vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/504537 / HA ZA 16-625 Vonnis van 23 november 2016 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] , gevestigd te [woonplaats] , eiseres, verweerster in het incident, advocaat mr. R.L. Latten te Rotterdam, tegen 4. de vennootschap naar het recht van het land en de plaats van haar vestiging SOLI-TRANS SPEDITIONS GMBH, gevestigd te Bremen, Duitsland, gedaagde, eiseres in het incident, advocaat mr. T. van der Valk te Rotterdam. Partijen zullen hierna “ [eiseres] ” en “Soli-Trans” genoemd worden. 1De procedure 1.1. [eiseres] heeft Soli-Trans tezamen met Eurokor Barging B.V., gevestigd te Ridderkerk, Nautica Binnenscheepvaart B.V., gevestigd te Zwijndrecht, en P&B Beheer B.V., gevestigd te Nijmegen, bij exploot van 29 april 2016 gedagvaard voor deze rechtbank en gevorderd zoals hierna onder de vordering in de hoofdzaak beschreven. 1.2. [eiseres] heeft bij Akte zeventien producties in het geding gebracht. 1.3. Soli-Trans heeft een Incidentele conclusie voor alle weren tot aanhouding en onbevoegd verklaring genomen en daarbij twee producties in het geding gebracht. 1.4. [eiseres] heeft een Conclusie van antwoord in het incident genomen en daarbij producties 18 tot en met 22 in het geding gebracht. 1.5. Soli-Trans heeft een Akte genomen en daarbij producties S3 en S4 in het geding gebracht. 1.6. [eiseres] heeft een Akte genomen en daarbij productie 23 in het geding gebracht. 1.7. Partijen hebben hun zaken in het incident doen bepleiten, [eiseres] door mr. H.T. Flameling en Soli-Trans door mrs. V. van der Kuil en J.J. van Blaaderen, allen advocaten te Rotterdam, op de zitting van 1 november 2016. Van die zitting is proces-verbaal opgemaakt. 1.8. Partijen hebben vonnis gevraagd. 2De vorderingen in de hoofdzaak en de gronden daarvan 2.1. [eiseres] vordert voor zover haar vorderingen Soli-Trans betreffen dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: primair: zal verklaren voor recht dat Soli-Trans niet-ontvankelijk is in een eventuele vordering tot schadevergoeding; subsidiair: zal verklaren voor recht dat [eiseres] niet aansprakelijk is jegens Soli-Trans; meer subsidiair: zal verklaren voor recht dat [eiseres] niet verder aansprakelijk is jegens Soli-Trans dan tot het bedrag van de limiet ingevolge artikel 20 CMNI; met veroordeling van Soli-Trans in de proceskosten. 2.2. Daartoe stelt [eiseres] – samengevat weergegeven – het volgende. 2.2.1. Bij e-mail van 11 oktober 2013 (productie 5 van [eiseres] ) verzocht Soli-Trans aan [eiseres] om een offerte op te stellen voor het vervoer van een ‘Cokes Transport Car’ (hierna: de CTC) per binnenschip van Duisburg naar Schiedam, ter doorvervoer over zee naar Finland. 2.2.2. Bij e-mail van 23 oktober 2013 (productie 6 van [eiseres] ) zond [eiseres] die offerte aan Soli-Trans toe. 2.2.3. Bij e-mail van 20 augustus 2014 (productie 7 van [eiseres] ) verzocht Soli-Trans om een nieuwe offerte aan [eiseres] . 2.2.4. [eiseres] deed bij e-mails van 26 en 29 augustus 2014 (productie 7 van [eiseres] ) nadere offertes aan Soli-Trans. 2.2.5. In alle offertes van [eiseres] is aangegeven dat de CTC een hoogte heeft van 11,86 meter. 2.2.6. Bij e-mail van 1 september 2014 (productie 8 van [eiseres] ) zond Soli-Trans aan [eiseres] de definitieve ‘Transporttekening’ waarop de afmetingen van de CTC staan vermeld. 2.2.7. Bij brief van 4 september 2014 (productie 9 van [eiseres] ) aanvaardde Soli-Trans een offerte van [eiseres] onvoorwaardelijk en ongewijzigd met de woorden “We herewith confirm the order for the Transport of one coke transfer car 18.70 * 9,32 * 11,87m – 237,5 to as per last and final transport drawing. As per your offer dated 26.08.2014”. 2.2.8. Op 24 september 2014 werd de CTC in Duisburg in het binnenschip ‘Bernadette’ op ‘dragline matten’ geladen. 2.2.9. Bij het passeren van de Willemsbrug in Rotterdam is schade aan de CTC ontstaan door contact met de brug. Experts hebben vastgesteld dat de CTC een hoogte had van 12,89 meter in plaats van de door Soli-Trans opgegeven hoogte van 11,86 meter. 2.2.10. De rechtsverhouding tussen [eiseres] en Soli-Trans wordt beheerst door Nederlands recht. 2.2.11. [eiseres] is jegens Soli-Trans als expediteur opgetreden en daarom niet aansprakelijk voor de schade die tijdens de reis, bij het passeren van de Willemsbrug, is ontstaan. [eiseres] heeft steeds “as (freight) forwarder” aan Soli-Trans geoffreerd. 2.2.12. Indien en voor zover [eiseres] als vervoeder moet worden aangemerkt, is de CMNI en aanvullend Nederlands recht van toepassing. Als vervoerder is [eiseres] niet aansprakelijk jegens Soli-Trans, omdat de schade is veroorzaakt doordat laatstgenoemde de hoogte van de CTC onjuist had opgegeven. In ieder geval komt [eiseres] beroep toe op beperking van aansprakelijkheid ingevolge artikel 20 CMNI. 2.2.13. Tussen [eiseres] en Soli-Trans is een forumkeuze overeengekomen voor de rechtbank Rotterdam, omdat in de e-mails en offertes van [eiseres] staat “Court having jurisdiction: Rotterdam” en de toepasselijke algemene voorwaarden eveneens een forumkeuzebeding voor Rotterdam bevatten, terwijl Soli-Trans dat forumkeuzebeding in haar bevestigingsbrief van 4 september 2014 heeft aanvaard. 