Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: [10/775507-15] Datum uitspraak: 5 augustus 2015 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: NN02, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], domicilie kiezende te: Oostmaaslaan 71 te 3063 AM Rotterdam. Raadsman mr. A.J.M. de Swart, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 juli 2015. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. G.C. Bos heeft gerekwireerd tot: - bewezenverklaring van het onder primair ten laste gelegde; - ontslag van alle rechtsvervolging vanwege een gerechtvaardigd beroep op noodweer; - niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij]. 4De verdediging De raadsman heeft gepleit voor: - ( primair) integrale vrijspraak van het onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde; - ( subsidiair) ontslag van alle rechtsvervolging vanwege een beroep op noodweer wat betreft het onder primair en subsidiair ten laste gelegde; - ( meer subsidiair) ontslag van alle rechtsvervolging vanwege een beroep op putatief noodweer wat betreft het onder primair en subsidiair ten laste gelegde en vrijspraak vanwege een beroep op afwezigheid van alle schuld wat betreft het onder meer subsidiair ten laste gelegde; - niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij]. 5Waardering van het bewijs 5.1 De feiten De rechtbank gaat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 7 april 2013 rond 18.00 uur hebben medewerkers van Stadstoezicht aan [slachtoffer] (verder te noemen: [slachtoffer]) een bekeuring aangezegd omdat hij zijn honden niet aangelijnd had op de Lepelaarsingel in Rotterdam. [slachtoffer] zei tegen de stadswachten dat hij geen legitimatiebewijs bij zich had. Hem werd daarop gezegd dat hij werd aangehouden. [slachtoffer] wilde weglopen. De stadswachten probeerden dat te verhinderen. Er ontstond een schermutseling waarbij [slachtoffer] één van de stadswachten een aantal keren hard duwde en probeerde te slaan waardoor deze op straat viel. Haar collega vroeg intussen via haar portofoon om spoedassistentie van de politie. Een buurtbewoner die tussenbeide kwam, sloeg [slachtoffer] in het gezicht waardoor [slachtoffer] op straat viel. [slachtoffer] schreeuwde naar deze buurtbewoner (het kwam er op neer dat hij de man te grazen zou nemen) en [slachtoffer] liep weg in de richting van zijn woning. Volgens de stadswachten en deze buurtbewoner was [slachtoffer] heel boos en agressief en niet voor rede vatbaar. De medeverdachte NN01 (verder te noemen: NN01), die in burger dienst deed op zijn fiets, was de eerste politieagent die na de spoedoproep ter plaatse kwam. Terwijl hij in gesprek was met de stadswachten, werd hij door één van hen gewaarschuwd dat [slachtoffer] achter hem kwam aanlopen uit de richting van zijn woning. De stadswachten zagen dat [slachtoffer] een soort bijl in zijn hand had en daarmee op hen afkwam. NN01 zag [slachtoffer] aan komen rennen met een lange staaf met een scherpe punt in zijn hand, ‘een soort van hakbijl’. [slachtoffer] maakte met zijn armen zwaaiende bewegingen. NN01 heeft daarop (om 18:14:11 uur) aan de meldkamer doorgegeven: “Wapen getrokken, man met wapen Fazantstraat”. De politiewagens die onderweg waren voor de spoedassistentie, kregen het bericht dat er een wapen was getrokken, dat de vesten moesten worden aangetrokken en dat de BTGV (Benaderingstechniek Gevaarlijke Verdachten) moest worden toegepast. [slachtoffer] rende intussen op een groep mensen af die op de hoek van de straat stond. NN01 rende met getrokken wapen achter [slachtoffer] aan, onderwijl roepend dat hij van de politie was, dat [slachtoffer] was aangehouden en dat hij zijn wapen moest laten vallen. Diverse buurtbewoners zagen [slachtoffer] op zich afkomen met een voorwerp in zijn rechterhand dat wordt omschreven als een bijl of een tomahawk. Volgens één van hen had [slachtoffer] in zijn andere hand een mes. Omstanders zagen dat [slachtoffer] erg boos en agressief was. Het leek alsof hij dronken was en naar iemand op zoek. NN01 is voor de groep mensen gaan staan. [slachtoffer] stond voor hem met zijn wapen omhoog in de hand