Rechtbank Rotterdam Team Jeugd Parketnummer: 10/730256-12 Datum uitspraak: 5 januari 2016 BESCHIKKING van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement tot verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen en de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement tot het vaststellen van voorwaarden tijdens de voorwaardelijke beëindiging, opgelegd aan: [Naam veroordeelde] , hierna te noemen de veroordeelde, geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] verblijvende in Justitiële Jeugdinrichting De Hartelborgt, Borgtweg 1, 3202 LJ Spijkenisse, raadsvrouw: mr. H. Yilmaz, advocaat te Rotterdam. PROCEDURE Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 25 april 2013, is aan de veroordeelde ter zake van de eendaadse samenloop van medeplegen van moord en diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het geslotene te verzekeren, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Bij beslissing van deze rechtbank van 6 augustus 2015 is de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen verlengd met zes maanden. Op 7 december 2015 is op de griffie van de rechtbank binnengekomen de vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 77t van het Wetboek van Strafrecht, gedateerd 7 december 2015, met daarbij gevoegd een advies van het hoofd van de inrichting waar de veroordeelde verblijft van 12 november 2015 en een afschrift van de wettelijke aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde van 27 oktober 2015. De vordering strekt ertoe de maatregel te verlengen met zes maanden. Op 15 december 2015 is op de griffie van de rechtbank binnengekomen de vordering van het openbaar ministerie gedateerd 15 december 2015 met daarbij gevoegd een advies van Reclassering Nederland van 11 december 2015. De vordering strekt ertoe dat de rechtbank in geval van voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van rechtswege, zal bepalen dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook indien die een vorm van intensieve begeleiding inhouden, zal deelnemen aan een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen en/of maatschappelijke opvang, zich ten opzichte van begeleiders coöperatief en begeleidbaar zal opstellen en openheid van zaken zal geven op alle leefgebieden, toestemming zal verlenen om contact op te nemen met relevante referenten en netwerkcontacten, een zinvolle dagbesteding in de vorm van (vrijwilligers)werk en/of opleiding zal hebben, een aantoonbaar inkomen zal hebben en daarover openheid zal geven aan de reclassering, indien daar aanleiding toe ontstaat zal meewerken aan hulpverlening op het gebied van middelengebruik en niet zonder toestemming van de reclassering zal verhuizen of van adres veranderen. De behandeling van de zaak heeft in beslotenheid plaatsgevonden in raadkamer van 22 december 2015. De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer, de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw voornoemd, de getuige-deskundige (gedragsdeskundige) dhr. [naam] , werkzaam bij JJI De Hartelborgt, en mevr. [naam] , werkzaam bij Reclassering Nederland, zijn gehoord. De officier van justitie heeft tijdens het onderzoek in raadkamer geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tot verlenging van de maatregel, zodat de maatregel zal eindigen op 5 februari 2016. Aan die beëindiging moeten, aldus de officier van justitie, voorwaarden gesteld worden, welke voorwaarden zijn opgesomd in het advies van Reclassering Nederland van 11 december 2015. De veroordeelde en zijn raadsvrouw hebben bepleit dat de vordering tot verlenging van de maatregel wordt afgewezen zodat de maatregel op 5 februari 2016 zal eindigen. Aan die beëindiging moeten de voorwaarden worden verbonden opgesomd in het advies van Reclassering Nederland van 11 december 2015. BEVOEGDHEID De rechtbank is bevoegd van de vorderingen kennis te nemen, aangezien zij in eerste aanleg heeft kennis genomen van het misdrijf ter zake waarvan de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is gelast. ONTVANKELIJKHEID VAN DE VORDERING VERLENGING PLAATSING INRICHTING JEUGDIGEN Het openbaar ministerie kan worden ontvangen in zijn vordering tot verlenging van de maatregel, nu deze niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zou eindigen, is ingediend. BEOORDELING VAN DE VORDERING VERLENGING PLAATSING INRICHTING JEUGDIGEN Het verlengingsadvies houdt onder meer het volgende in. Sinds de laatste PIJ-verlengingszitting (rechtbank: op 6 augustus 2015) is er veel gebeurd. De veroordeelde heeft zich na de zitting ingesteld op het volgen van een uitstroomtraject. De veroordeelde heeft hiermee extra druk gelegd op het te volgen traject. Hij voelde zich hierin gesterkt door de