vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/466077 / HA ZA 14-1274 Vonnis van 7 oktober 2015 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GLENCORE GRAIN B.V., gevestigd te Rotterdam, eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam, tegen de vennootschap naar de plaats van haar vestiging MILLET SAS, gevestigd te Parijs, Frankrijk, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat mr. J. Blussé van Oud -Alblas te Rotterdam. Partijen zullen hierna Glencore en Millet genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties; de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid; de incidentele conclusie van antwoord; de brief namens Glencore van 28 juli 2015 met productie 17; het B8 formulier namens Millet van 27 augustus 2015 met productie 5; de brief namens Glencore van 28 augustus 2015 waarin zij bezwaar maakt tegen het overleggen van niet in het Nederlands vertaalde stukken, alsmede tegen de late indiening; de brief namens Millet van 1 september 2015 met als bijlagen een vrije vertaling van het arrest van het Franse Hof van Cassatie van 25 maart 2015; het proces-verbaal van het op 9 september 2015 gehouden pleidooi. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2De vordering in de hoofdzaak en de vordering en het verweer in het incident 2.1. Glencore vordert in de hoofdzaak – samengevat – dat de rechtbank Millet bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt tot betaling aan Glencore van een bedrag van € 271.469,25, een bedrag van € 48.050 aan kosten voor Retourtransport en een bedrag van € 95.645 aan kosten voor de terug levering van de wagons aan Millet op andere plaatsen dan op de Frans-Belgische grens, te vermeerderen met rente en kosten. 2.2. Aan deze vordering legt Glencore – samengevat – de volgende stellingen ten grondslag: in 2012 is tussen Glencore en Millet een overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de huur van honderd nieuwe wagons van het type 90 ton en 101 m3. De ‘AFWP nr 14873’ voorwaarden (hierna: de algemene voorwaarden) maken onderdeel uit van deze overeenkomst; door partijen is uitvoering gegeven aan deze overeenkomst; de Frans-Belgische grens is “de door de verhuurder aangewezen plaats” conform artikel 5.2 van de algemene voorwaarden; in de raamovereenkomst (“contrat general”) van 20 mei 2013 (inwerkingtredingsdatum 21 januari 2013) is in artikel 6, indachtig de ‘terugleveringsafspraak’ tussen partijen, opgenomen dat: “De transportkosten voor de teruggave van de wagons tot de Frans-Belgische grens komen voor rekening van de huurder en het resterende traject voor rekening van de verhuurder”; in 2013 moesten de van Millet gehuurde wagons vanwege een technisch defect terug naar de fabrikant; de kosten voor het retourtransport naar Rotterdam ad € 48.050 heeft Glencore betaald, maar deze dienen uiteindelijk door de verhuurder van het ondeugdelijk materieel, Millet, te worden gedragen; Glencore heeft per mail van 10 januari 2014 aangegeven de huurovereenkomsten met Millet te ontbinden; de reparaties vanwege het technisch defect zijn een gevolg van een gebrek van het materieel zelf. Glencore is op grond van de algemene voorwaarden bij de overeenkomst geen huur verschuldigd voor de periode waarin zij geen gebruik heeft kunnen maken van de wagons. De door Glencore te veel betaalde huur bedraagt in totaal € 271.469,25; Glencore is er ondanks de overeengekomen teruggave van de wagons aan de Frans-Belgische grens, maar onder voorbehoud van al haar rechten, mee akkoord gegaan om de wagons terug te leveren naar de door Millet opgegeven plaatsen. De hiermee verband houdende kosten van € 95.645 dienen evenwel voor rekening van Millet te komen; Op de overeenkomst tussen Glencore en Millet is, op grond van artikel 16 van de algemene voorwaarden, Frans recht van toepassing; Artikel 16 van de algemene voorwaarden bepaalt: “De partijen behouden zich uitdrukkelijk het recht voor om alle zaken aanhangig te maken bij alle bevoegde jurisdicties van de plaats van vestiging van de huurder of van de plaats van exploitatie van het materieel.” Aangezien Glencore – de huurder – is gevestigd in Rotterdam is op grond van deze bepaling de rechtbank Rotterdam (mede) bevoegd van deze zaak kennis te nemen. 2.3. Millet vordert in het incident dat de rechtbank zich bij vonnis onbevoegd verklaart om van de vorderingen van Glencore kennis te nemen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van Glencore in de kosten van het incident. 