3De vorderingen in het incident en de gronden daarvan 3.1. Soli-Trans vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: primair: de zaak zal aanhouden totdat in de procedure tussen Soli-Trans en [eiseres] “in Duitsland bij vonnis onherroepelijk is beslist over de bevoegdheid van Landgericht Bremen, met mogelijkheid voor partijen het debat te heropenen nadat in Duitsland bij vonnis onherroepelijk is beslist over de bevoegdheid van Landgericht Bremen”; subsidiair, voor het geval de rechtbank overgaat tot een oordeel over haar bevoegdheid: “zich onbevoegd verklaart, althans prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie van de EU, met verlof tot tussentijds hoger beroep van genoemd oordeel”. 3.2. Daartoe stelt Soli-Trans – samengevat weergegeven – het volgende. 3.2.1. Bij het in het incident primair gevorderde dient de tekst “met mogelijkheid voor partijen het debat te heropenen nadat in Duitsland bij vonnis onherroepelijk is beslist over de bevoegdheid van Landgericht Bremen” ertoe om partijen de gelegenheid te geven de beslissing van de Duitse rechter in het geding te brengen en zich daarover uit te laten. Bij het in het incident subsidiair gevorderde dient de tekst “met verlof tot tussentijds hoger beroep van genoemd oordeel” beperkend te worden gelezen, namelijk slechts voor het geval de rechtbank zich bevoegd zal verklaren en geen vragen zal stellen aan het HvJEU. 3.2.2. Er is sprake van litispendentie nu zowel bij het Landgericht Bremen als voor deze rechtbank vorderingen tussen dezelfde partijen, Soli-Trans en [eiseres] , aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, namelijk de vraag naar aansprakelijkheid van [eiseres] in verband met het ongeval met de CTC bij de Willemsbrug te Rotterdam tijdens het vervoer met de ‘Bernadette’ van Duisburg naar Rotterdam. 3.2.3. De vordering van Soli-Trans tegen [eiseres] was al op 9 december 2015 bij het Landgericht Bremen aanhangig gemaakt, derhalve eerder dan die van [eiseres] tegen Soli-Trans bij deze rechtbank. [eiseres] erkent dat in haar dagvaarding. 3.2.4. Soli-Trans betwist dat tussen partijen een forumkeuzebeding geldt dat terzijde stelt de litispendentieregel dat de later aangezochte rechter de zaak dient aan te houden. Indien al een forumkeuze is gemaakt, is dat een keuze voor het Landgericht Bremen, omdat Soli-Trans van de vanaf het eerste contact tussen partijen, haar verzoek om een aanbod te doen van 11 oktober 2013, steeds heeft gesteld, ook in haar bevestigingsbrief van 4 september 2014: “Erfüllungsort und Gerichtsstand ist Bremen”. 3.3. De conclusie van [eiseres] strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Soli-Trans in de proceskosten. 3.4. Bij de beoordeling zal de rechtbank nader ingaan op de stellingen van partijen. 4De beoordeling in het incident 4.1. De vorderingen stellen aan de orde de bevoegdheid van deze rechtbank in het licht van litispendentie met de zaak bij het Landgericht Bremen. [eiseres] stelt dat deze rechtbank bevoegd is op grond van een forumkeuzebeding tussen partijen, hetzij het beding “Court having jurisdiction: Rotterdam”, hetzij een beding in de toepasselijke algemene voorwaarden. 4.2. Gezien de vestigingsplaatsen van partijen, de datum waarop de dagvaarding in de hoofdzaak is uitgebracht en de aard van de vorderingen in de hoofdzaak, namelijk vorderingen in een burgerlijke of handelszaak, dienen de vorderingen te worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel Ibis-Vo). Partijen gaan daar ook van uit. 4.3. Artikel 29 Brussel Ibis-Vo luidt als volgt: 1. Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, onverminderd artikel 31, lid 2, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat. 2. In de in lid 1 bedoelde gevallen wordt op verzoek van een gerecht waarbij de zaak is aangebracht door een ander aangezocht gerecht onverwijld aan het eerstbedoelde gerecht meegedeeld op welke datum het in overeenstemming met artikel 32 is aangezocht. 3. Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd. Artikel 31 Brussel Ibis-Vo luidt voor zover voor deze beoordeling van belang als volgt: 1. Wanneer voor de vorderingen meer dan één gerecht bij uitsluiting bevoegd is, worden partijen verwezen naar het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt. 2. Wanneer een zaak aanhangig wordt gemaakt bij een gerecht van een lidstaat dat op grond van een in artikel 25 bedoelde overeenkomst bij uitsluiting bevoegd is, houdt elk gerecht van de andere lidstaten, onverminderd artikel 26, de uitspraak aan totdat het krachtens de overeenkomst aangezochte gerecht verklaart geen bevoegdheid aan de overeenkomst te ontlenen. 3. Indien het in de overeenkomst aangewezen gerecht zijn bevoegdheid in overeenstemming met de overeenkomst heeft vastgesteld, verklaart elk gerecht van de overige lidstaten zich onbevoegd ten gunste van dat gerecht. Artikel 25 Brussel Ibis-Vo luidt voor zover voor deze beoordeling van belang als volgt: 1. Indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. De overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.