beschikking van de rechtbank van 6 augustus 2015. Een maand na de zitting van 6 augustus 2015 is een verlofmachtiging afgegeven. De eerste begeleide verloven zijn positief verlopen. De verloven bieden aanknopingspunten om verder in gesprek te gaan met de veroordeelde over zijn gevoelswereld en gedachten, ook rondom delictgerelateerde situaties. Vanuit deze observaties in de praktijk kan een verdieping worden aangebracht in de ontwikkeling van de veroordeelde. De veroordeelde lijkt te groeien in zijn ontwikkeling en zich in toenemende mate open te stellen. Er is echter nog steeds sprake van een sociaal wenselijke houding. De afgelopen periode is gezien hoe de veroordeelde omgaat met tegenslagen en frustraties. De veroordeelde heeft hierin groei laten zien, hij heeft tegenslagen beter kunnen hanteren. Enerzijds is er opbouw van spanning en achterdocht jegens de behandelaars gezien, anderzijds is gezien dat de veroordeelde zich wist aan te passen en is blijven meewerken aan zijn traject. De veroordeelde heeft in de afgelopen periode kunnen oefenen met het uitstellen van zijn behoeften en het op een minder rigide en dwangmatige manier najagen daarvan. De veroordeelde heeft een hoog ambitieniveau, met grote verwachtingen van zijn omgeving. Als de omgeving hierin niet direct meegaat, is hij dwingend en afkeurend. Ten aanzien van de resocialisatie van de veroordeelde dienen nog de nodige vragen beantwoord te worden, zoals de vraag wat de dagbesteding van de veroordeelde zal worden. De voorwaardelijke beëindiging is als mogelijkheid overwogen, maar wordt als kader niet geschikt geacht omdat dit onvoldoende dwingend wordt geacht om de persoonlijke ontwikkeling van veroordeelde in de omgang met anderen, de omgang met ouders en het omgaan met vragen over zijn verleden en het delict te kunnen begeleiden. Het bespreken van wat de veroordeelde bezig houdt, komt voorzichtig op gang. Van een voorwaardelijke beëindiging wordt op dit moment verwacht dat dit het proces van open communicatie zal doorkruisen. Geadviseerd wordt de maatregel met negen maanden te verlengen. Het advies van Reclassering Nederland van 11 december 2015 houdt onder meer het volgende in. De veroordeelde kan na zijn vrijlating bij zijn ouders gaan wonen. Na zijn vrijlating zal een uitkering worden aangevraagd. Uit het bij veroordeelde afgenomen psychologisch onderzoek van medio augustus 2015 komt, aldus de reclassering, onder meer het volgende naar voren: “de innerlijke dynamiek van de veroordeelde lijkt niet te stroken met het beeld dat hij van zichzelf wil neerzetten. Er lijkt sprake te zijn van een dusdanig superlatieve zelfpresentatie dat deze niet geloofwaardig is voor de buitenwereld. De veroordeelde lijkt zich als onaantastbaar en onkwetsbaar te willen presenteren, terwijl onderliggend een sterk gevoel van onzekerheid gezien wordt voortkomend uit een zwak zelf-concept. Er lijkt weinig sprake te zijn van een eigen identiteit, wat in combinatie met veroordeeldes gebrekkige sociale vaardigheden leidt tot sociale teruggetrokkenheid en isolatie om kwetsing te voorkomen. Er lijkt weinig voeling te zijn met het eigen gevoelsleven en er lijkt sprake te zijn van een gebrek aan zelfinzicht. Hierdoor is er een grote kwetsbaarheid met een primair narcistische affect-afweer die, gezien de stabiliteit, lang kan worden volgehouden, maar onverwacht kan doorbreken. Een dergelijke doorbraak kan leiden tot acting-outgedrag in de vorm van agressie, angstklachten of zelfs een psychose. Enerzijds wordt een overaanpassing gezien waarbij de eigen gevoelens en behoeften niet worden uitgesproken maar worden vermeden. Anderzijds wordt gezien dat de veroordeelde in zekere mate moeite heeft met autoriteit, dat hij weinig verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag en dat hij overmatig rationaliseert, waardoor hij in enige mate lichtgeraakt en eigenzinnig poneert. De persoonlijkheid van de veroordeelde is onrijp en kwetsbaar. Bij toenemende druk is er sprake van een verhoogde gevoeligheid voor psychopathologie. Dit uit zich in structureel onvermogen tot het vormgeven van diepere sociale contacten, een grote mate van regiebehoefte, vermijding van problemen, ingehouden agressie en overaanpassing die uiteindelijk zouden kunnen leiden tot overmatige angstgevoelens, acting-outgedrag en mogelijk tot decompensatie of psychose.” De reclassering schat de recidivekans op laag/gemiddeld en geeft daarbij aan dat deze inschatting enkel is gebaseerd op het gedrag van veroordeelde in de JJI en bij de begeleide verloven. Gerapporteerd wordt dat toezicht op bijzondere voorwaarden met de in het rapport van 11 december 2015 opgenomen (gedrags-)interventie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.