigen wegens het overschrijden van de termijn voor het doorzenden van het beroepschrift aan de kantonrechter. Ingebrekestelling en aanzegging dwangsom Bij brief van 5 december 2013 heeft betrokkene de officier van justitie in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek. De officier van justitie heeft bij brief van 13 december 2013 aangegeven geen reden te zien om de beschikking te vernietigen. Daarnaast heeft hij zich op het standpunt gesteld geen dwangsom verschuldigd te zijn. Het verzoek tot vaststelling van een dwangsom Betrokkene heeft op 22 januari 2014 tegen deze beslissing bezwaar aangetekend. De officier van justitie heeft het bezwaar bij beslissing van 24 januari 2014 ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft betrokkene op 8 februari 2014 beroep aangetekend. De zaak is behandeld op de openbare zitting van 13 oktober 2014, waar namens de officier van justitie de CVOM-vertegenwoordiger is verschenen. Betrokkene is, hoewel behoorlijk opgeroepen niet verschenen. 2Het standpunt van de betrokkene Het beroep bij de officier van justitie Betrokkene heeft in zijn beroepschrift bij de officier van justitie verzocht om overlegging van verschillende stukken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. Daarnaast heeft hij aangevoerd het niet eens te zijn met de opgelegde administratiekosten. Het beroep bij de kantonrechter In zijn beroepschrift bij de kantonrechter heeft hij aangevoerd dat de officier van justitie een beslissing heeft genomen zonder dat hij in de gelegenheid is gesteld om de gronden van zijn beroep aan te vullen. Voorts heeft hij aangevoerd dat de officier van justitie hem op grond van artikel 7:16 lid 1 Awb had moeten horen. Bovendien heeft de officier van justitie in zijn beslissing niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij tot zijn beslissing is gekomen. De beslissing is volgens betrokkene dan ook niet deugdelijk gemotiveerd. Het verzoek tot vaststelling van een dwangsom Betrokkene stelt dat zijn verzoek tot vernietiging van de sanctie van 9 oktober 2013 dient te worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 lid 3 Awb. Nu de officier van justitie, ook nadat er een ingebrekestelling was verzonden, niet binnen de wettelijke termijn heeft gereageerd op het verzoek, heeft hij een dwangsom verbeurd. Betrokkene heeft daarom verzocht een dwangsom vast te stellen en de officier van justitie op te dragen alsnog te beslissen op de aanvraag op straffe van een dwangsom. 3De door de officier van justitie overgelegde stukken De officier van justitie heeft de volgende processtukken overgelegd. - een zaakoverzicht. 4De beoordeling 4.1 Het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie inzake de opgelegde sanctie en het beroepschrift tegen de beslissing inzake het verzoek tot het vaststellen van een dwangsom zullen in deze beslissing gezamenlijk worden behandeld. De beslissing van de officier van justitie 4.2 De officier van justitie heeft betrokkene na indiening van het beroepschrift in de gelegenheid gesteld de gronden van het beroep aan te vullen. Nu betrokkene dit niet heeft gedaan, heeft de officier van justitie het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De tegen deze beslissing aangevoerde gronden missen derhalve elke feitelijke grondslag. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om de beslissing van de officier van justitie te vernietigen. Het verzoek tot vernietiging wegens termijnoverschrijding 4.3 Voor de beoordeling zijn de volgende artikelen van belang. Artikel 1:3 van de Awb houdt in, voor zover hier van belang: "
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.