Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/960190-10 Datum uitspraak: 11 februari 2016 Tegenspraak (artikel 279 Wetboek van Strafvordering) Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres 1] , gemachtigd raadsman mr. P.J. Hoogendam, advocaat te 's-Gravenhage. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 januari 2016. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. G.C. Bos heeft gevorderd: partiële vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde witwassen van € 400.000,-- althans een (groot) geldbedrag, tezamen en in vereniging met [koerier 5] ; bewezenverklaring van het (overigens) onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren. Waardering van het bewijs Bewijswaardering 1. Standpunt verdediging Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde, nu er - zeer kort samengevat - onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat duidt op betrokkenheid van de verdachte bij de verschillende ten laste gelegde feiten. 2. Beoordeling Aan de verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het (medeplegen van) (gewoonte)witwassen van crimineel geld, het deelnemen aan een criminele organisatie en het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie. De verdenking van witwassen valt uiteen in feit 1 (medeplegen van witwassen door middel van het vervoeren van crimineel geld naar het buitenland door geldkoeriers) en feit 3 (medeplegen van witwassen van het geld dat is aangetroffen in het pand aan de [adres 2] ). 2.1. Witwassen feit 1 Onder feit 1 is het witwassen van ruim € 50.000.000,-- ten laste gelegd, bestaande uit het laten vervoeren van een gedeelte van dit geldbedrag, telkens € 400.000,--, door een aantal met name genoemde geldkoeriers, te weten [koerier 1] , [koerier 2] , [koerier 3] , [koerier 5] en [koerier 4] en overigens door onbekend gebleven personen met telkens onbekend gebleven bedragen. De rechtbank zal hierna per koerier het transport bespreken. 2.1.1. Koerier [koerier 5] Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de betrokkenheid van de verdachte bij het transport door [koerier 5] niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 2.1.2. Koerier [koerier 2] De raadsman heeft gewezen op het vonnis van de politierechter in de strafzaak tegen [koerier 2] van 26 november 2015, waarin de politierechter [koerier 2] heeft vrijgesproken, omdat niet bewezen was dat er een geldtransport had plaatsgevonden. Dit zou, aldus de raadsman, in de zaak tegen de verdachte ook tot vrijspraak moeten leiden wat dit onderdeel van de tenlastelegging betreft. De rechtbank stelt voorop dat tegen het vonnis van de politierechter nog hoger beroep loopt en het vonnis dus niet in kracht van gewijsde is. De rechtbank acht, anders dan de politierechter, wel overtuigend bewezen dat [koerier 2] een geldtransport heeft uitgevoerd. De rechtbank verwerpt het verweer. De overige door de raadsman gevoerde vrijspraakverweren vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen, zodat daar niet expliciet op zal worden ingegaan. De rechtbank acht medeplegen van witwassen in zoverre bewezen. 2.1.3. Koerier [koerier 3] De door de raadsman gevoerde vrijspraakverweren ten aanzien van het transport door de koerier [koerier 3] vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen, zodat daarop niet expliciet zal worden ingegaan. De rechtbank acht in zoverre medeplegen van witwassen bewezen. 2.1.4. Koerier [koerier 4] Op basis van de voor dit transport redengevende bewijsmiddelen, wordt de betrokkenheid van de verdachte bij dit transport wettig en overtuigend bewezen geacht. Het verweer van de raadsman dat de getuigenverklaring van [koerier 4] gelet op hetgeen volgt uit het door het EHRM gewezen Vidgen-arrest moet worden uitgesloten van het bewijs omdat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld de getuige te ondervragen, terwijl de verklaring van de getuige wel in beslissende mate voor het bewijs wordt gebezigd, wordt verworpen. De zaken, waarin het EHRM (en de Hoge Raad, vgl. HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539) heeft uitgemaakt dat de in het opsporingsonderzoek afgelegde (belastende) getuigenverklaring van het bewijs dient te worden uitgesloten omdat de verdediging niet in enig stadium van het geding in de gelegenheid is geweest haar ondervragingsrecht uit te oefenen, betreffen situaties waarin een bewezenverklaring alleen of in beslissende mate ('solely or to a decisive degree') berust op de verklaring van die getuige. Zo’n situatie is in het onderhavige geding niet aan de orde. De door de verdediging gelaakte verklaring vormt namelijk niet het enige en beslissende bewijs in het onderhavige geldtransport, zoals blijkt uit de overige voor dit transport redengevende bewijsmiddelen. Daarnaast is de getuige op 6 maart 2012 door de rechter-commissaris en de raadslieden van een aantal medeverdachten - ook in de zaak van de verdachte, zij het buiten aanwezigheid van de verdachte en haar raadsman - (kritisch) ondervraagd. De getuige heeft tijdens dat verhoor onder andere aangegeven te persisteren bij hetgeen hij bij de politie heeft verklaard. Van schending van de in het Vidgen-arrest omschreven norm is dan ook geen sprake. 