vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel zaaknummer / rolnummer: C/10/488377 / HA ZA 15-1126 Vonnis van 21 september 2016 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser] , gevestigd te Oss, eiseres, advocaat mr. R.J. Haakmeester te Heesch, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 1] , gevestigd te Rotterdam, 2. [gedaagde 2], wonende te [woonplaats] , 3. maatschap [gedaagde 3] , gevestigd te Molenaarsgraaf, 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 4] , gevestigd te Gorinchem, 5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 5] , gevestigd te Barendrecht, 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 6] , gevestigd te Gorinchem, gedaagden, advocaat mr. E.M. van Orsouw te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiser] en (gedaagden samen:) de notaris genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 19 oktober 2015, met de producties 1-6; de conclusie van antwoord, met de producties 1-4; het tussenvonnis (bij brief) van 16 maart 2016; de brief van 30 mei 2016 van de rechtbank met vragen voor de zitting; het proces-verbaal van comparitie van 7 juli 2016. 1.2. Op de comparitie is bepaald dat vonnis zal worden gewezen. 2De vordering 2.1. [eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van € 1.357.675, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 29 maart 2010 althans de dag van dagvaarding; en tot betaling van de proceskosten, met nasalaris en rente. 2.2. [gedaagde 2] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, althans tot afwijzing van de vorderingen. [gedaagde 2] verzoekt (subsidiair) een veroordelend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans zekerheid te laten stellen; een en ander met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, met nakosten en rente. 3De beoordeling feiten en omstandigheden 3.1. De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten en omstandigheden. [eiser] was (tot 29 maart 2010) de houdster van alle aandelen in verzekeringskantoor [pandgever] Op 20 november 2009 heeft zij alle aandelen verkocht aan Cinjee Schadeverzekeringen BV (hierna: Cinjee) voor een bedrag van € 1.710.000. Hiervan is een schriftelijke overeenkomst opgesteld (door partijen aangeduid als: de voorovereenkomst). De activa van [pandgever] betreffen (uitsluitend) de verzekeringsportefeuille. In de voorovereenkomst is (ook) opgenomen dat [eiser] Cinjee een geldlening verstrekt ter hoogte van de koopsom, op basis van 3% rente en aflossing in 60 maandtermijnen. Verder is in de voorovereenkomst opgenomen dat een pandrecht zal worden gevestigd ten behoeve van de verkoper op de aandelen van de BV en de verzekeringsportefeuille. De levering van de aandelen heeft op 29 maart 2010 plaatsgevonden door het passeren van een notariële akte bij de notaris. In bepaling H van de notariële akte van levering staat dat een separate notariële akte van geldlening en verpanding zal worden opgemaakt. Ook op 29 maart 2010 is bij de notaris een "akte van geldlening tevens houdende verpanding" gepasseerd (hierna: de akte geldlening/verpanding). Deze akte betreft:- de geldlening van € 1.710.000, - de verpanding door Cinjee (pandgever) van de aandelen in [pandgever] ten behoeve van [eiser] (pandhouder) tot meerdere zekerheid van de aflossing van de lening, alsmede- de verpanding door [pandgever] (pandgever) van haar verzekeringsportefeuille ten behoeve van [eiser] (pandhouder) tot meerdere zekerheid van de nakoming door Cinjee van de "Nadere bepalingen ter zake verpanding van aandelen". De akte geldlening/verpanding bevat, voor zover hier van belang, onder andere de volgende bepalingen: "II. Verpanding van aandelen.(…)BEPALINGEN EN BEDINGEN:(…)6. Pandgever verplicht zich voormelde Aandelen niet te verkopen, te ruilen, te schenken of op andere wijze te vervreemden (…).