en maakte daarmee even later zwaaiende bewegingen. Even later arriveerde een politiebusje op de andere hoek van de straat. In dat busje zaten de verdachte NN02 (verder te noemen: NN02) als bijrijder en haar collega NN03 als bestuurder. NN02 zag [slachtoffer] staan ‘met iets zwarts in zijn hand’. [slachtoffer] rende van NN01 en de omstanders vandaan in de richting van het politiebusje. NN01 rende achter hem aan. NN03 meende te zien dat [slachtoffer] een geweer in zijn handen had en waarschuwde NN02 dat ze dekking moesten zoeken. NN03 loste een waarschuwingsschot. [slachtoffer] rende na enkele meters via een poortje de aaneengesloten en door, merendeels lage, hekjes/heggetjes gescheiden tuinen in die zijn gelegen tussen de portiekwoningen aan de Fazantstraat en de Korhaanstraat. [slachtoffer] had daarbij nog steeds zijn wapen in de hand. NN01 rende achter hem aan en ging even later ook de tuinen in, gevolgd door NN02, NN03 en een andere collega. NN01 en NN02 zagen geen andere mensen in de tuinen. Zij zagen dat [slachtoffer] bleef rennen en over afscheidingen heen de naast elkaar liggende tuinen doorrende. Naar [slachtoffer] is een aantal malen geroepen “politie”, dat hij moest stoppen en moest blijven staan en dat hij zijn wapen moest laten vallen. Ook NN02 loste ook een waarschuwingsschot. [slachtoffer] reageerde niet en bleef verder rennen. Vervolgens is er door NN01 en NN02 een aantal keren gericht op [slachtoffer] geschoten. [slachtoffer] viel neer. Hij bleek gewond. Om 18:14:34 uur werd aan de meldkamer om een ambulance gevraagd. Kort daarna is [slachtoffer] ter plekke aan zijn verwondingen overleden. Vastgesteld is dat NN01 in elk geval drie maal in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten. Twee schoten daarvan hebben [slachtoffer] getroffen: één in de rug en één in zijn rechter arm. Het schot in de rug heeft tot de dood van [slachtoffer] geleid. NN02 heeft twee maal in de richting van [slachtoffer] geschoten. [slachtoffer] is door de schoten van NN02 niet geraakt. Nabij het hoofd van [slachtoffer] heeft de politie een langwerpig, houten voorwerp aangetroffen, gelijkend op een bijl. In een van de tuinen waar [slachtoffer] doorheen is gerend, lag bij het hekje tussen twee tuinen - op ongeveer acht meter van het lichaam van [slachtoffer] - een mes. Op dit mes is het DNA van [slachtoffer] aangetroffen. [slachtoffer] had alcohol gedronken, zo is uit postmortaal toxicologisch onderzoek gebleken. Bij de gemeten concentratie alcohol kunnen onder andere gedrags- en stemmingsveranderingen optreden. 5.2 Het onder primair tenlastegelegde (doodslag) 5.2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie ziet - zoals in haar requisitoir weergegeven - het handelen van NN01 en NN02 als één geheel omdat zij bij de achtervolging in de tuinen beiden in de richting van [slachtoffer] hebben geschoten. NN01 heeft de leiding gehad en NN02 is volgend geweest. Volgens de officier van justitie hebben beiden het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] gehad. Het afvuren van een wapen in de richting van [slachtoffer] brengt zonder meer de aanmerkelijke kans met zich mee dat deze het leven verliest. Hetgeen ook is gebeurd. 5.2.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman stelt zich op het standpunt dat NN02 hoogstens verweten kan worden het medeplegen van doodslag, nu duidelijk is dat de kogels uit het dienstwapen van NN02 [slachtoffer] niet hebben getroffen. De kogels uit het dienstwapen van NN01 hebben [slachtoffer] gedood. Dan zou er - aldus de raadsman - sprake moeten zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met NN01 en daarvan was geen sprake. NN02 heeft alleen gehandeld. Zij is later gearriveerd en heeft volgens haar verklaring bij de Rijksrecherche wel collega’s gehoord maar niet gezien, was gefocust op [slachtoffer] en weet niet of andere collega’s ook geschoten hebben. Ook NN01 heeft zich in min of meer soortgelijke bewoordingen bij de Rijksrecherche uitgelaten. 