Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/960208-15 Datum uitspraak: 29 augustus 2016 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedatum] 1997, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting [penitentiaire inrichting] , raadsman mr. P.T. Verweijen, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 juli 2016. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. F. van Veghel heeft, nu hij het tenlastegelegde wel wettig maar niet wettig én overtuigend bewezen acht, vrijspraak van het tenlastegelegde gevorderd. 4Geldigheid dagvaarding Standpunt van de verdediging De dagvaarding dient partieel nietig te worden verklaard en wel wat betreft de zinsnede ‘althans een terroristische Jihadistische strijdgroep’. Immers, niet duidelijk is op welke specifieke terroristische jihadistische strijdgroep wordt gedoeld. Er zijn tientallen terroristische jihadistische strijdgroepen actief in Syrië. In het dossier wordt de verdachte met geen andere terroristische organisatie in verband gebracht dan Al Qaida en/of Islamitische Staat. Gelet hierop is de dagvaarding wat betreft dat specifiek tenlastegelegde deel onvoldoende feitelijk en wordt niet voldaan aan het, in artikel 6, derde lid, onder a, van het EVRM neergelegde, recht op informatie. Oordeel van de rechtbank Het verweer wordt verworpen. Het tenlastegelegde, ook de door de raadsman bedoelde zinsnede, is, in combinatie met het onderliggend dossier, voldoende duidelijk voor de verdachte om te kunnen begrijpen wat hem wordt verweten. Uit hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, blijkt dat zulks in casu ook het geval was. Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot nietigverklaring van de dagvaarding, is de dagvaarding geldig. 5Artikel 5 EVRM Standpunt van de verdediging Ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting zit de verachte al bijna acht maanden gedetineerd in het strengst mogelijke detentieregime dat Nederland kent. Hoewel door de verdediging verzocht, heeft noch de rechter-commissaris, noch de raadkamer gevangenhouding van deze rechtbank, noch de raadkamer gevangenhouding van het gerechtshof te Den Haag en evenmin de rechtbank bij gelegenheid van twee pro formazittingen een letter motivering gewijd aan hoe de ernstige bezwaren concreet werden ingevuld in deze zaak. Nu dit op geen enkel moment is gemotiveerd, is gehandeld in strijd met het Europeesrechtelijke vereiste, dat beslissingen betreffende de voorlopige hechtenis dienen te worden gemotiveerd en concreet dienen te worden getoetst. Het directe gevolg daarvan is schending van artikel 5 van het EVRM. Oordeel van de rechtbank Het verweer wordt verworpen. Ofschoon artikel 5 van het EVRM met name in het vizier komt in situaties waarin niet tot bewezenverklaring wordt gekomen, is de rechtbank van oordeel dat zij, c.q. de raadkamer van zowel deze rechtbank als die van het gerechtshof te Den Haag, c.q. de rechter-commissaris steeds in redelijkheid tot oplegging van de voorlopige hechtenis kon komen en dat deze beslissingen, onder verwijzing van gronden en bezwaren die steeds waren op te maken uit de destijds ter beschikking staande dossiers – die weliswaar gedurende de procedure zijn toegenomen maar waarbij ook de kennis van de verdediging steeds toenam – voldoende gemotiveerd zijn. 6Waardering van het bewijs Het waarheidsgehalte van de inhoud van gesprekken door en mededelingen en verklaringen van de verdachte In de zaak tegen de verdachte zijn meerdere deskundigenrapporten uitgebracht. Door de deskundigen dr. G. Wolters en dr. F. Poletiek is op 22 maart 2016 een rapport betreffende een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte uitgebracht. Wolter en Poletiek hebben echter verzuimd de verdachte te interviewen ten behoeve van hun rapportage. Daarnaast hebben zij, zonder daartoe opdracht te hebben verkregen, de bewijs- en de kwalificatievraag beantwoord. Dat laatste lag en ligt niet op hun weg en zij zijn daarmee buiten hun onderzoeksopdracht getreden. Het eerste verzuim, het nalaten van het interviewen van de verdachte, beschouwt de rechtbank als een zodanig ernstige vormfout in het onderzoek, dat het rapport van Wolters en Poletiek onbruikbaar is. Namens Recuper Expertise is door de deskundigen drs. E.J.F.L. Olivier en drs. T.C. van Caspel, op 12 juli 2016 een onderzoeksrapport omtrent de verdachte uitgebracht. Olivier en Van Caspel opperen in dit rapport de alternatieve mogelijkheid dat de verdachte lijdt aan ‘pseudologia fantastica’ (pathologisch liegen) en lijken hier gaandeweg het rapport zelf steeds meer in te geloven. Zij concluderen