(…)Nadere bepaling terzake verpanding van aandelen.Ter zake van voormelde verpanding van aandelen in de vennootschap zijn Pandhouder en Pandgever nog uitdrukkelijk nader overeengekomen als volgt:a. Het is Pandgever - zolang de hiervoor in Hoofdstuk I genoemde geldlening niet of niet volledig is afgelost - niet toegestaan om de hierna in deze akte nader te omschrijven assurantieportefeuille of de rechten daarop, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Pandgever te verkopen, te ruilen, te schenken of op andere wijze te vervreemden (…).(…)c. Wanneer Pandgever of de vennootschap met de naleving van het hiervoor onder a en b bepaalde in gebreke blijft, is de hiervoor in Hoofdstuk I genoemde geldlening direct en geheel opeisbaar, zulks met inachtneming van de hiervoor in Hoofdstuk II genoemde rechten van de Pandhouder.III. Verpanding assurantieportefeuille.1. De comparanten, handelende als gemeld, verklaren, te zijn overeengekomen dat, tot meerdere zekerheid van de nakoming door gemelde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: Cinjee Schadeverzekeringen B.V., alsmede voormelde hoofdelijke mede schuldenaren, van het hiervoor in Hoofdstuk II onder "Nadere bepalingen terzake verpanding van aandelen" bepaalde ten behoeve van gemelde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [eiser] , pandhouder voornoemd, tot een bedrag van éénmiljoenzevenhonderd tienduizend euro (€ 1.710.000,00) een eerste pandrecht zal worden gevestigd op de hierna omschreven assurantieportefeuille.2. Ter uitvoering van het vorenstaande verklaart de comparant sub 2, handelende voor en aldus namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [pandgever] - hierna voor zover in deze akte niet anders aangeduid ook te noemen: pandgever - in eerste pand te geven aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [eiser] - pandhouder voornoemd - voor welke vennootschap de comparant sub 1 verklaart in eerste pand aan te nemen:de zich in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [pandgever] bevindende assurantieportefeuille, welke nader is gespecificeerd op de aan deze akte gehechte Bijlage van het portefeuille overzicht, hierna ook te noemen: de assurantieportefeuille.Onder de assurantieportefeuille wordt verstaan: alle portefeuillerechten bestaande uit de rechten op provisie-, volmacht-, en de eventuele extra- en/of bonusprovisie en het recht op beheer - waaronder het recht op premie-incasso. (…)". Op 28 juni 2011 is Cinjee gefailleerd. Ook diverse andere vennootschappen behorende tot de 'Cinjee-groep' – die een groot aantal verzekeringskantoren had aangekocht – zijn in staat van faillissement verklaard. De curator in het faillissement (mr. [curator] ) heeft bij brief van 3 augustus 2011 aan [eiser] geschreven: "Ongeldigheid pandrecht e.a. op assurantieportefeuilles.1. Voor het geval tot meerdere zekerheid van één van uw (toekomstige) vorderingsrechten door gefailleerde (zekerheids)rechten op de portefeuille mochten zijn gegeven of door u zijn voorbehouden, meer in het bijzonder de pandrechten, deel ik u mede dat ik deze voorshands niet zal erkennen, aangezien de wet geen grondslag biedt voor het vestigen van pandrechten op samenstelsels van strikte contractuele relaties als de onderhavige. (…)Tenzij u anderszins aantoont, zal ik ook in uw geval ervan uitgaan dat slechts beoogd werd om een pandrecht op de portefeuille en niet op de provisie te vestigen.(…)Werkafspraken verkoopopbrengst. 