vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel zaaknummer / rolnummer: C/10/475327 / HA ZA 15-425 Vonnis van 16 december 2015 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. E.W. Bosch te Honselersdijk (gemeente Westland), tegen 1. de stichting STICHTING PLASWIJCKPARK, gevestigd te Rotterdam, 2. de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Apeldoorn, gedaagden, advocaat mr. M.A. Bosman te Rotterdam. Partijen zullen hierna [eiseres] , Plaswijckpark en Achmea genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 22 juli 2015 het proces-verbaal van comparitie van 5 oktober 2015 de brief van 6 oktober 2015 van mr. Bouhuizen, kantoorgenote van mr. [getuige] , met een overzicht van de in de dagvaarding ontbrekende voetnoten. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Plaswijckpark exploiteert een attractiepark in Rotterdam. Voor het bezoeken van dit attractiepark is een toegangsprijs verschuldigd. In dit park bevindt zich onder meer een ‘Airtrampoline’. Dit betreft een deels onder de grond geplaatst rechthoekig bolvormig luchtkussen met een afmeting van circa 9 meter bij 11 meter (hierna verder aangeduid als ‘het springkussen’). 2.2. [eiseres] heeft op 20 juli 2013 een bezoek gebracht aan het attractiepark, samen met haar man en zoontje. Haar zoontje was destijds twee jaar oud. Tijdens dit bezoek is [eiseres] een ongeval overkomen, nadat zij het springkussen had betreden. Als gevolg van dit ongeval heeft zij letsel aan haar rechter enkel opgelopen. Een andere bezoeker van het attractiepark, mevrouw [getuige] (hierna: [getuige] ), was getuige van het ongeval. 2.3. Op de dag van het ongeval is door een medewerker van Plaswijckpark ( [medewerker 1] ) een ongevallenformulier ingevuld. Over de toedracht van het ongeval is hierop het volgende vermeld: “Mevr. is gevallen op het springkussen en op haar billen naar beneden gestuiterd. Onderaan heel lelijk op haar voet terecht gekomen. (…)” 2.4. In een brief van 23 augustus 2013 aan [eiseres] heeft de manager van AmbulanceZorg Rotterdam-Rijnmond het volgende geschreven: “Naar aanleiding van uw ongeval van 20 juli 2013 verzoekt u ons om aan te geven hoe de ambulancebemanning de situatie ter plaatse aantrof. De ambulancebemanning kan zich het volgende herinneren: of de ondergrond uit kunstgras bestond kan niet met zekerheid gezegd worden, maar het leek er wel op; om het springkussen lag een afwateringsgeul volgens inschatting van 20/25 cm breed en 5/6 cm diep direct naast of onder? het springkussen; het springkussen lag half verzonken op een grasveldje met daarom heen rubbertegels.” 2.5. Bij brief van 26 augustus 2013 heeft de toenmalige rechtshulpverlener van [eiseres] (DAS Rechtsbijstand) Plaswijckpark aansprakelijk gesteld voor de door [eiseres] als gevolg van het ongeval geleden schade. In deze brief is over de toedracht van het ongeval het volgende vermeld: “(…) Het zoontje van cliënte heeft op de desbetreffende dag gebruik gemaakt van het speelkussen in Speelwijck. Cliënte wilde haar zoontje opvangen, omdat deze van het springkussen gleed. Naast het springkussen bleek zich echter een groot gat te bevinden van minstens 10 bij 10 centimeter waar cliënte met haar voet in is gezakt. Dit gat was echter niet zichtbaar, omdat er kunstgras overheen gelegd was. Hierdoor heeft zij haar enkel gebroken.” 2.6. Plaswijckpark heeft een aansprakelijkheidsverzekering bij Achmea. In opdracht van Achmea heeft To The Point Expertise B.V. (hierna: To The Point) onderzoek gedaan naar het ongeval en de schade geïnventariseerd. Uit het rapport van 14 maart 2014 van To The Point blijkt dat rondom het springkussen zand is gestort. Een medewerker van Plaswijckpark ( [medewerker 2] ) heeft tegenover To The Point verklaard dat er op een gegeven moment uit esthetische overwegingen kunstgras over het zand heen is gelegd. Dit was de situatie ten tijde van het ongeval. Op het moment van het onderzoek door To The Point was het kunstgras niet meer aanwezig. Volgens genoemde medewerker van Plaswijckpark is het kunstgras verwijderd, omdat de aansluiting tussen het kunstgras en het springkussen ‘los’ liet en het kunstgras niet tegen het springkussen bleef liggen. 