vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel zaaknummer / rolnummer: C/10/493211 / HA ZA 16-75 Vonnis van 10 augustus 2016 in de zaak van de vennootschap onder firma STAD EN LAND MAKELAARS V.O.F., gevestigd te Rotterdam, eiseres, advocaat mr. S.W. van Zijll te Rotterdam, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. J.A. Visser te Dordrecht, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 2] , gevestigd te [woonplaats] , gedaagde, niet verschenen. Partijen zullen hierna ‘Stad en Land’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis (de brief) van 4 mei 2016, het proces-verbaal van comparitie van 20 juni 2016. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Via zijn holding [gedaagde 2] vormde [gedaagde 1] samen met Makelaarskantoor Stad en Land B.V., [bedrijf A] en [bedrijf B] een vennootschap onder firma. 2.2. De overige drie vennoten hebben op 24 augustus 2007 de samenwerking met [gedaagde 2] opgezegd. 2.3. In het kader van de afwikkeling van de opzegging is op 22 april 2008 met behulp van mediation een vaststellingsovereenkomst gesloten. Op grond van deze vaststellingsovereenkomst, waarin als contractspartijen de voormelde drie B.V.’s (tezamen thans Stad en Land vormend) en [gedaagde 2] worden genoemd, heeft de vennootschap aan [gedaagde 2] een lening verstrekt van € 85.000,-. In de vaststellingsovereenkomst staat daarover onder meer het volgende vermeld: 5.2. De Vennootschap verstrekt hierbij aan [gedaagde 2] een lening ter grootte van € 85.000,- ter aflossing van het negatieve eigen vermogen van [gedaagde 2] in de Vennootschap. Deze lening heeft een looptijd van 181 maanden en heeft een vast rentepercentage van 4% op jaarbasis. 5.3. De lening gaat in op 1 maart 2008 en de eerste 22 maanden van de lening zijn aflossingsvrij. Rente en aflossing worden steeds per het einde van de maand betaald op een door de Vennootschap op te geven rekening. De maandelijkse rente wordt telkens per maand berekend (…). 5.4. Vanaf de 23e maand, zijnde januari 2010, lost [gedaagde 2] steeds per einde van de maand € 654,00 af, inclusief de verschuldigde rente op dat moment, conform het Aflossingsschema. 5.7. [gedaagde 2] sluit op het leven van haar directeur een levensverzekering af bij een verzekeringsmaatschappij met de Vennootschap als begunstigde teneinde bij overlijden van haar directeur het restant van de lening, inclusief de dan verschuldigde rente, in één keer te kunnen aflossen. Een bewijs van deze verzekering is als Bijlage III bij de vaststellingsovereenkomst gevoegd. 5.8. De lening of het nog uitstaande bedrag restant daarvan zal, nadat acht dagen na schriftelijke ingebrekestelling verstreken zijn, terstond en ineens opeisbaar zijn, indien en zodra: - [gedaagde 2] tekortschiet in de nakoming van deze verplichting ten aanzien van deze lening; - [gedaagde 2] haar faillissement aanvraagt, danwel het faillissement voor haar wordt aangevraagd, danwel [gedaagde 2] failliet wordt verklaard; - [gedaagde 1] in privé zijn aandelen in [gedaagde 2] geheel of gedeeltelijk overdraagt aan een derde dan wel uittreedt als directeur van [gedaagde 2] (om welke reden dan ook). 2.4. In 2009 heeft [gedaagde 1] ter zake voornoemde lening een bedrag van € 2.549,98 aan rente betaald en in de periode januari tot en met maart 2010 heeft [gedaagde 1] elke maand € 654,- voldaan. Verdere betalingen hebben niet plaatsgevonden. 2.5. In antwoord op betalingssommaties van Stad en Land heeft [gedaagde 1] in e-mails van 20 mei 2015, 24 juli 2015 en 25 augustus 2015 te kennen gegeven dat [gedaagde 2] geen financiële middelen heeft om rente en afbetalingen te voldoen. 