Rechtbank Rotterdam Team insolventie verzet ongegrond insolventienummer: [nummer] uitspraakdatum: 14 oktober 2016 Vonnis op het verzoekschrift van: mr. Martijn Hendrikus Janssen, mede in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement Zorgplatform Carebalance B.V., wonende te [woonplaats] , verzoeker, advocaat: mr. R. Slotboom, strekkende tot vernietiging van het vonnis van deze rechtbank van 1 september 2016, waarbij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Zorgplatform Carebalance B.V. (hierna: gefailleerde) in staat van faillissement is verklaard op verzoek van: [naam 1] , wonende te Rotterdam, verweerder, advocaat: mr. E. Walinga. 1De procedure Het verzoekschrift is op 9 september 2016 ter griffie ontvangen. Op 22 september 2016 heeft de rechtbank nadere stukken van verzoeker ontvangen. Het verzoekschrift is ter zitting van 23 september 2016 behandeld. Daarbij is verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, mr. Slotboom verschenen. Voorts zijn verweerder, bijgestaan door zijn advocaat, mr. Walinga, almede de heren [naam 2] en [naam 3] , aandeelhouders en voormalig bestuurders van gefailleerde, verschenen. Ter terechtzitting zijn door mr. Slotboom en mr. Walinga nadere stukken aan de rechtbank overgelegd. De uitspraak is bepaald op heden. 2De vaststaande feiten Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten: 2.1 Verweerder is minderheidsaandeelhouder in de gefailleerde vennootschap met een belang van een derde in het geplaatste aandelenkapitaal. De andere aandeelhouders zijn de vennootschappen van de middellijke bestuurders, de heren [naam 3] en [naam 2] . Zij hebben beiden eveneens een belang van een derde in het geplaatste aandelenkapitaal. 2.2 De twee oorspronkelijke bestuurders van gefailleerde, de heer [naam 3] en MHMC Holding B.V. zijn respectievelijk per 1 januari en 1 oktober 2015 teruggetreden en uitgeschreven uit het handelsregister, zonder dat de aandeelhoudersvergadering van gefailleerde een opvolgend bestuur heeft benoemd. 2.3 De heer [naam 3] heeft de digitale boekhouding na het faillissement ter beschikking gesteld aan de curator. 2.4 Verweerder heeft bij overeenkomst van februari 2014 een bedrag van € 60.000,00 uitgeleend aan gefailleerde. Dit bedrag is niet terugbetaald. 2.5 Naast de vordering van verweerder laat gefailleerde een vordering aan Zorgjuristen B.V. en de ING Bank N.V. onbetaald. 3De standpunten 3.1 De standpunten van verzoeker 3.1.1 Verzoeker heeft gesteld dat ten tijde van indiening van het verzoekschrift tot de faillietverklaring van Zorgplatform Carebalance B.V., het verweerder reeds bekend was dat er in het geheel geen baten zijn. Het faillissement beoogt verdeling door de curator van het vermogen van de schuldenaar onder diens gezamenlijke schuldeisers. Nu het verweerder bekend was dat van enig actief geen sprake was, zal verzoeker in zijn hoedanigheid van curator niet toekomen aan verdeling onder de gezamenlijke schuldeisers. Na het uitspreken van het vonnis heeft verzoeker onderzoek gedaan. Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen activa zijn en dat de bedrijfsactiviteiten zijn gestaakt. Het is verzoeker niet gebleken dat er nog baten te verkrijgen of te verwachten zijn. Verweerder had dan ook geen enkel rechtens te respecteren belang bij het uitgesproken faillissement omdat voor hem op voorhand vaststond dat er geen actief was of zou worden verkregen. Verweerder heeft echter gemeend om toch het faillissement van gefailleerde aan te moeten vragen. Dit levert misbruik van bevoegdheid op, aldus verzoeker. Verzoeker is hierdoor geconfronteerd met de situatie dat hij een wettelijke verplichting heeft tot het verrichten van werkzaamheden, die tot een aanzienlijke omvang kunnen oplopen zonder dat er enig uitzicht is op een beloning of zelfs maar een vergoeding van de te maken kosten. Verzoeker is vanaf het moment van zijn benoeming en aanvang van zijn werkzaamheden aan te merken als boedelcrediteur. Op grond van de uitspraak van de Hoge Raad van 18 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3636) heeft verzoeker daarom een persoonlijk belang, waardoor hij mede pro se in verzet komt tegen het faillissementsvonnis. 