5.2.3 Het oordeel van de rechtbank Naar aanleiding van de oproep van stadstoezicht om spoedassistentie was NN02 met haar collega NN03 in een politiebus op weg naar de Carnissesingel. NN02 kreeg onderweg als aanvulling het adres Fazantstraat en hoorde haar collega NN01 roepen: “man met wapen”. Via de meldkamer kreeg zij te horen: “BTGV, collega’s trek de vesten aan”. NN02 is uitgestapt en achter [slachtoffer] en NN01 de tuinen in gerend. Een oproep om spoedassistentie betekent - zo heeft de rechtbank het verstaan - dat een politieagent alles ‘uit zijn/haar handen laat vallen’ en op de melding af gaat, want zo’n oproep betekent dat een collega in nood is. De rechtbank stelt vast dat NN02 - en met haar NN03 en een andere collega - ook op basis van die aanvankelijke oproep en de berichten van de meldkamer en NN01 achter [slachtoffer] en NN01 de tuinen zijn in gerend om NN01 bij te staan. Deze onderlinge assistentie is zo vanzelfsprekend bij gezamenlijk politie optreden, dat alleen al op grond hiervan gezegd kan worden dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Tijdens de achtervolging en benadering van [slachtoffer] was er - naar het oordeel van de rechtbank - ook sprake van zo’n samenwerking. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de verklaring van de getuige Velthuis, die heeft gezien dat er in de tuinen twee politieagenten voor en twee politieagenten achterliepen en zij als één groep naar voren liepen. Deze nauwe en bewuste samenwerking - in casu medeplegen - kent evenwel zijn grenzen. Ten aanzien van de uiteindelijke keuze van NN01 - toen [slachtoffer] bleef doorrennen - met een vuurwapen gericht op de rug van [slachtoffer] te schieten kan niet worden gezegd dat hier sprake is van medeplegen. Dit voert te ver, die handeling is en blijft een individuele keuze van NN01. Met de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat NN02 van het tenlastegelegde medeplegen moet worden vrijgesproken. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank NN02 vrijspreekt van het primair tenlastegelegde feit (de doodslag). 5.3 Het onder subsidiair tenlastegelegde (poging tot doodslag) 5.3.1 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft aangevoerd dat een poging doodslag eveneens niet kan worden bewezen. Het opzet van NN02 was niet op de dood gericht en volgens haar eigen verklaring heeft zij geprobeerd om op het onderste gedeelte van het lichaam te schieten. Van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] was dus geen sprake. 5.3.2 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank kan uit het strafdossier niet afleiden dat NN02 [slachtoffer] heeft willen dood schieten. Van doelopzet is dan ook geen sprake. Dan moet de vraag worden beantwoord of NN02 bewust - door de gerichte schoten op het onderlichaam - de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] door die schoten zodanig zou kunnen worden getroffen dat hij daardoor zou komen te overlijden. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. NN02 heeft volgens haar verklaring tweemaal met haar vuurwapen gericht op [slachtoffer] geschoten, terwijl hij door de tuinen aan het rennen was. Volgens haar verklaring bij de Rijksrecherche vond NN02 dat ook lastig. De rechtbank neemt aan dat NN02 door haar opleiding, de IBT-trainingen en ervaring zich bewust was van de risico’s van het gebruik van een vuurwapen. Uit diverse verklaringen blijkt dat het ging om rommelige/ruige tuinen met gaten en oneffenheden, waarbij het zicht enigszins beperkt werd door lage hekjes/heggetjes. NN02 heeft op 8 april 2013 zelf hierover bij de Rijksrecherche verklaard dat zij bosjes met prikkels zag waar zij zelf in bleef hangen en hekjes waar zij net niet over heen kon stappen en dat zij niet meer weet of zij na het eerste gerichte schot is blijven staan. Onder die omstandigheden heeft NN02 met het afvuren van die twee schoten bewust de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] aanvaard. De rechtbank acht daarom de subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. 5.4 De bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: zij, op of omstreeks 7 april 2013 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen één of meer kogel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.