3. De portefeuille wordt door een onafhankelijk taxateur gewaardeerd. Voor het geval uit een onherroepelijke gerechtelijke uitspraak over deze kwestie mocht blijken dat uw zekerheidsrecht, of een onderdeel/aspect daarvan wèl geldig is, zal ik de verkoopopbrengst van de portefeuilles zoveel mogelijk separeren onder inhouding van de gebruikelijke boedelbijdrage. Om diezelfde reden zal ik uw vordering plaatsen op de lijst van voorlopig erkende bijzonder preferente crediteuren. De voorlopig toegekende preferentie geldt bijzonder ten aanzien van de opbrengst van uw nader te identificeren aandeel in de portefeuille. U kunt hieraan nog geen rechten ontlenen, want zoals uit punt 1 volgt, zal er naar verwachting een principiële gerechtelijke uitspraak nodig zijn omtrent de geldigheid van pandrechten c.q. eventuele bijzondere preferenties. (…)(…)". De opvolgende curator (mr. [curator] ) heeft bij brief van 6 juni 2014 [eiser] het volgende bericht: "(…)3. De voormalig curator heeft bij aanvang van het faillissement het algemene standpunt ingenomen dat het vestigen van een pandrecht op een assurantieportefeuille niet mogelijk is. Ik zie geen reden een ander standpunt in te nemen en om die reden wordt de preferentie van uw vordering betwist.4. Wij proberen zo spoedig mogelijk via de rechter duidelijkheid te krijgen omtrent de mogelijkheid van verpanding van een assurantieportefeuille.5. Los daarvan is in dit geval naar onze mening het pandrecht niet rechtsgeldig gevestigd, (bijvoorbeeld) omdat:(…)- De verpanding in strijd is met artikel 2:207c BW(oud) zoals dat ten tijde van de verpanding gold. Dit artikel bepaalt – kort gezegd – dat het niet is toegestaan dat een vennootschap een zekerheidsrecht (pandrecht) geeft aan een derde, waardoor deze derde aandelen in de vennootschap kan kopen.(…)9. Op grond van het bovenstaande geef ik u in overweging beroep op een pandrecht in te trekken. Als u een beroep handhaaft, zal over de rechtsgeldigheid van de preferentie van uw vordering een procedure gevoerd moeten worden tegen de boedel. U dient zich daarvoor tot een advocaat te wenden. 10. Indien u beroep op een pandrecht intrekt, gelieve u mij dit binnen 14 dagen te laten weten. Ik zal dan uw vordering plaatsen op de lijst van voorlopig erkende concurrente crediteuren. 11. Als u uw beroep op een pandrecht niet intrekt, zal ik uw beroep hierop zoals gezegd betwisten. 12. Ik zal u informeren zodra de rechter over de vraag of een assurantieportefeuille kan worden verpand, een oordeel heeft gegeven, alsmede over de andere relevante ontwikkelingen in dit faillissement. (…)". Van de koopprijs van de aandelen is een bedrag van (circa) € 1.400.000 onbetaald gebleven. [eiser] heeft de notaris in 2011 en op 3 maart 2015 aansprakelijk gesteld. grondslagen van de vordering 3.2. [eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat notaris [gedaagde 2] , optredend namens de maatschap waarmee [eiser] een overeenkomst tot het verrichten van diensten had gesloten, een beroepsfout heeft gemaakt. [eiser] doelt hierbij op de zekerheidsconstructie die is vervat in de (notariële) akten. [eiser] maakt de notaris twee zelfstandige verwijten in het kader van het opstellen van de akten, leidend tot aansprakelijkheid, te weten dat de notaris: a. een zekerheidsconstructie heeft gemaakt, althans opgenomen in de akten, die niet deugdelijk is (een 'niet-werkzame zekerheid'), wegens strijd met de wet, in het bijzonder artikel 2:207c BW; b. [eiser] niet heeft geïnformeerd over strijdigheid althans kwetsbaarheid van de zekerheidsconstructie wegens (mogelijke) strijd met de wet, in het bijzonder artikel 2:207c BW. [eiser] stelt dat zij hierdoor schade heeft geleden, doordat Cinjee is gefailleerd en [eiser] toen geen zekerheid bleek te hebben voor de betaling van het onbetaald gebleven deel van de koopsom voor de aandelen van het assurantiebedrijf. Volgens [eiser] heeft de curator elke constructie waarin met inzet van een pandrecht zekerheid werd geboden, bestreden, waaronder te begrijpen een beroep op artikel 2:207c BW. beoordeling van de vordering en de verweren daartegen; curator geen partij in de procedure 3.3. De notaris voert (primair) aan dat in deze procedure, waarin de curator geen partij is, [eiser] niet kan voldoen aan de stelplicht en bewijslast voor haar stelling dat de met de akte geldlening/verpanding beoogde rechtsgevolgen niet zijn ingetreden. