Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: ROT 15/8009 uitspraak van de meervoudige kamer van 1 augustus 2016 in de zaak tussen [eiser], te Dordrecht, eiser, gemachtigde: mr. T.G.J. Horlings, en het college van burgemeester en wethouders van [a], verweerder, gemachtigde: mr. A. Doup. Procesverloop Bij besluit van 9 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder een korting van 10% op de bezoldiging van eiser doorgevoerd, met ingang van 16 juli 2015. Bij besluit van 5 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [b] en [c]. Overwegingen 1. Eiser is vanaf 22 januari 2015 tot 16 juli 2015 onafgebroken arbeidsongeschikt geweest. Als eerste verzuimdag (ketenverzuim) geldt 16 januari 2015. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 19 oktober 2015, de beslissing gehandhaafd om de bezoldiging van eiser met ingang van 16 juli 2015 terug te brengen naar 90% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n), omdat hij met ingang van die datum zes maanden onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest (artikel 7:3, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten en de uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO)). 3. Eiser betoogt dat zijn bezoldiging ten onrechte met 10% is gekort. Eiser meent dat hij recht heeft op doorbetaling van zijn volledige salaris, omdat hij vanaf 12 mei 2015 werkzaamheden in het kader van zijn re-integratie had kunnen verrichten, maar daartoe door toedoen van verweerder ten onrechte niet in staat is gesteld. Eiser wijst in dit verband op de in artikel 7:9, eerste lid, van de CAR/UWO neergelegde inspanningsverplichting van verweerder. 3.1. Op grond van artikel 7:3, eerste lid, van de CAR/UWO heeft de ambtenaar bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n). Op grond van artikel 7:3, tweede lid, van de CAR/UWO heeft de ambtenaar bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n). Op grond van artikel 7:3, zesde lid, van de CAR/UWO heeft de ambtenaar recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende salaristoelage(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.