Rechtbank Rotterdam Meervoudige kamer voor wrakingszaken Zaaknummer / rekestnummer: 499817 / HA RK 16-294 Beslissing van 4 mei 2016 op het verzoek van [naam verzoeker] , wonende te [adres], verzoeker, strekkende tot wraking van: mr.dr. D. Brugman, rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling publiekrecht, team bestuur 1 (hierna: de rechter). 1Het procesverloop en de processtukken Bij brieven van de griffier van 23 maart 2016 is verzoeker opgeroepen voor de zitting van deze rechtbank op 22 april 2016, teneinde op die zitting nadere vragen van de rechtbank te beantwoorden, zijn standpunt mondeling toe te lichten en te reageren op het standpunt van de wederpartij in een zevental bestuursrechtelijke procedures met kenmerken: ROT 15/3638, ROT 15/4072, ROT 15/727, ROT 15/4825, ROT 15/3577, ROT 15/7019 en ROT 15/
- In alle hiervoor bedoelde brieven is aan verzoeker meegedeeld dat mr.dr. D. Brugman de behandelend rechter is. Bij brief van 18 april 2016 heeft verzoeker de rechter verzocht zich te verschonen van de behandeling van de hiervoor omschreven procedures en subsidiair – indien de rechter niet op dat verzoek ingaat – de wraking van de rechter verzocht. Bij brief van de griffier van 19 april 2016 is aan verzoeker meegedeeld dat de rechter geen aanleiding ziet zich terug te trekken. De wrakingskamer heeft kennis genomen van de dossiers van de hiervoor omschreven procedures. Verzoeker, de rechter, alsmede het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente] zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd. De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft laten weten van die gelegenheid geen gebruik te maken. Ter zitting van 2 mei 2016, waar het wrakingsverzoek is behandeld, is verschenen: de rechter. Verzoeker is niet ter zitting verschenen. 2De ontvankelijkheid van het verzoek 2.
- In de eerste plaats is aan de orde de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoeker bekend waren geworden – zoals artikel 8:16 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht vereist. 2.
- De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende. Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd – kort samengevat – dat de rechter in andere beroepsprocedures van verzoeker, waarin gelijksoortige kwesties spelen, als rechter is opgetreden en zich daarin heeft opgesteld op een wijze die hij niet als onpartijdig ziet. Verzoeker doelt daarmee op twee uitspraken van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 18 maart 2016, van welke kamer de rechter deel uitmaakte. Zoals hiervoor gememoreerd is verzoeker door middel van de brieven van de griffier van 23 maart 2016 op de hoogte gebracht van de behandeling van zijn zaken op 22 april 2016 door de rechter. Zelfs indien rekening wordt gehouden met de maximale termijn van twee weken, die de administratie van de rechtbank ingevolge artikel 8:79 van de Algemene wet bestuursrecht mag hanteren bij het verzenden van uitspraken van de bestuursrechter in deze rechtbank, moet ervan worden uitgegaan dat verzoeker niet later dan op of omstreeks 6 april 2016 op de hoogte was van de inhoud van de uitspraken van 18 maart
- 2.3 Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wraking dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond tot wraking, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is. In dit geval is die termijn ruimschoots overschreden. De gewraakte gedragingen van de rechter zijn immers niet later dan op of omstreeks 6 april 2016 ter kennis gekomen van verzoeker, terwijl het verzoek tot wraking eerst is ingediend op 18 april
- 2.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoeker niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het wrakingsverzoek. 3De beslissing verklaart verzoeker niet ontvankelijk in het verzoek tot wraking van mr.dr. D. Brugman. Deze beslissing is gegeven door mr. H.J.M. van der Kaaij, voorzitter, mr.drs. J. van den Bos en mr. L.C. van Walree, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 mei 2016 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier. Verzonden op: aan: - verzoeker - mr.dr. D. Brugman - college van B & W van de gemeente [naam gemeente]