← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2016:7374

Rechtbank Rotterdam Team insolventie verzoek toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 24 augustus 2016 [naam] , wonende te [adres] [woonplaats] , verzoekster. 1De procedure Verzoekster heeft op 20 juli 2016 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De uitspraak is bepaald op heden. 2De beoordeling In het verzoekschrift moet worden opgenomen een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, aldus artikel 285, eerste lid, Faillissementswet (hierna: Fw). Naar het oordeel van de rechtbank is de zich in het dossier bevindende verklaring van de Kredietbank onvoldoende met redenen omkleed. Daartoe wordt het volgende overwogen. Bij de beantwoording van de vraag of er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, dient tevens te worden meegewogen in hoeverre een verzoek dwangakkoord ex artikel 287a Fw kans van slagen heeft. Met de invoering van artikel 287a Fw heeft de wetgever immers beoogd het minnelijk traject te versterken en de toestroom tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te beperken. Bij de beoordeling van een verzoek dwangakkoord is onder meer van belang of er een kans is dat verzoekster zou kunnen worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De opbrengst in het minnelijk traject is doorgaans immers hoger dan in de wettelijke schuldsaneringsregeling, omdat de kosten in de wettelijke schuldsaneringsregeling meestal hoger zijn. In de verklaring van de Kredietbank staat: “De Belastingdienst heeft reeds in de B-fase (opvragen saldo) aangegeven niet mee te werken aan een minnelijke regeling. De vordering van de Belastingdienst is 93,1% van de totale schuldenlast. Derhalve is er geen voorstel gedaan aan de schuldeisers.” Uit het zich in het dossier bevindende overzicht van Belastingdienst van 2 juni 2016 blijkt dat verzoekster een schuld heeft aan de Belastingdienst van € 97.256,

  1. Deze schuld heeft voor een bedrag van € 75.803,00 betrekking op een terugvordering van kinderopvangtoeslag over de jaren 2007 tot en met
  2. De schuld van de Belastingdienst bestaat voorts uit een terugvordering van kinderopvangtoeslag over 2011 van € 19.703,00, een terugvordering zorgtoeslag 2011 van € 116,00 en een tweetal terugvorderingen huurtoeslag over 2011 en 2014 van respectievelijk € 312,00 en € 1.322,
  3. Nu de schuld aan de Belastingdienst grotendeels is ontstaan buiten de voor toelating tot de schuldsaneringsregeling in aanmerking te nemen periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van indiening van het verzoekschrift en na 2011 alleen nog een schuld ter zake van zorgtoeslag is ontstaan, is niet zonder meer aannemelijk dat de schuld aan de Belastingdienst in de weg zou staan aan toelating tot de schuldsaneringsregeling. Dit zou bij een eventueel verzoek dwangakkoord in positieve zin worden meegewogen. Mede gelet hierop kan een eventueel verzoek dwangakkoord op voorhand niet als kansloos worden bestempeld. Door geen aanbod te doen, is een verzoek dwangakkoord niet mogelijk. Uit de verklaring van de Kredietbank blijkt niet dat en waarom zij van mening is dat een verzoek dwangakkoord in de gegeven omstandigheden geen kans van slagen heeft. Zoals uit het voorgaande blijkt, is de enkele omstandigheid dat de Belastingdienst reeds heeft aangegeven niet te zullen meewerken aan een minnelijke regeling en dat de vordering van de Belastingdienst 93,1% van de totale schuldenlast bedraagt, daartoe naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. De rechtbank gunt verzoekster geen termijn als bedoeld in artikel 287, tweede lid, Faillissementswet om de ontbrekende gegevens te verstrekken aangezien een termijn van één maand niet toereikend is om een minnelijk traject af te wikkelen. Verzoekster wordt op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. 3De beslissing De rechtbank: - verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout, rechter, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus
  4. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.