2.1.5. Koerier [koerier 1] Vaststaat dat [koerier 1] op 10 maart 2011 is uitgereisd naar Madrid. Uit de aantekeningen in het notitieblok (document D.04.05.0001) dat is aangetroffen in de woning aan de [adres 2] , blijkt dat [koerier 1] (bijnaam: ‘trave’) bij deze reis een geldbedrag van ‘400’ heimelijk heeft vervoerd. Voorafgaand aan de reis van [koerier 1] hebben er diverse telefoongesprekken plaatsgevonden tussen [mededader 6] , de partner van de verdachte, en [koerier 1] . In één van deze gesprekken, te weten op 9 maart 2011 om 20:57 uur, zegt [mededader 6] dat hij ‘het koffertje’ voor [koerier 1] heeft. [koerier 1] antwoordt vervolgens dat hij de volgende dag - 10 maart 2011 - bij [mededader 6] op bezoek komt in de [adres 2] . Dit bezoek is door een observatieteam van de politie waargenomen. Uit de boekingsgegevens van KLM blijkt dat op naam van [koerier 1] een vliegticket is geboekt voor een vlucht op 10 maart 2011 van Amsterdam naar Madrid. Het e-mailadres dat hierbij opgegeven is, betreft [e-mailadres] . Uit het tapgesprek van 13 juli 2010 om 8.18 uur blijkt dat dit e-mailadres door de verdachte wordt opgegeven als de hare. Op basis van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien en mede gelet op de modus operandi in de overige bewezenverklaarde transporten die allemaal in dezelfde periode plaatsvinden en waarbij de verdachte door drie van de vier koeriers is herkend als degene die hen heeft benaderd/geïnstrueerd, wordt wettig en overtuigend bewezen geacht dat [koerier 1] op 10 maart 2011 heimelijk een geldbedrag van Nederland naar Madrid heeft vervoerd en dat de verdachte daarbij als medepleger betrokken is geweest. 2.1.6. Hoogte geldbedragen Met betrekking tot het bewijs van de hoogte van de door de koeriers vervoerde geldbedragen baseert de rechtbank haar oordeel op de aantekeningen in het notitieblok (document D.04.05.0001) dat is aangetroffen in de woning aan de [adres 2] . In deze aantekeningen komt een overzicht voor van (bij)namen van de betrokken koeriers, of afkortingen daarvan, waarachter steeds het cijfer 400 is vermeld. De conclusie dat met deze getallen een bedrag van € 400.000,-- wordt bedoeld is (mede) gebaseerd op de door [verbalisant] opgemaakte analyse van 15 september 2011. 2.1.7. Criminele herkomst? Ten aanzien van de vraag of de ten laste gelegde, door de koeriers vervoerde geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf en derhalve gesproken kan worden van witwassen, wordt als volgt overwogen. Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is, witwassen bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld of de goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulks zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Die verklaring dient te voldoen aan de vereisten dat zij concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat zij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld of de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Ook het onderhavige verwijt zal aan de hand van dit toetsingskader worden beoordeeld. 2.1.7.1. Vermoeden van witwassen Bewezen is verklaard dat de verdachte, samen met anderen, frequent grote geldbedragen naar het buitenland heeft gebracht. Het geld, in coupures van € 500,-- werd in carbonpapier verpakt en verstopt in geprepareerde koffers en tassen die vervolgens door koeriers naar Zuid-Amerika werden vervoerd. Het op deze wijze overbrengen van geld is risicovol, kostbaar en tijdrovend. In het legale geldcircuit is een dergelijke handelwijze uiterst ongebruikelijk en ongewenst. Nu daarnaast de aanwezigheid van de grote hoeveelheden geld niet verklaard kan worden uit reguliere inkomsten van de verdachte, maakt dat er zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen. 2.1.7.2. Verklaring herkomst geld De verdachte heeft geen verklaring gegeven waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het geld - ondanks het vermoeden van witwassen - toch een legale herkomst kent. Het vermoeden van witwassen is hierdoor onvoldoende ontzenuwd. Dat betekent dat het niet anders kan zijn dan dat de ten laste gelegde geldbedragen - middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als medepleger bij meer transporten betrokken is geweest, dat het om een totaal bedrag is gegaan van ruim 50 miljoen euro of dat het geld van drugshandel afkomstig is. 2.1.8. Tussenconclusie De verdachte heeft telkens € 400.000,-- witgewassen samen en in vereniging met respectievelijk [koerier 1] , [koerier 2] , [koerier 3] en [koerier 4] . 