vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/461223 / HA ZA 14-1025 Vonnis van 15 juli 2015 in de zaak van de vennootschap naar buitenlands recht TT INSAAT SANAYI VE TICARET A.S., gevestigd te Istanbul, Turkije, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. N. Köse-Albayrak te Rotterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] , gevestigd te Gorinchem, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. P.H.J.G. van Huizen te Rotterdam. Partijen zullen hierna TT Insaat en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding d.d. 1 oktober 2014, met 3 producties; de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, met 13 producties; het tussenvonnis van 18 februari 2015; de conclusie van antwoord in reconventie, met 6 producties (doorgenummerd als producties 4 tot en met 9); de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door [gedaagde] overgelegde producties 14 en 15; het proces-verbaal van comparitie van 21 mei 2015. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties waarop beroep is gedaan, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast. 2.1 [gedaagde] en [bedrijf2] behoren tot het [bedrijf1] - concern. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf1] houdt alle aandelen in [bedrijf2] en bijna alle aandelen in [gedaagde] (te weten 95,25 % van de aandelen, de overige aandelen worden door een directeur gehouden). 2.2. Op of omstreeks 1 september 2006 zijn [bedrijf1] en TT Insaat een samenwerkingsovereenkomst aangegaan, waartoe zij een Memorandum of Understan-ding hebben getekend. In het Memorandum of Understanding is onder meer bepaald dat [bedrijf1] 30 % van de aandelen in TT Insaat verkreeg en is een winstgarantie verstrekt. Daarnaast is in het Memorandum geregeld dat [bedrijf1] via [gedaagde] materiaal aan TT Insaat beschikbaar zou stellen tegen scherpe tarieven en voorwaarden. 2.3. Op of omstreeks 15 september 2006 heeft [bedrijf2] een horizontale boormachine aan TT Insaat verkocht voor een bedrag van € 258.000,-. 2.4. TT Insaat bleek niet in staat om het verschuldigde bedrag van € 258.000,- onder de koopovereenkomst aan [gedaagde] te voldoen, waarop [bedrijf1] aan TT Insaat een geldlening heeft verstrekt op 18 juni 2007. De voorwaarden van deze lening zijn vastgelegd in de leningovereenkomst d.d. 18 juni 2007. 2.5. In artikel 7 van de geldleningsovereenkomst is bepaald dat de horizontale boormachine als zekerheid voor [bedrijf1] zou gelden voor de terugbetaling van de geleende gelden. 2.6. TT Insaat is de overeengekomen ‘payment scedule’ van de geldlening niet nagekomen en heeft een bedrag van € 193.250 onbetaald gelaten. 2.7. In onderling overleg werd besloten om de horizontale boormachine naar Nederland te verschepen, teneinde de machine in Nederland te werk te stellen met de intentie om met de opbrengst uit deze werkzaamheden de crediteuren gedeeltelijk te betalen. [gedaagde] en TT Insaat hebben vervolgens een overeenkomst gesloten waarbij partijen overeengekomen zijn dat [gedaagde] de horizontale boormachine van TT Insaat zou huren en waar mogelijk bij een derde partij te werk zou stellen (hierna: de huurovereenkomst). 2.8. De horizontale boormachine kwam op 18 september 2008 aan in Nederland. 2.9. [gedaagde] heeft de op grond van de (onder r.o. 2.7 vermelde) huurovereenkomst verschuldigde huurpenningen niet betaald. 2.10. TT Insaat heeft [gedaagde] gedagvaard in Turkije en naast betaling van de huurpenningen teruggave van de horizontale boormachine gevorderd. Deze vordering is toegewezen. In hoger beroep is het vonnis bekrachtigd waarna [gedaagde] in cassatie is gegaan. De hoogste gerechtelijke instantie in Turkije heeft cassatie afgewezen waarmee het vonnis definitief is geworden. 2.11. Op 18 september 2009 heeft [bedrijf1] aan de voorzieningenrechter te Dordrecht verlof gevraagd en gekregen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag onder [gedaagde] en [bedrijf2] 2.12. Op 22 september 2009 heeft [bedrijf1] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder [gedaagde] en [bedrijf2] 2.13. Bij vonnis van de voorzieningenrechter d.d. 4 maart 2010 is TT Insaat bij verstek veroordeeld om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, aan [bedrijf1] te betalen de som van € 193.250, ter zake van de geldleningsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te berekenen vanaf de vervaldata van de respectievelijke termijnen overeengekomen in de ‘payment scedule’ achter de geldleningsovereenkomst, tot aan de dag der voldoening, met veroordeling van TT Insaat in de kosten van het geding, begroot op € 6.080,26. Er is geen hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld. 2.14. [bedrijf1] heeft de vordering uit hoofde van het onder 2.13 vermelde vonnis alsmede alle uit de geldleningsovereenkomst voortvloeiende rechten gecedeerd aan [gedaagde] . Bij brief van 22 maart 2012 is aan TT Insaat mededeling gedaan van de cessie van de vordering. 2.15. [bedrijf1] heeft vervolgens op 24 september 2014 conservatoir derdenbeslag doen leggen onder [gedaagde] en [bedrijf2] op de horizontale boormachine en de vordering die aan TT Insaat in Turkije is toegewezen, ten behoeve van haar vordering ter zake van de winstgarantie die TT Insaat aan [bedrijf1] in het Memorandum of Understanding heeft toegekend. 