2.4. Millet stelt daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende. Er ontbreekt een geldig overeengekomen forumkeuze voor de rechtbank Rotterdam. De vierde alinea van artikel 16 van de algemene voorwaarden bevat geen overeenkomst tot aanwijzing van de rechtbank Rotterdam als bevoegde rechter. Blijkens de tekst van die alinea gaat het om een door de partijen samen, als uitzondering op de forumkeuze in de derde alinea, uit te oefenen voorbehoud om (bijvoorbeeld) indien zij het erover eens zijn dat een van de in de vierde alinea genoemde rechters in de gegeven omstandigheden de meest gerede is om het geschil te beoordelen, hun geschil aan die rechter voor te leggen. Nu de vierde alinea zich tot de beide partijen (“les parties”) richt, is, ook tegen de achtergrond van het bepaalde in de tweede alinea, voor het inroepen daarvan (dus) de in- en overeenstemming van beide partijen noodzakelijk, welke ontbreekt. 2.5. Glencore concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Millet in haar incidentele vordering, althans haar deze te ontzeggen, met veroordeling van Millet, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van dit geding en de nakosten. 2.6. Glencore voert daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aan. Glencore en Millet zijn bij schriftelijke overeenkomst, te weten: in artikel 16 van de algemene voorwaarden’ een forumkeuze overeengekomen overeenkomstig artikel 23 lid 1 sub a EEX-Vo. Artikel 16 van de algemene voorwaarden betreft een forumkeuze, die aan partijen het alternatief geeft om hun dispuut aan verschillende bevoegde fora voor te leggen. 2.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3De beoordeling in het incident 3.1. Millet heeft in haar eerste processtuk, derhalve tijdig, een beroep gedaan op onbevoegdheid van de rechtbank. Millet betwist dat tussen partijen een forumkeuze geldt voor de rechtbank Rotterdam. 3.2. Er is sprake van een internationaal geval. Millet is in Frankrijk gevestigd en de vordering is aanhangig gemaakt bij een gerecht in Nederland. De vordering in de hoofdzaak betreft een burgerlijke of handelszaak en is ingesteld vóór 10 januari 2015 zodat de EEX-Verordening, de Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo) van toepassing is. De bevoegdheidsvraag dient derhalve in beginsel aan de hand van de EEX-Vo te worden beantwoord. 3.3. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 16 van de algemene voorwaarden deel uitmaakt van de tussen hen geldende overeenkomst. De algemene voorwaarden zijn gesteld in de Franse, Duitse en Engelse taal. Het ‘contrat general’ tussen partijen van 20 mei 2013 (inwerkingtredingsdatum 21 januari 2013) is gesteld in de Franse en Engelse taal. Glencore baseert de bevoegdheid van deze rechtbank op de in de vierde alinea van artikel 16 opgenomen forumkeuze. Millet heeft de stelling van Glencore (2.4 incidentele conclusie van antwoord), dat alle emailcorrespondentie tussen partijen, zowel bij de totstandkoming van de overeenkomst als daarna in het Engels is gevoerd, bij pleidooi niet betwist, zodat de rechtbank uitgaat van de Engelse tekst. Artikel 16 luidt als volgt: “16. ARTICLE XVI – DISPUTES The present contract is governed by French law to the express exclusion of all rules concerning conflict of laws or otherwise, that might involve the application of any provisions other than French law. The present contract is founded essentially on good faith and a commitment by both parties to understand each other, to apply jointly all the provisions they have agreed on. They therefore undertake to try and resolve any difficulties that may occur by mutual consent. If in spite of their best combined efforts, the parties do not manage in this way to permanently resolve any disagreement over the execution of the present contract, they agree to submit their dispute to the court covering the Hire Company’s registered office, even in the event of third party notice or multiple defenders. The parties however expressly reserve the right to bring a case before any competent court covering the Hirer’s registered office or the place of exploitation of the rolling stock.” 3.4. De vraag of partijen een rechtsgeldige forumkeuze voor de rechtbank Rotterdam hebben gedaan dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 23 EEX-Vo. Deze bepaling dient autonoom te worden geïnterpreteerd zodat geen betekenis toekomt aan nationaal-Nederlandse rechtsopvattingen of – zoals door Millet bepleit – aan Franse rechtsopvattingen (HvJ 16 maart 1999, nr C-159/97 ECLI:NL:XX:1999:AD3027 Castelletti/ Trumpy). Artikel 23 lid 1 EEX-Vo luidt, voor zover thans van belang, als volgt: “Wanneer de partijen (…) een gerecht (…) van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan (…) is dit gerecht (…) bevoegd. (…) Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.