2.2. Deelname criminele organisatie (feit 2) Op basis van hetgeen is overwogen in de alinea’s 2.1.1. tot en met 2.1.6. en gelet op de overige bewijsmiddelen (als bijlage II aan dit vonnis gehecht), acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 23 november 2010 tot en met 17 mei 2011 deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezighield met het (gewoonte)witwassen van gelden, afkomstig uit enig misdrijf. De verdachte vervulde in deze organisatie een belangrijke uitvoerende rol. Zij benaderde geldkoeriers met het voorstel om (tegen betaling) op reis te gaan, boekte vliegtickets en reserveerde hotelkamers voor hen en onderhield contact met de geldkoeriers in binnen- en buitenland. 2.3. Witwassen geld [adres 2] (feit 3) Ten aanzien van het ten laste gelegde witwassen van het geld dat is aangetroffen in de [adres 2] , zal de rechtbank hetzelfde stappenplan doorlopen zoals hierboven onder alinea 2.1.7, is geschetst. 2.3.1. Vermoeden van witwassen Op 11 maart 2011 is tijdens de doorzoeking in de woning aan de [adres 2] , op welk adres de verdachte destijds stond ingeschreven, een contant geldbedrag van in totaal ruim € 1.000.000,-- aangetroffen. Dit geldbedrag was verstopt op meerdere plaatsen, zoals in de stofzuiger, een kledingkast en achter een plafondplaat. Een aldus verstopt contant geldbedrag van dergelijke omvang, bezien in samenhang met de eveneens in de woning aangetroffen geldtelmachine en het feit dat de verdachte en haar partner [mededader 6] in 2010 - begin 2011 in Nederland nagenoeg geen legaal inkomen hebben genoten, maakt dat er zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Gelet hierop en gelet op het feit dat de verdachte betrokken was bij verdachte geldtransporten, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het voornoemde geldbedrag. 2.3.2. Verklaring herkomst geld De verdachte noch [mededader 6] hebben een verklaring gegeven waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het geld - ondanks het vermoeden van witwassen - toch een legale herkomst kent. Het vermoeden van witwassen is derhalve niet ontzenuwd. Dat betekent dat het niet anders kan dan dat het geldbedrag dat is aangetroffen in het pand aan de [adres 2] - middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn. 2.3.3. Wetenschap? De vraag die vervolgens voorligt is of de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het aangetroffen crimineel geld, temeer nu de raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte in de periode rond 11 maart 2011 niet woonachtig was in de [adres 2] , maar in de [adres 3] . Vooropgesteld wordt dat de verdachte, gelet op het uittreksel van de ‘ID-staat SKDB’, van 23 november 2010 tot 15 september 2011 (en dus ook op 11 maart 2011) ingeschreven heeft gestaan op het adres [adres 2] . Dat de verdachte daar ook daadwerkelijk woonachtig was, vindt steun in de op 12 mei 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [mededader 6] , die heeft verklaard: V: Je zegt dat je op de [adres 2] woont met wie? A: Ik woonde daar met mijn ex-vriendin en nu met mijn huidige vriendin. (…) V: Wie is uw huidige vriendin? A: [verdachte] . Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen met nummer 29-792654 dat de verdachte op 9 maart en ook op 11 maart 2011, in elk geval rond 16.40 uur, wanneer de politie observeert dat zij de woning verlaat, aanwezig was in de woning aan de [adres 2] . De stelling van de raadsman dat uit niets blijkt dat de verdachte op 11 maart 2011 in de woning aan de [adres 2] is geweest, mist aldus feitelijke grondslag. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Wat betreft de wetenschap van de verdachte van het aangetroffen crimineel geld, wordt voorts overwogen dat de verdachte (zoals reeds is besproken in alinea 2.2) een uitvoerende rol heeft vervuld in de criminele organisatie waarvan zij deel uitmaakte. Zij benaderde geldkoeriers met het voorstel om (tegen betaling) op reis te gaan, boekte vliegtickets en reserveerde hotelkamers voor hen en onderhield contact met de geldkoeriers in binnen- en buitenland. Een aantal van deze koeriers heeft voorafgaand aan hun reis het pand aan de [adres 2] bezocht, waar zij instructies kregen over hun komende vliegreis. 2.3.4. Tussenconclusie Gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan het niet anders dan dat de verdachte wetenschap had van het in het pand aan de [adres 2] aangetroffen van misdrijf afkomstige geldbedrag. Het onder 3 ten laste gelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen. 2.4. Voorhanden hebben vuurwapen (feit 4) Onder feit 4 wordt de verdachte verweten dat zij, samen met (een) ander(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.