onder meer dat hoewel verdachte beseft dat hij zichzelf door zijn verklaringen ernstig benadeelt, hij de drang deze verklaringen te doen niet kan weerstaan. De rechtbank hecht echter meer waarde aan de conclusies in het NIFP-rapport betreffende de verdachte, van 10 juni 2016 door de deskundigen A.E. Grochowska en R. Haveman, respectievelijk psychiater en gz-psycholoog. Gelet op de inhoud en conclusies van laatstgenoemd rapport, acht de rechtbank het zeer wel aannemelijk dat bij de verdachte, als gevolg van het verlies van zijn twee broers, sprake is van een pathologische rouwreactie die als posttraumatische rouwreactie kan worden geclassificeerd en dat er tevens sprake is van een aanpassingsstoornis met emotionele en gedragsmatige kenmerken. De psychiater concludeert ook dat er enige aanwijzingen zijn voor compensatiegedrag: opschepperij, stoerdoenerij en roekeloosheid. Gelet hierop acht de rechtbank het dan ook reëel dat de verdachte zijn eigen rol en capaciteiten meer dan eens heeft overdreven in plaats van dat hij zijn uitlatingen deed vanwege een onweerstaanbare drang hiertoe. Zo heeft de verdachte ter terechtzitting ook verklaard dat hij zijn verklaringen tegen zijn medebewoners van het AZC, niet vertelde vanuit een drang dat te moeten doen, maar om op te scheppen. Echter, de rechtbank is van oordeel dat niet alles dat in het onderhavige dossier aan de verdachte wordt toegeschreven kan worden afgedaan als opschepperij. In dit verband kan onder meer worden gewezen op hetgeen hierna wordt overwogen omtrent het WhatsApp-gesprek 109, maar bijvoorbeeld ook op zijn geuite ‘blijdschap’ over de gebeurtenissen in Parijs en de foto’s op zijn mobiele telefoon. WhatsApp-gesprek 109 De verdachte werd op 30 november 2015, op bevel van de officier van justitie, buiten heterdaad aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht. Hierbij werd bij de verdachte een mobiele telefoon aangetroffen, met het mobiele telefoonnummer [nummer], die aan de verdachte toebehoorde. De data-inhoud van de inbeslaggenomen telefoon werd vervolgens veiliggesteld en aan het onderzoeksteam ter beschikking gesteld. In de mobiele telefoon stonden diverse WhatsApp-gesprekken opgeslagen, in totaal 136 sessies. In één van die sessies, gesprek 109, wordt door de verdachte bemiddeld bij het deserteren uit ‘het leger’ van een militair die zich op dat moment in Aleppo bevindt. In tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft bepleit, kort gezegd dat de inhoud van onder meer de WhatsApp-gesprekken van de verdachte beoordeeld moet worden in het licht van opschepperij en leugenachtigheid, is de rechtbank van oordeel dat WhatsApp-gesprek 109, ook aan de zijde van de verdachte, serieus en zakelijk bedoeld is en om die reden niet kan worden gezien, zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, als een verhaal dat hij maar vertelde om het gesprek af te kappen. Zowel de verdachte als zijn gesprekspartner kennen elkaar en nemen elkaar in dit gesprek zeer serieus en spreken op zakelijke wijze in een sfeer van het creëren van een onderhandelingspositie. Er wordt op zakelijke wijze informatie uitgewisseld over hoe een persoon te laten deserteren, informatie waarvan de ander niet opkijkt; daar is niets ‘opschepperigs’ aan. Hierin wordt dan ook de sleutel gezien hoe de verdachte en de inhoud van de zich in het dossier bevindende gesprekken, berichtenuitwisselingen en foto’s te taxeren. Het voorgaande maakt dat de rechtbank, in tegenstelling tot de officier van justitie, wel tot wettig én overtuigend bewijs van het tenlastegelegde komt en de opvatting van Recuper Expertise over de waarde en daarmede bruikbaarheid van de verklaringen van de verdachte passeert en buiten beschouwing laat. De bewezenverklaarde periode Ofschoon, zoals hierna blijkt, een ruime periode bewezen wordt verklaard, gaat de rechtbank uit van een kortere periode van actief lidmaatschap van de verdachte van Al Qaida in Syrië gelet op zijn vertrek naar Turkije. Wanneer dit vertrek exact heeft plaatsgevonden kan niet worden vastgesteld, maar dit was, zoals de verdachte zelf ook aangeeft, kennelijk in 2014. De rechtbank is evenwel van oordeel dat nadien voorvallende gebeurtenissen, feiten en getuigenverklaringen mede tot bewijs van dat lidmaatschap in Syrië kunnen strekken. In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat: hij in de periode van 01 mrt 2013 tot en met 01 okt 2015 te Syrië heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten Al Qaida , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, namelijk A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.