3Het geschil 3.1. Stad en Land vordert dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk worden veroordeeld: I. tot betaling van € 83.889,49 aan hoofdsom, vermeerderd met de contractuele rente van 4% per jaar, II. tot betaling van € 1.500,- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente, III. tot betaling van de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente. 3.2. Stad en Land legt nakoming van de betalingsverbintenis volgend uit artikel 5 van de vaststellingsovereenkomst aan de vordering ten grondslag. Het is de intentie en bedoeling van partijen geweest dat de vaststellingsovereenkomst zowel met [gedaagde 2] als met [gedaagde 1] in privé is gesloten. Subsidiair stelt Stad en Land dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld doordat hij als bestuurder van [gedaagde 2] de vaststellingsovereenkomst is aangegaan terwijl hij wist of behoorde te weten dat die zijn verplichting niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden. Meer subsidiair heeft [gedaagde 1] onrechtmatig gehandeld doordat hij als bestuurder van [gedaagde 2] er opzettelijk voor heeft gezorgd dat er geen inkomsten voor [gedaagde 2] binnenkomen met de wetenschap dat [gedaagde 2] daardoor niet de schuld aan Stad en Land kan afbetalen. 3.3. [gedaagde 1] concludeert tot afwijzing van de vordering. [gedaagde 1] betwist dat hij partij is bij de vaststellingsovereenkomst en hij betwist dat sprake is van onrechtmatig handelen. 4De beoordeling 4.1. Jegens [gedaagde 2] is verstek verleend. De vordering jegens [gedaagde 2] komt niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zal worden toegewezen. 4.2. Stad en Land heeft eerst ter comparitie de terugbetalingsverbintenis ter zake de overeengekomen lening aan haar vordering ten grondslag gelegd, en niet langer de in de dagvaarding vermelde rekening-courantschuld. [gedaagde 1] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over de toelaatbaarheid van deze gewijzigde feitelijke grondslag. Nu door [gedaagde 1] ter comparitie is verklaard dat [gedaagde 2] inderdaad een geldleningsovereenkomst heeft gesloten - in verband met een rekening-courantschuld - en niet is gesteld dat en waarom [gedaagde 1] in zijn belangen is geschaad door de wijziging van de feitelijk grondslag, is geen sprake van strijd met de regels van een goede procesorde en zal op deze gewijzigde feitelijke grondslag worden beslist. 4.3. Stad en Land stelt dat [gedaagde 1] in privé de vaststellingsovereenkomst is aangegaan. Echter, in de vaststellingsovereenkomst staat [gedaagde 2] expliciet als contractspartij vermeld en niet [gedaagde 1] in privé. Dat het de bedoeling van partijen is geweest om de vaststellingsovereenkomst mede met [gedaagde 1] te sluiten, valt - anders dan Stad en Land stelt - niet af te leiden uit artikel 5.8 van de vaststellingsovereenkomst en evenmin uit het feit dat conform artikel 5.7 van de vaststellingsovereenkomst ten behoeve van [gedaagde 1] in privé een levensverzekering is afgesloten. Ook de omstandigheid dat [gedaagde 1] alle feitelijke werkzaamheden voor [gedaagde 2] verrichtte en daardoor dus de feitelijke vennoot was, is geen reden om [gedaagde 1] in privé als contractspartij aan te merken, nu dit veelal het geval is bij (rechts)handelingen waarbij rechtspersonen zijn betrokken. De stelling dat [gedaagde 1] in door hem verstuurde e-mails zelf ook uitging van persoonlijke aansprakelijkheid blijkt niet uit die e-mails en het feit dat [gedaagde 1] in privé aflossingen aan Stad en Land heeft betaald is evenmin voldoende om hem als contractspartij aan te merken, nu het ingevolge artikel 6:30 lid 1 BW mogelijk is dat een verbintenis door een ander dan de schuldenaar kan worden nagekomen. 4.4. Gelet op het voorgaande valt [gedaagde 1] niet als partij bij de vaststellingsovereenkomst aan te merken en in zoverre kan hij, anders dan [gedaagde 2] , niet tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst worden veroordeeld. Onrechtmatig handelen? 4.5. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is onder bijzondere omstandigheden evenwel, naast aansprakelijkheid van de vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21 en HR 5 september 2014, NJ 2015, 22). 4.6. In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (HR 8 december 2006, NJ 2006, 659) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.