2.16. [bedrijf1] heeft ter zake van de onder r.o. 2.15 vermelde vordering een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt voor de Turkse rechter. 3Het geschil in conventie 3.1. TT Insaat vordert - verkort weergegeven - dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen overeenkomstig haar veroordeling bij het arrest van 19 oktober 2012, gewezen door het 6e departement juridische zaken van het Hof van Cassatie te Istanbul, Turkije, in de procedure met rolnummer 2001/13205 en met vonnisnummer 2012/561, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure. TT Insaat heeft aan haar vordering, verkort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. 3.2. TT Insaat wenst het Turkse vonnis hier in Nederland ten uitvoer te leggen, nu [gedaagde] in Nederland is gevestigd. Tussen Nederland en Turkije bestaat geen verdrag op grond waarvan het Turkse vonnis voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking komt, zodat TT Insaat beroep doet op het bepaalde in artikel 431 lid 2 Rv. Het Turkse vonnis heeft in Turkije kracht van gewijsde gekregen en is in het land van herkomst - Turkije - voor tenuitvoerlegging vatbaar. Daarnaast heeft een behoorlijke rechtspleging plaatsgevonden en is [gedaagde] in het geding verschenen en verzet de openbare orde zich niet tegen erkenning van het Turkse vonnis. 3.3. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van TT Insaat in haar vordering althans tot afwijzing van de vordering van TT Insaat, met veroordeling van TT Insaat in de kosten van de procedure. [gedaagde] heeft daartoe onder meer het volgende, verkort weergegeven, aangevoerd: 1) TT Insaat is niet ontvankelijk in haar vordering, omdat - kort gezegd - niet voldaan is aan de vereiste reciprociteit en formele voorschriften waaraan een uitspraak moet voldoen om hier tenuitvoer te kunnen worden gelegd, nu de gerechtelijke stukken niet zijn vergezeld van een notarieel waarmerk en apostille, noch voldoen aan de overige waarmerken; 2) [gedaagde] is middels cessie van de geldvordering onder de geldleningsovereenkomst vorderingsgerechtigde geworden jegens TT Insaat en heeft derhalve het recht om haar vordering te verrekenen met de vordering van TT Insaat. [gedaagde] heeft terzake conform artikel 6:127 BW aan TT Insaat mededeling gedaan. Deze verrekening wordt geëffectueerd zodra de gelegde beslagen zijn opgeheven of zijn komen te vervallen. 3) [gedaagde] is niet verplicht tot afgifte van de horizontale boormachine aan TT Insaat. [gedaagde] is door de cessie van de vordering onder de geldleningsovereenkomst vuistpandhouder geworden. Daarnaast is door [bedrijf1] ten behoeve van haar claim ter zake van de winstgarantie ten laste van TT Insaat op de boormachine beslag gelegd, zodat [gedaagde] niet verplicht kan worden tot afgifte van de boormachine. in reconventie 3.4. [gedaagde] vordert, verkort weergegeven, dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor recht verklaart dat; hetgeen [gedaagde] verschuldigd mocht zijn, is verrekend met hetgeen TT Insaat verschuldigd is aan [gedaagde] , althans is verrekend zodra de onder [gedaagde] ten laste van TT Insaat gelegde beslagen zijn opgeheven c.q. zijn komen te vervallen; voor zover na verrekening [gedaagde] nog een schuld heeft jegens TT Insaat, zij niet gehouden is tot betaling van hetgeen zij jegens TT Insaat verschuldigd is, zolang de onder [gedaagde] gelegde beslagen niet zijn opgeheven c.q. zijn komen te vervallen; [gedaagde] een pandrecht heeft op de horizontale boormachine en zij in die hoedanigheid niet gehouden is jegens TT Insaat tot afgifte van de boormachine; [gedaagde] niet gehouden is tot afgifte van de horizontale boormachine aan TT Insaat nu [gedaagde] de boormachine houdt voor [bedrijf1] in haar hoedanigheid van eigenaar; [gedaagde] niet gehouden is tot afgifte van de horizontale boormachine aan TT Insaat zolang de ten laste van TT Insaat onder [gedaagde] gelegde beslagen niet zijn opgeheven/komen te vervallen; met veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van TT Insaat in de proceskosten en de buitengerechtelijke kosten. 3.5. TT Insaat voert verweer. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.1. De vordering van TT Insaat strekt tot erkenning van het onder r.o. 3.1 genoemde Turkse vonnis (hierna: het Turkse vonnis). 4.2. Nu tussen Turkije en Nederland geen verdrag bestaat op grond waarvan het Turkse vonnis in aanmerking komt voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland, heeft TT Insaat een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 431 lid 2 Rv. Volgens deze bepaling kan het geding opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan. De rechtbank dient te beoordelen of en in hoeverre zij, gelet op de omstandigheden van dit geval, aan de beslissing van de Turkse rechter gezag toekent. In een geding op de voet van artikel 431 lid 2 Rv dient bij de beantwoording van de vraag of een buitenlandse beslissing voor erkenning vatbaar is, tot uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.