3.1.2 Verweerder was als aandeelhouder nauw betrokken bij de onderneming. Het had op de weg van verweerder gelegen om zelf onderzoek te doen naar malversaties aan de zijde van het bestuur. Uit hoofde van de bepalingen van de overeenkomst van geldlening had verweerder eveneens de mogelijkheid om volledige inzage te krijgen in de financiële positie van gefailleerde. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een concrete aanwijzing van mogelijke vorderingen op het bestuur. Er is echter wel sprake van schending van de deponeringsplicht. Een causaal verband tussen het onbehoorlijke bestuur en het faillissement ontbreekt, nu de oorzaak van het faillissement gelegen is in een business model waarvan is gebleken dat dit uiteindelijk niet tot een winstgevende exploitatie heeft geleid, aldus verzoeker. 3.1.3 Verzoeker heeft de rechtbank gelet op het voorgaande verzocht het verzet gegrond te verklaren en verweerder te veroordelen in de proces- alsmede de faillissementskosten. 3.2 De standpunten van verweerder 3.2.1 Verweerder heeft aangevoerd dat hij naast aandeelhouder ook schuldeiser is van gefailleerde. Verweerder heeft een vorderingsrecht jegens de vennootschap. Dit betreft een externe rechtsverhouding. Verweerder is minderheidsaandeelhouder van gefailleerde, zonder recht op kennisneming van de boekhouding van gefailleerde. Verweerder had noch als aandeelhouder noch als schuldeiser kennis van de boekhouding en de financiële positie van gefailleerde. Aan verweerder kan niet de kennis van de financiële toestand van gefailleerde worden toegerekend die het bestuur zou moeten hebben. 3.2.2 Verweerder heeft voorts gesteld dat het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 waaraan verzoeker refereert niet van toepassing is op onderhavig geval. De Hoge Raad heeft de toepasselijkheid van het derdenverzetsrecht van de curator beperkt tot die situatie waarin het bestuur van de vennootschap eigen aangifte van faillissement heeft gedaan. Die situatie is hier niet aan de orde. Het faillissement van gefailleerde is immers uitgesproken op verzoek van een schuldeiser, namelijk verweerder. 3.2.3 Het belang van een schuldeiser bij faillietverklaring van zijn debiteur is eveneens gelegen in het rechtmatigheidsonderzoek door de curator. Een schuldeiser in het algemeen, en ook verweerder in dit geval, heeft geen inzicht in de financiële toestand van een debiteurrechtspersoon op de wijze waarop het bestuur die wel heeft. Een curator heeft naast de wettelijke bevoegdheden om onderzoek te doen ook rechtsmiddelen tot zijn beschikking waarmee hij de boedel kan herstellen of de verantwoordelijken op hun onbehoorlijk bestuur of onrechtmatig handelen kan aanspreken. Verweerder had dan ook bij zijn faillissementsaanvraag een gerechtvaardigd belang en heeft daarom geen misbruik van recht gemaakt door het faillissement van gefailleerde aan te vragen. 3.2.4 Daarnaast is door verzoeker onvoldoende onderbouwd in welk persoonlijk belang hij zou zijn geraakt. Verzoeker werkt immers in loondienst en is als curator niet verplicht om een benoeming aan te nemen. Verzoeker heeft zelf de benoeming aanvaard. Dit kan niet worden aangetast door een derdenverzet. 3.2.5 Op grond van het voorgaande is verweerder van oordeel dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek, dan wel dat het verzoek dient te worden afgewezen. Verweerder heeft de rechtbank eveneens verzocht verzoeker zowel pro se als q.q. in de proceskosten te veroordelen. 4De beoordeling 4.1 De ontvankelijkheid 4.1.1 De curator heeft als belanghebbende het recht van verzet op grond van artikel 10 van de Faillissementswet. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.