2.7. Op 28 februari 2014 heeft de onderzoeker van To The Point een bezoek gebracht aan [eiseres] . In het rapport is onder “Verklaring benadeelde” het volgende opgenomen: “Mevrouw [eiseres] geeft aan dat haar zoontje aan het spelen was op het springkussen, deze gleed plots naar beneden en in een poging hem op te vangen zette benadeelde een voet op het kussen. Ze ving hem op, gleed met haar voet welke op het springkussen stond naar beneden, kwam met deze voet terecht in een geul die om het springkussen heen zou hebben gelegen en viel vervolgens achterover op haar billen. Hierbij heeft zij haar rechterenkel gebroken. Haar echtgenoot was aanwezig bij het ongeval, en deze gaf tijdens het onderhoud van 28 februari 2014 aan dat hetgeen zijn echtgenote vertelde juist was. Ook zou er een verklaring zijn van een tweetal ambulance broeders die verklaard zouden hebben dat er sprake was van een afwateringsgeul van 20 tot 25 cm breed en 5 tot 6 cm diep, direct om het springkussen heen.” 2.8. Tijdens het bezoek van To The Point aan [eiseres] van 28 februari 2014 was tevens een medewerker van DAS Rechtsbijstand aanwezig. Deze heeft een bezoekrapport opgesteld. In dit rapport is over de toedracht van het ongeval het volgende opgenomen: “Het zoontje van cliënte was (…) aan het spelen op het luchtkussen. Cliënte zag hem naar achter naar beneden vallen en wilde proberen hem op te vangen. Zij liep dus richting kussen en zette een been op het kussen. Vervolgens gleed zij met haar zoontje naar beneden en viel achterover.” 2.9. De onderzoeker van To The Point heeft naar aanleiding van een telefonisch onderhoud met [getuige] op 11 maart 2014 een getuigenverklaring opgesteld. Deze verklaring is op 8 juni 2015 door [getuige] ondertekend. Hierin staat over de toedracht van het ongeval het volgende: “Mijn man en ik zagen een man (wat later de echtgenoot van mevrouw [eiseres] bleek) staan langs het springkussen. Op het springkussen zat een vrouw (wat later mevrouw [eiseres] bleek) op haar billen met een jongentje op haar schoot. Ik zag deze vrouw op haar billen met het jongentje op schoot ‘naar beneden hoppen’. Ze maakte daarbij geen gekke of wilde bewegingen. Beneden aangekomen kwam deze vrouw met haar rechter enkel terecht in een soort van geultje tussen het springkussen en het kunstgras: het kunstgras sloot ter plekke niet geheel aan op het kussen, er was daar zand te zien. Daarna hoorde ik ‘krak’ en zag ik de schrik in de ogen van de vrouw. De vrouw had crocs aan (…).” 2.10. [getuige] heeft op 4 juni 2015 een nieuwe verklaring afgelegd (tevens ondertekend op 8 juni 2015). Deze luidt als volgt: “Ik heb op of rond 11 maart 2014 telefonisch gesproken met de heer [medewerker 3] van Tothepoint Expertise. Hij heeft mijn verklaring van toen op schrift gesteld en ter ondertekening per email naar mij toe gezonden. (…) [Ik] beloofde hem de verklaring te ondertekenen en te retourneren. Ik ben dat toen vergeten. Ik sta echter nog wel volledig achter die verklaring. (…) Wij hebben een verklaring afgelegd omdat mevrouw [eiseres] gezegd had dat er een geul was tussen het kussen en het zand. Dat is niet waar. Wij zaten op het gras vlakbij het kussen en hebben alles zien gebeuren. En ik heb toen een verklaring afgelegd omdat wat zij toen [zei] niet juist was. Ik heb dat ook tegen medewerkers van Plaswijck gezegd. Er was geen geul of iets dergelijks. Er was ook geen gat. Zij had haar kind voor haar op schoot. En zij hopte van de zijkant van het kussen af richting de grond. En ze kwam verkeerd terecht op de grond. Ze kwam net te hard terecht omdat ze van het kussen af veerde. Daarbij kwam nog dat zij geen lichtgewicht is. Ze kwam niet in een gat of een geul terecht. Ik hoorde een krak. Toen zij neerkwam op de grond, gooide ze haar crocs snel uit. (…) Het is niet waar als mevrouw nu zegt dat ze haar zoontje wilde redden omdat hij van het kussen viel. Haar zoontje was gewoon aan het springen en ze waren samen aan het spelen op het kussen. Het was hartstikke gemoedelijk. Met een grote glimlach gingen ze samen naar beneden. Beneden aan kwam ze ongelukkig met haar voet op de grond terecht. Ik keek er naar en hoorde krak. Ik heb niet gezien of haar voeten verzwikten of iets dergelijks.” 