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De juridische grondslag voor de vordering is de gestelde beroepsfout van de notaris. Voor de beoordeling van de vraag of de notaris aansprakelijk is wegens een beroepsfout is niet noodzakelijk dat in de relatie tussen [eiser] en de curator/de faillissementsboedel in rechte vaststaat dat de zekerheidsconstructie (al dan) niet rechtsgeldig is. Dit laatste kan, indien aansprakelijkheid zou worden vastgesteld, aan de orde komen in het kader van de beoordeling van het noodzakelijke causale verband tussen het handelen van de notaris en de gestelde schade (waaronder te begrijpen het eigen schuld-verweer). strijdigheid met artikel 2:207c BW? / overgangsrecht 3.4. Inhoudelijk betoogt de notaris in de eerste plaats dat geen sprake is van strijdigheid met artikel 2:207c BW (oud). Artikel 2:207c BW (oud) luidde als volgt: "De vennootschap mag niet, met het oog op het nemen of verkrijgen door anderen van aandelen in het kapitaal of certificaten daarvan, zekerheid stellen, een koersgarantie geven, zich op andere wijze sterk maken of zich hoofdelijke of anderszins naast of voor anderen verbinden. (…)". 3.4.1. Op de comparitie hebben partijen hun desbetreffende standpunten nader toegelicht. Het standpunt van [eiser] houdt in dat het haar gaat om de constructie van de in onderlinge samenhang te beschouwen dubbele verpanding, niet om de omstandigheid dat onderdeel van die constructie is de (beoogde, maar in literatuur en rechtspraak niet eenduidig beoordeelde) verpanding van een assurantieportefeuille. Volgens [eiser] is er voor gekozen om de pandrechten met elkaar te vermengen en hollen deze tezamen de waarde van het assurantiebedrijf uit. Het standpunt van de notaris houdt in de eerste plaats in dat de zinsnede 'met het oog op' in genoemde wetsbepaling restrictief moet worden uitgelegd volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2004:AO1962), zodat alleen zekerheden die direct worden gesteld voor schulden van derden die aandelen in de vennootschap willen kopen strijdig zijn met genoemde bepaling. Het in dit geval verstrekte pandrecht op de assurantieportefeuille strekte tot meerdere zekerheid van de verplichting om de portefeuille in stand te houden, hetgeen niet onder het bereik van artikel 2:207c BW valt, aldus de notaris. Het pandrecht op de aandelen in het assurantiebedrijf is verstrekt door Cinjee; hierop is artikel 2:207c BW niet van toepassing. 3.4.2. Op de zitting heeft de comparitierechter de onderhavige bepalingen in de akte geldlening/verpanding met partijen doorgenomen. Dienaangaande is in het proces-verbaal zitting het volgende opgenomen als verklaring namens de notaris: "Het klopt dat in hoofdstuk II van de akte de pandgever Cinjee is en in hoofdstuk III de pandgever [pandgever] , en dat in hoofdstuk II 'nadere bepaling' onder c een stap wordt gemaakt van het verbod de portefeuille niet te vervreemden/bezwaren naar de geldlening. Indien hierin een voor de rechtbank beslissend punt is gelegen, wil [gedaagden] hier nog nader op kunnen reageren. Ten opzichte van de dagvaarding is dit een nieuw punt. Wij zijn niet in de gelegenheid geweest om dit punt voldoende uit te werken en hier gedegen verweer tegen te voeren. Het gaat er om dat het tweede pandrecht alléén ziet op het behoud van de portefeuille en niet op de betaling van de lening." De hierbij door de comparitierechter voorgehouden gedachtegang was de volgende. In hoofdstuk III sub 2 van de akte is bepaald dat door [pandgever] een pandrecht op haar assurantieportefeuille wordt gevestigd "ter uitvoering van het vorenstaande". Dit slaat terug op hoofdstuk III sub 1 van de akte, waarin staat dat het pandrecht wordt gevestigd tot meerdere zekerheid van de nakoming door Cinjee van de "Nadere bepalingen terzake verpanding van aandelen", opgenomen aan het slot van hoofdstuk II. Die nadere bepalingen zien, voor zover hier van belang, op: (sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.