2.11. In haar e-mailbericht van 12 mei 2014 heeft Achmea te kennen gegeven dat zij Plaswijckpark niet aansprakelijk acht voor de gevolgen van het ongeval van 20 juli 2013. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert (samengevat): voor recht te verklaren dat Plaswijckpark aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade; Plaswijckpark te veroordelen om aan [eiseres] de door haar geleden schade te vergoeden, welke schade moet worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet; Achmea te veroordelen om alle uitkeringen die zij onder de bij haar gesloten aansprakelijkheidsverzekering verricht rechtstreeks aan [eiseres] over te maken; Plaswijckpark en Achmea hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten. 3.2. [eiseres] heeft primair aan haar vordering ten grondslag gelegd dat Plaswijckpark kwalitatief aansprakelijk is, omdat het springkussen een gebrekkige opstal is. Subsidiair is Plaswijckpark naar de mening van [eiseres] aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad. 3.3. Plaswijckpark en Achmea voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen. Zij betwisten de aansprakelijkheid, omdat naar hun mening geen sprake is van een gebrekkige opstal, noch van onrechtmatig handelen. Plaswijckpark en Achmea doen tevens een beroep op de in de algemene voorwaarden van Plaswijckpark opgenomen exoneratie. Voor het geval aansprakelijkheid wordt aangenomen, beroepen Plaswijckpark en Achmea zich op eigen schuld. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Beoordeeld moet worden of Plaswijckpark aansprakelijk is jegens [eiseres] voor de schade die zij heeft geleden na het haar overkomen ongeval bij het springkussen. 4.2. [eiseres] heeft primair gesteld dat Plaswijckpark kwalitatief aansprakelijk is op grond van artikel 6:174 BW in verbinding met artikel 6:181 BW. Plaswijckpark en Achmea hebben hier in de eerste plaats tegen aangevoerd dat het springkussen niet beschouwd kan worden als een opstal in de zin van artikel 6:174 lid 4 BW. De rechtbank overweegt dat onder opstal wordt verstaan een gebouw of werk dat duurzaam met de grond is verenigd. Voor een (bouw)werk is vereist dat sprake is van menselijk ingrijpen dat heeft bijgedragen aan de (duurzame) bestemming of functie van dat werk. De constructie van het springkussen bestaat uit een gefabriceerd luchtkussen dat ongeveer één meter diep in de bodem verzonken ligt. Het springkussen is daarmee duurzaam met de grond verenigd. Door Plaswijckpark en Achmea is ook niet gesteld dat het springkussen eenvoudig verplaatst zou kunnen worden. Voor de aanleg van het springkussen is de bodem deels uitgegraven en is er zand rondom het springkussen gestort om dit op zijn plaats houden. Het zand dat om het springkussen ligt is daarmee onderdeel van de constructie. Dat geldt ook voor het kunstgras dat ten tijde van het ongeval op het zand aanwezig was. Het springkussen, met het omliggende zand en kunstgras, moet dan ook als een opstal in de zin van artikel 6:174 lid 4 BW worden beschouwd. Dat Plaswijckpark als bezitter (artikel 6:174 lid 5 BW) dan wel bedrijfsmatig gebruiker (artikel 6:181 lid 1 BW) van deze opstal moet worden aangemerkt, is tussen partijen geen onderwerp van geschil, zodat hier in rechte vanuit zal worden gegaan. 4.3. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW is vereist dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.